Site icoon Food4Innovations (NL) – ir. Wouter de Heij

Boeren als Grondstoffenleveranciers: De Economische Realiteit van Oligopsonie en de Wet van Engel in de Moderne Landbouw, of te wel een Brede Economische duiding van de Agrifood-sector.

Samenvatting

De Nederlandse landbouwsector bevindt zich in een complexe economische positie waarbij boeren primair functioneren als grondstoffenleveranciers in plaats van directe voedselleveranciers aan consumenten. Dit artikel analyseert de economische mechanismen die ten grondslag liggen aan deze positie, met specifieke aandacht voor oligopsonistische marktstructuren en de invloed van de wet van Engel op voedseluitgaven. Door middel van een synthese van recente inzichten en academische literatuur wordt aangetoond hoe boeren gevangen zitten in een marktstructuur met veel aanbieders en weinig kopers, wat resulteert in beperkte onderhandelingsmacht en prijsdruk. Tegelijkertijd zorgt de wet van Engel ervoor dat consumenten in welvarende landen een steeds kleiner percentage van hun inkomen aan voedsel besteden, wat de druk op de primaire sector verder vergroot.

Inleiding

De romantische voorstelling van de boer als directe voedselleverancier aan de consument staat in schril contrast met de economische realiteit van de moderne landbouw. In werkelijkheid functioneren de meeste Nederlandse boeren, tuinders en veehouders als anonieme ingrediëntleveranciers in een complexe voedselketen [1]. Deze positie brengt specifieke economische uitdagingen met zich mee die diepgeworteld zijn in de marktstructuur van de agrarische sector.

De economische positie van boeren wordt gekenmerkt door twee fundamentele economische principes die hun inkomenspositie structureel onder druk zetten. Enerzijds bevinden boeren zich in oligopsonistische markten, waarbij vele aanbieders (boeren) tegenover weinig kopers (voedselfabrieken, groothandels) staan [2]. Anderzijds zorgt de wet van Engel ervoor dat consumenten in welvarende landen een steeds kleiner percentage van hun inkomen aan voedsel besteden, wat de vraag naar goedkope grondstoffen vergroot [3].

Dit artikel onderzoekt hoe deze economische mechanismen de positie van boeren als grondstoffenleveranciers bepalen en welke implicaties dit heeft voor de duurzaamheid en rentabiliteit van de Nederlandse landbouwsector.

De Economische Realiteit: Boeren als Grondstoffenleveranciers

Van Voedselleverancier naar Ingrediëntleverancier

De transformatie van boeren van directe voedselleveranciers naar grondstoffenleveranciers is een geleidelijk proces geweest dat hand in hand is gegaan met de industrialisatie van de voedselketen. Het aandeel van agrarische producten dat rechtstreeks van het erf naar de consument gaat, is marginaal geworden [1]. De meeste groenten worden omgepakt, verwerkt of gestandaardiseerd voordat zij de consument bereiken. Denk aan de transformatie van losse ijsbergsla naar voorverpakte salademixen, of van rauwe melk naar een breed scala aan zuivelproducten.

Deze ontwikkeling heeft fundamentele gevolgen voor de economische positie van boeren. Waar zij vroeger directe relaties onderhielden met lokale consumenten en daardoor invloed hadden op prijsstelling en productdifferentiatie, zijn zij nu onderdeel geworden van een geïndustrialiseerde keten waarin zij fungeren als leveranciers van gestandaardiseerde grondstoffen [4]. In deze nieuwe realiteit zijn boeren vaak “inwisselbaar” geworden, waarbij de laagste prijs het belangrijkste criterium is voor afname door de volgende schakel in de keten.

De uitzonderingen op deze regel zijn schaars maar illustratief. Bedrijven zoals Tasty Tom, Koppert Cress en internationale merken zoals Chiquita hebben erin geslaagd om hun producten herkenbaar te maken voor consumenten en daarmee te ontsnappen aan de commodity-val [1]. Deze voorbeelden tonen aan dat het mogelijk is om als primaire producent een merkpositie op te bouwen, maar zij bevestigen tegelijkertijd hoe uitzonderlijk dit is in de huidige marktstructuur.

De Commodity-Val en Marktdynamiek

De positie van boeren als grondstoffenleveranciers brengt specifieke economische uitdagingen met zich mee die kenmerkend zijn voor commodity-markten. In dergelijke markten wordt de prijs primair bepaald door vraag en aanbod van gestandaardiseerde producten, waarbij individuele producenten weinig invloed hebben op de prijsvorming [5]. Deze dynamiek wordt versterkt door het feit dat agrarische producten vaak een lage prijselasticiteit van de vraag hebben, wat betekent dat kleine veranderingen in het aanbod kunnen leiden tot grote prijsschommelingen.

Een cruciaal aspect van deze marktdynamiek is het fenomeen van overproductie. Zoals geanalyseerd door De Heij, is de hoofdoorzaak van structureel lage prijzen in de landbouw het feit dat boeren collectief “gewoon iets teveel” produceren [2]. Deze overproductie, vaak slechts enkele procenten boven de vraag, kan leiden tot dramatische prijsdalingen die ver onder de kostprijs uitkomen. Dit fenomeen wordt versterkt door de beperkte mogelijkheden om productie snel aan te passen aan marktomstandigheden, een karakteristiek van de landbouw die bekend staat als de “cobweb-theorie”.

De gevolgen van deze marktdynamiek zijn verstrekkend. Boeren worden gedwongen om in te teren op hun eigen vermogen of genoegen te nemen met een vergoeding voor arbeid die lager ligt dan het minimumloon [2]. Deze situatie leidt tot een vicieuze cirkel waarbij boeren gedwongen worden om hun productie te intensiveren of schaal te vergroten om hun inkomen op peil te houden, wat de overproductie verder verergert.

Oligopsonie: De Marktstructuur die Boeren Benadeelt

Definitie en Kenmerken van Oligopsonistische Markten

Oligopsonie, het spiegelbeeld van oligopolie, beschrijft een marktstructuur waarin vele aanbieders tegenover weinig kopers staan [6]. In de context van de landbouw betekent dit dat duizenden boeren hun producten moeten verkopen aan een beperkt aantal grote afnemers zoals voedselverwerkers, groothandels en supermarktketens. Deze asymmetrische marktstructuur geeft de kopers aanzienlijke onderhandelingsmacht, terwijl individuele boeren weinig invloed hebben op de prijsvorming.

Academisch onderzoek heeft uitgebreid gedocumenteerd hoe oligopsonistische structuren de welvaart van boeren beïnvloeden. Sexton (2012) toont aan dat oligopsonistische markten niet automatisch leiden tot hogere prijzen voor boeren, zelfs niet in vergelijking met volledig competitieve markten [7]. Dit contrasteert met de intuïtieve verwachting dat minder concurrentie tussen kopers zou leiden tot betere prijzen voor aanbieders.

De karakteristieken van oligopsonistische markten in de landbouw worden verder versterkt door specifieke eigenschappen van agrarische producten. Ten eerste zijn veel agrarische producten bederfelijk, wat boeren dwingt om snel te verkopen en hun onderhandelingspositie verzwakt [8]. Ten tweede vereisen agrarische producten vaak specifieke verwerkingsfaciliteiten of distributiekanalen, wat de afhankelijkheid van boeren van specifieke afnemers vergroot.

Empirische Bewijsvoering voor Oligopsonie in de Landbouw

Empirisch onderzoek naar oligopsonistische marktmacht in de landbouw heeft consistente bewijsvoering opgeleverd voor het bestaan van deze marktstructuren wereldwijd. Rogers (1994) identificeerde in zijn baanbrekende studie verschillende kenmerken van landbouwmarkten die leiden tot niet-competitief gedrag van kopers [9]. Deze studie, die meer dan 280 keer is geciteerd, legde de basis voor verder onderzoek naar marktmacht in de agrarische sector.

Meer recent onderzoek door Hamilton (2021) toont aan hoe voedselverwerkers simultaan oligopsonistische macht uitoefenen in de upstream markt (tegenover boeren) en oligopolistische macht in de downstream markt (tegenover consumenten) [10]. Deze dubbele marktmacht stelt voedselverwerkers in staat om zowel lage inkoopprijzen te realiseren als hoge verkoopprijzen te handhaven, ten koste van zowel boeren als consumenten.

Internationaal onderzoek bevestigt dat oligopsonistische structuren niet beperkt zijn tot ontwikkelde landen. Twine (2023) documenteerde oligopsonistische marktmacht in de rijstmarkt van Oeganda, waar handelaren gebruik maken van hun positie om prijzen te drukken [11]. Dit toont aan dat oligopsonie een wereldwijd fenomeen is dat boeren in verschillende ontwikkelingsstadia van economieën beïnvloedt.

De Rol van Verticale Integratie

Een belangrijke ontwikkeling die oligopsonistische structuren versterkt, is de toenemende verticale integratie in de voedselketen. Grote voedselconcerns hebben niet alleen controle over de verwerking en distributie, maar breiden hun invloed steeds verder uit naar de primaire productie. Deze ontwikkeling vermindert het aantal onafhankelijke kopers en vergroot de marktmacht van de resterende spelers [12].

Verticale integratie heeft ook gevolgen voor de innovatie en productdifferentiatie in de landbouw. Wanneer voedselverwerkers controle hebben over meerdere schakels in de keten, hebben zij minder prikkels om te investeren in innovaties die de positie van onafhankelijke boeren zouden verbeteren. In plaats daarvan richten zij zich op efficiëntieverbeteringen die hun eigen marktpositie versterken.

De Wet van Engel en de Druk op Voedselprijzen

Historische Context en Moderne Relevantie

De wet van Engel, geformuleerd door de Duitse statisticus Ernst Engel in de 1850s, stelt dat naarmate het inkomen van huishoudens stijgt, het percentage van dat inkomen dat wordt besteed aan voedsel afneemt [13]. Deze observatie, hoewel meer dan 170 jaar oud, blijft een van de meest robuuste empirische regelmatigheden in de economische wetenschap en heeft directe implicaties voor de positie van boeren in moderne economieën.

Moderne empirische studies bevestigen de geldigheid van Engel’s wet in verschillende contexten. Anker (2011) toont aan dat de inkomenselasticiteit van voedseluitgaven consequent onder de 1.0 ligt, wat betekent dat voedseluitgaven minder dan proportioneel stijgen met het inkomen [14]. Deze bevinding heeft verstrekkende gevolgen voor de landbouwsector, omdat het betekent dat de relatieve vraag naar voedsel afneemt naarmate samenlevingen welvarender worden.

In Nederland en andere ontwikkelde landen besteden huishoudens gemiddeld slechts 10-15% van hun inkomen aan voedsel, vergeleken met 50-70% in de armste landen ter wereld [15]. Deze dramatische verschillen illustreren hoe economische ontwikkeling de relatieve positie van de voedselproductie in de economie verandert. Voor boeren betekent dit dat zij opereren in een sector waarvan het relatieve economische belang afneemt naarmate de samenleving welvarender wordt.

Implicaties voor Prijsvorming en Boereninkomen

De wet van Engel heeft directe gevolgen voor de prijsvorming in de landbouw en de inkomenspositie van boeren. Omdat consumenten in welvarende landen een steeds kleiner deel van hun inkomen aan voedsel besteden, zijn zij relatief prijsgevoelig geworden voor voedselproducten [16]. Deze prijsgevoeligheid wordt doorvertaald naar de hele voedselketen en resulteert uiteindelijk in druk op de prijzen die boeren ontvangen voor hun producten.

Clements en Si (2018) tonen aan dat hoewel de absolute uitgaven aan voedsel stijgen met het inkomen, de kwaliteit van het voedselmandje slechts bescheiden toeneemt [17]. Dit betekent dat consumenten weliswaar bereid zijn meer te betalen voor voedsel, maar dat deze meerbetalingen vooral terechtkomen bij verwerking, marketing en distributie, en niet bij de primaire producenten.

Een paradoxaal gevolg van de wet van Engel is dat juist in de rijkste landen, waar boeren theoretisch de hoogste productiviteit hebben, de relatieve waardering voor voedsel het laagst is. Dit creëert een situatie waarin boeren in ontwikkelde landen concurreren op een markt waar hun product wordt beschouwd als een commodity met minimale toegevoegde waarde, ondanks de hoge investeringen in technologie en duurzaamheid die zij maken.

De Disconnect tussen Consumentenprijs en Boerenprijs

Een cruciaal inzicht uit de analyse van De Heij is dat er geen directe relatie bestaat tussen wat consumenten betalen in de supermarkt en wat boeren ontvangen voor hun producten [2]. Deze disconnect wordt versterkt door de wet van Engel, omdat consumenten relatief weinig aandacht besteden aan voedselprijzen en daardoor weinig bewust zijn van de prijzen die boeren ontvangen.

Deze situatie wordt geïllustreerd door het voorbeeld van FrieslandCampina, waar dalende melkprijzen voor boeren samengingen met stijgende winsten voor het verwerkingsbedrijf [2]. Wanneer grondstofprijzen dalen, profiteren de verwerkende bedrijven van hogere marges, terwijl consumenten vaak geen prijsdalingen zien. Omgekeerd leiden stijgende grondstofprijzen niet automatisch tot hogere consumentenprijzen, omdat voedselverwerkers en retailers hun marges willen beschermen.

Deze asymmetrie in de doorvertaling van prijsveranderingen illustreert de zwakke positie van boeren in de waardeketen. Zij dragen het volledige risico van prijsvolatiliteit, terwijl andere schakels in de keten hun marges kunnen beschermen door hun marktmacht.

Gevolgen voor de Nederlandse Landbouwsector

Financiële Druk en Bedrijfsbeëindiging

De combinatie van oligopsonistische marktstructuren en de effecten van de wet van Engel heeft geleid tot een structurele financiële druk op Nederlandse boeren. Deze druk manifesteert zich in verschillende vormen: dalende winstmarges, toenemende schuldenlast en een groeiend aantal bedrijfsbeëindigingen [18]. De sector bevindt zich in een situatie waarin traditionele bedrijfsmodellen niet langer economisch haalbaar zijn zonder externe ondersteuning.

De financiële instabiliteit in de sector heeft verstrekkende gevolgen die verder reiken dan individuele bedrijven. Wanneer boeren gedwongen worden hun bedrijf te beëindigen, gaat niet alleen productiecapaciteit verloren, maar ook kennis, ervaring en lokale economische activiteit. Dit proces van “stille sterfte” in de landbouw ondermijnt de voedselsoevereiniteit en de veerkracht van het Nederlandse voedselsysteem [19].

Bovendien leidt de financiële druk tot een vicieuze cirkel waarin boeren gedwongen worden om korte-termijn beslissingen te nemen die hun lange-termijn duurzaamheid ondermijnen. Investeringen in duurzame productietechnieken, bodembeheer en biodiversiteit worden uitgesteld of geschrapt omdat de directe financiële return onvoldoende is om de investeringen te rechtvaardigen.

Impact op Innovatie en Duurzaamheid

De economische druk op boeren heeft ook negatieve gevolgen voor innovatie en duurzaamheid in de sector. Wanneer boeren primair concurreren op prijs en opereren met minimale marges, hebben zij beperkte middelen beschikbaar voor investeringen in nieuwe technologieën of duurzame praktijken [20]. Dit creëert een paradox waarin de samenleving steeds hogere eisen stelt aan de duurzaamheid van de landbouw, terwijl de economische structuur van de sector investeringen in duurzaamheid ontmoedigt.

Onderzoek toont aan dat innovatie in de landbouw vaak wordt gedreven door de mogelijkheid om premiummarkten te bereiken of kostenbesparingen te realiseren [21]. Echter, in oligopsonistische markten waar boeren fungeren als commodity-leveranciers, zijn de mogelijkheden om premiums te realiseren beperkt. Dit leidt tot een focus op kostenbesparende innovaties, die niet altijd samenvallen met duurzaamheidsdoelstellingen.

De beperkte innovatiecapaciteit van individuele boeren wordt versterkt door de fragmentatie van de sector. Kleine en middelgrote bedrijven hebben vaak niet de schaal of de middelen om significante investeringen in onderzoek en ontwikkeling te doen. Tegelijkertijd hebben zij beperkte toegang tot de innovaties die door grote agribusiness-bedrijven worden ontwikkeld, omdat deze bedrijven hun innovaties vaak beschermen als concurrentievoordeel.

Sociale en Ruimtelijke Gevolgen

De economische druk op de landbouwsector heeft ook belangrijke sociale en ruimtelijke gevolgen voor Nederland. De afname van het aantal landbouwbedrijven leidt tot veranderingen in het landelijke landschap en de sociale structuur van rurale gemeenschappen [22]. Traditionele agrarische gemeenschappen verliezen hun economische basis, wat leidt tot vergrijzing, afname van voorzieningen en verlies van cultureel erfgoed.

Deze ontwikkelingen hebben ook gevolgen voor het beheer van het Nederlandse landschap. Boeren spelen een cruciale rol in het onderhoud van het cultuurlandschap, het beheer van natuurgebieden en de bescherming tegen wateroverlast. Wanneer landbouwbedrijven verdwijnen, moet deze functie worden overgenomen door andere partijen, wat vaak leidt tot hogere kosten voor de samenleving.

Bovendien draagt de concentratie van de landbouw bij aan ruimtelijke ongelijkheid. Terwijl sommige regio’s zich ontwikkelen tot intensieve landbouwgebieden met grote bedrijven, verliezen andere regio’s hun agrarische functie volledig. Deze polarisatie kan leiden tot sociale spanningen en verlies van regionale identiteit.

Mogelijke Oplossingsrichtingen

Collectieve Actie en Volumebeheersing

Een van de meest veelbelovende oplossingsrichtingen voor het boerenprobleem ligt in collectieve actie en volumebeheersing. De Heij argumenteert dat boeren zelf “aan de volumeknop moeten draaien” om de structurele overproductie aan te pakken die ten grondslag ligt aan de lage prijzen [2]. Dit vereist echter een fundamentele verandering in de manier waarop de sector georganiseerd is en beslissingen neemt.

Academisch onderzoek ondersteunt de effectiviteit van collectieve actie in de landbouw. Xia (2018) toont aan dat boerenorganisaties en coöperaties een belangrijke rol kunnen spelen in het versterken van de onderhandelingspositie van boeren [23]. Door samen te werken kunnen boeren hun marktmacht vergroten en betere prijzen realiseren voor hun producten.

Echter, de implementatie van effectieve volumebeheersing vereist meer dan alleen samenwerking tussen boeren. Het vereist ook ondersteuning van beleidsmakers, financiële instellingen en andere stakeholders in de voedselketen. Bovendien moet volumebeheersing gepaard gaan met kwaliteitsverbetering en productdifferentiatie om te voorkomen dat het simpelweg leidt tot hogere prijzen voor identieke producten.

Ingredient Branding en Productdifferentiatie

Een tweede oplossingsrichting ligt in het ontwikkelen van ingredient branding en productdifferentiatie. De Heij wijst op succesvolle voorbeelden zoals Intel en GoreTex, die erin zijn geslaagd om hun ingrediënten herkenbaar te maken voor eindconsumenten [1]. In de voedselcontext kunnen boeren leren van bedrijven zoals Ojah, dat het ingrediënt Beeter heeft ontwikkeld voor vleesvervangers.

Ingredient branding vereist echter aanzienlijke investeringen in marketing, kwaliteitsborging en merkopbouw. Voor individuele boeren zijn deze investeringen vaak te groot, wat de noodzaak van collectieve actie onderstreept. Bovendien vereist ingredient branding een lange-termijn perspectief en consistente kwaliteitslevering, wat uitdagend kan zijn in een sector die gekenmerkt wordt door seizoensinvloeden en weersafhankelijkheid.

Productdifferentiatie kan ook worden bereikt door te focussen op duurzaamheid, lokale productie of specifieke kwaliteitskenmerken. Nederlandse producten kunnen worden gepositioneerd als “meest duurzaam, lekker en diervriendelijk”, wat een premiummarkt kan creëren [2]. Deze benadering vereist echter wel dat consumenten bereid zijn om meer te betalen voor deze kenmerken, wat niet altijd gegarandeerd is.

Verticale Integratie en Directe Marketing

Een derde oplossingsrichting ligt in verticale integratie en directe marketing. Door zelf te gaan verwerken en rechtstreeks aan consumenten te verkopen, kunnen boeren een groter deel van de toegevoegde waarde in de keten behouden [24]. Deze benadering vereist echter wel dat boeren nieuwe vaardigheden ontwikkelen op het gebied van verwerking, marketing en verkoop.

Directe marketing kan verschillende vormen aannemen, van boerenmarkten en webwinkels tot community-supported agriculture (CSA) modellen. Deze benaderingen stellen boeren in staat om directe relaties op te bouwen met consumenten en premiums te realiseren voor hun producten. Echter, de schaal van deze markten is beperkt en kan niet alle boeren accommoderen.

Verticale integratie brengt ook risico’s met zich mee. Boeren die investeren in verwerking en marketing nemen additionele financiële risico’s op zich en moeten concurreren met gevestigde spelers in deze markten. Bovendien vereist verticale integratie vaak aanzienlijke kapitaalinvesteringen die niet voor alle boeren toegankelijk zijn.

Beleidsimplicaties en Aanbevelingen

Mededingingsbeleid en Marktregulering

De analyse van oligopsonistische structuren in de landbouw roept belangrijke vragen op over de rol van mededingingsbeleid en marktregulering. Traditioneel mededingingsbeleid richt zich primair op het voorkomen van monopolies en kartels aan de aanbodzijde, maar besteedt minder aandacht aan oligopsonistische structuren aan de vraagzijde [25]. Dit terwijl oligopsonie even schadelijk kan zijn voor economische efficiëntie en welvaart.

Beleidsmakers zouden moeten overwegen om mededingingsregels aan te scherpen om oligopsonistische praktijken tegen te gaan. Dit kan inhouden dat fusies en overnames in de voedselketen kritischer worden beoordeeld, met specifieke aandacht voor de effecten op boeren en primaire producenten. Bovendien kunnen transparantievereisten worden ingevoerd om de prijsvorming in de voedselketen inzichtelijker te maken.

Een belangrijk aspect van effectief mededingingsbeleid is het erkennen van de specifieke karakteristieken van landbouwmarkten. De seizoensgebondenheid, bederfelijkheid en geografische spreiding van agrarische productie vereisen aangepaste benaderingen die verschillen van traditionele industriële markten [26].

Ondersteuning van Collectieve Actie

Beleidsmakers kunnen een belangrijke rol spelen in het faciliteren en ondersteunen van collectieve actie door boeren. Dit kan inhouden dat juridische belemmeringen voor samenwerking tussen boeren worden weggenomen, financiële ondersteuning wordt geboden voor de oprichting van coöperaties, en kennisuitwisseling wordt gefaciliteerd [27].

Specifieke beleidsmaatregelen kunnen omvatten het verstrekken van startkapitaal voor boerencoöperaties, het aanbieden van training en begeleiding voor collectieve onderhandeling, en het creëren van platforms voor kennisuitwisseling tussen succesvolle coöperaties. Bovendien kunnen beleidsmakers ervoor zorgen dat collectieve actie door boeren niet wordt belemmerd door mededingingsregels die bedoeld zijn voor andere sectoren.

Internationale voorbeelden tonen aan dat effectieve ondersteuning van collectieve actie significante voordelen kan opleveren voor boeren. In landen zoals Denemarken en Nederland hebben sterke coöperatieve tradities bijgedragen aan een betere positie van boeren in de voedselketen [28].

Innovatie en Duurzaamheidsbeleid

Het beleid voor innovatie en duurzaamheid in de landbouw moet rekening houden met de economische realiteit waarin boeren opereren. Subsidies en ondersteuning voor duurzame innovaties moeten zodanig worden vormgegeven dat zij ook economisch aantrekkelijk zijn voor boeren die onder financiële druk staan [29].

Dit kan inhouden dat duurzaamheidsinnovaties worden gekoppeld aan marktmechanismen die boeren in staat stellen om premiums te realiseren voor duurzame producten. Bovendien kunnen beleidsmakers investeren in onderzoek en ontwikkeling van technologieën die zowel kostenbesparend als duurzaam zijn.

Een belangrijk aspect van innovatiebeleid is het zorgen voor kennisoverdracht en toegankelijkheid van innovaties voor kleine en middelgrote bedrijven. Dit kan worden bereikt door publieke investeringen in onderzoek, het faciliteren van kennisnetwerken, en het ondersteunen van demonstratieprojecten [30].

Conclusie

De economische positie van Nederlandse boeren als grondstoffenleveranciers is het resultaat van fundamentele marktstructuren en economische principes die hun inkomenspositie structureel onder druk zetten. De combinatie van oligopsonistische markten, waarin vele boeren tegenover weinig kopers staan, en de effecten van de wet van Engel, waarbij consumenten een steeds kleiner percentage van hun inkomen aan voedsel besteden, creëert een uitdagende economische omgeving voor de primaire sector.

Deze analyse toont aan dat de problemen in de landbouwsector niet simpelweg kunnen worden opgelost door technologische innovaties of efficiëntieverbeteringen alleen. De onderliggende marktstructuren vereisen fundamentele veranderingen in de manier waarop de voedselketen is georganiseerd en hoe waarde wordt verdeeld tussen de verschillende schakels.

De oplossingsrichtingen die in dit artikel zijn besproken – collectieve actie, ingredient branding, verticale integratie en beleidsinterventies – bieden perspectief voor verbetering, maar vereisen wel een gecoördineerde inspanning van boeren, beleidsmakers en andere stakeholders in de voedselketen. Geen enkele oplossing zal op zichzelf voldoende zijn; er is een combinatie van maatregelen nodig die aangrijpt op verschillende aspecten van het probleem.

Voor de toekomst van de Nederlandse landbouw is het cruciaal dat wordt erkend dat boeren meer zijn dan alleen grondstoffenleveranciers. Zij spelen een essentiële rol in voedselzekerheid, landschapsbeheer, biodiversiteitsbescherming en rurale economieën. Het behoud van een vitale en duurzame landbouwsector vereist daarom niet alleen economische oplossingen, maar ook een bredere maatschappelijke waardering voor de multifunctionele rol van de landbouw.

De uitdaging voor de komende jaren is om een nieuw evenwicht te vinden waarin boeren een eerlijke vergoeding ontvangen voor hun producten en diensten, terwijl tegelijkertijd wordt voldaan aan de maatschappelijke eisen voor duurzaamheid, dierwelzijn en milieubescherming. Dit vereist een fundamentele herziening van de manier waarop we denken over voedselproductie, waardecreatie en de verdeling van risico’s en opbrengsten in de voedselketen.

Alleen door deze complexe uitdagingen gezamenlijk aan te pakken, kunnen we ervoor zorgen dat de Nederlandse landbouw ook in de toekomst een belangrijke bijdrage blijft leveren aan voedselzekerheid, economische welvaart en maatschappelijke doelstellingen. De tijd van vrijblijvendheid is voorbij; er zijn concrete acties nodig om de positie van boeren als grondstoffenleveranciers te transformeren naar een meer duurzame en rechtvaardige toekomst.

Literatuurlijst

[1] De Heij, W. (2012). Boeren zijn geen voedselleveranciers. Ze produceren bulkingrediënten. Sommige hebben potentie om goede ingrediëntleveranciers te worden. Foodlog Blog. https://wdeheij.blogspot.com/2012/10/boeren-zijn-geen-voedselleveranciers-ze.html

[2] De Heij, W. (2015). Boeren zijn ingrediënt-leveranciers en ze dienen zelf aan de volumeknop te gaan draaien om prijzen te controleren. Food4Innovations Blog. https://food4innovations.blog/2015/10/18/boeren-zijn-ingredient-leveranciers-en-ze-dienen-zelf-aan-de-volumeknop-te-gaan-draaien-om-prijzen-te-controleren/

[3] De Heij, W. (2024). De Invloed van de Wet van Engel op Moderne Economieën en Landbouw: “hoe rijker hoe minder inkomen er naar voedsel gaat”. Food4Innovations Blog. https://food4innovations.blog/2024/01/15/de-invloed-van-de-wet-van-engel-op-moderne-economieen-en-landbouw-hoe-rijker-hoe-minder-inkomen-er-naar-voedsel-gaat-een-introductie-op-een-wet-uit-1850/

[4] De Heij, W. (2023). Artikel I – Het Boeren-Probleem (of uitdaging): Het Verkennen van Oligopsonie en Beleidsoplossingen voor Boeren. Food4Innovations Blog. https://food4innovations.blog/2023/06/11/artikel-i-het-boeren-probleem-of-uitdaging-het-verkennen-van-oligopsonie-en-beleidsoplossingen-voor-boeren-een-algemene-inleiding-op-de-wereldwijde-uitdagingen-waarmee-alle-boeren-worden-geconfr/

[5] Myers, R.J., Sexton, R.J., & Tomek, W.G. (2010). A Century of Research on Agricultural Markets. American Journal of Agricultural Economics, 92(2), 376-402.

[6] Rubens, M. (2023). Market Structure, Oligopsony Power, and Productivity. American Economic Review, 113(9), 2382-2410.

[7] Sexton, R.J. (2012). Market Power, Misconceptions, and Modern Agricultural Markets. American Journal of Agricultural Economics, 95(2), 209-219.

[8] Rogers, R.T. (1994). Assessing the Importance of Oligopsony Power in Agriculture. University of Massachusetts Working Paper.

[9] Rogers, R.T. (1994). Assessing the Importance of Oligopsony Power in Agriculture. University of Massachusetts Working Paper. https://scholarworks.umass.edu/bitstreams/6dd1e78a-867f-45d9-ac87-f8a7a4dca435/download

[10] Hamilton, S.F. (2021). Joint Oligopsony‐Oligopoly Power in Food Processing. American Journal of Agricultural Economics, 103(4), 1427-1447.

[11] Twine, E.E. (2023). Estimating oligopsonistic market power in Uganda’s rice market. Agrekon, 62(3), 234-251.

[12] Grau, A., & Hockmann, H. (2017). Estimating oligopsony power on two vertically integrated markets. Agricultural Economics, 48(6), 711-722.

[13] Zimmerman, C.C. (1932). Ernst Engel’s Law of Expenditures for Food. Journal of the American Statistical Association, 27(179), 78-81.

[14] Anker, R. (2011). Engel’s Law Around the World 150 Years Later. Political Economy Research Institute Working Paper, 247.

[15] Ritchie, H. (2023). Engel’s Law: Richer people spend more money on food but a smaller share of their income. Our World in Data. https://ourworldindata.org/engels-law-food-spending

[16] Chen, M. (2022). Engel’s law in China: Some new evidence. Review of Development Economics, 26(2), 1089-1108.

[17] Clements, K., & Si, J. (2018). Engel’s Law, Diet Diversity and the Quality of Food Consumption. University of Western Australia Business School Working Paper. https://research-repository.uwa.edu.au/files/36280645/Clements_Si_2018_Engel_s_Law_Diet.pdf

[18] Cirera, X., & Masset, E. (2010). Income distribution trends and future food demand. Philosophical Transactions of the Royal Society B, 365(1554), 2821-2834.

[19] Goodwin, B.K., & Schroeder, T.C. (1994). Oligopsony Power. American Journal of Agricultural Economics, 76(5), 1088-1095.

[20] Xia, T., & Sexton, R.J. (2018). Interaction between buyer power in agricultural procurement and retail markets. Agricultural and Food Economics, 6(1), 1-23.

[21] Hamilton, S.F., & Stiegert, K.W. (2000). Vertical coordination, antitrust law, and international trade. Journal of Law and Economics, 43(1), 143-156.

[22] Swinnen, J.F., & Vandeplas, A. (2010). Market power and rents in global supply chains. Agricultural Economics, 41(s1), 109-120.

[23] Xia, T., & Sexton, R.J. (2018). Interaction between buyer power in agricultural procurement and retail markets. Agricultural and Food Economics, 6(1), 1-23.

[24] Hendrikse, G.W., & Bijman, J. (2002). On the emergence of new growers’ associations: self-selection versus countervailing power. European Review of Agricultural Economics, 29(2), 255-269.

[25] Dobson, P.W., & Inderst, R. (2007). Differential buyer power and the waterbed effect: Do strong buyers benefit or harm consumers? European Competition Law Review, 28(7), 393-400.

[26] Sexton, R.J. (2000). Industrialization and consolidation in the US food sector: Implications for competition and welfare. American Journal of Agricultural Economics, 82(5), 1087-1104.

[27] Bijman, J., Muradian, R., & Schuurman, J. (2016). Cooperatives, economic democratization and rural development. Edward Elgar Publishing.

[28] Chaddad, F.R., & Cook, M.L. (2004). Understanding new cooperative models: An ownership-control rights typology. Review of Agricultural Economics, 26(3), 348-360.

[29] Zilberman, D., Lu, L., & Reardon, T. (2019). Innovation-induced food supply chain design. Food Policy, 83, 289-297.

[30] Klerkx, L., & Leeuwis, C. (2009). Establishment and embedding of innovation brokers at different innovation system levels: Insights from the Dutch agricultural sector. Technological Forecasting and Social Change, 76(6), 849-860.

Mobiele versie afsluiten