Soms lijkt het leven een reeks toevalligheden, maar als je terugkijkt, ontvouwt zich een patroon. Mijn opa was werktuigbouwkundig ingenieur bij het Stikstofbindingsbedrijf (SBB) in Geleen, mijn vader was onderdeel van het projectteam Almere en ontwierp die stad en een groot deel van Zuidelijk Flevoland, en ikzelf ben al lange tijd actief als ingenieur en ontwerper van (voedsel)fabrieken. Maar deze link gaat verder dan technologie en ruimtelijke ontwikkeling. Opmerkelijk genoeg heeft stikstof – eerst als essentiële bouwsteen van kunstmest, later als milieuprobleem – een constante rol gespeeld in onze familiegeschiedenis.
Sinds een jaar ben ik intensief en bijna fulltime bezig met het stikstofdossier, maar eigenlijk was dit thema al generaties lang op de achtergrond aanwezig. Mijn opa werkte direct aan de productie van stikstofverbindingen, mijn vader was betrokken bij de ruimtelijke inrichting van Nederland, en nu onderzoek ik stikstofemissies, verspreiding en depositie, en de impact van ammoniak en NOx op onze omgeving. Wat ooit begon als een ‘oplossing’ voor de groeiende wereldbevolking, wordt nu in Nederland gezien als een groot ‘probleem’. Maar voor mij is stikstof geen probleem, maar een uitdaging: hoe kunnen we het slimmer en duurzamer benutten? Hoe maken we Nederland niet alleen schoner, maar ook mooier en welvarender?
De Opkomst van de Stikstofindustrie in Limburg
Om de rol van stikstof in onze familiegeschiedenis te begrijpen, moeten we terug naar het begin van de 20e eeuw. In 1919 richtten de Staatsmijnen bij Staatsmijn Emma in Treebeek de eerste cokesfabriek op. Cokesfabrieken produceerden als bijproduct ammoniakwater, dat kon worden omgezet in zwavelzure ammoniak, een kunstmeststof. Zo raakten de Staatsmijnen – later DSM – betrokken bij de kunstmestproductie.
De vraag naar kunstmest explodeerde. Tot begin 20e eeuw werd Chilisalpeter uit Zuid-Amerika gebruikt als belangrijkste stikstofbron, maar die voorraden raakten uitgeput. Dit leidde tot een van de grootste chemische innovaties van de moderne tijd: het Haber-Boschproces. Dit proces, gepatenteerd in 1910, maakte het mogelijk om stikstof uit de lucht te binden en kunstmest op grote schaal te produceren. Zonder deze technologie was de wereldbevolking nooit gegroeid van 2 miljard in 1900 naar ruim 8 miljard vandaag. Want hoe efficiënt onze landbouw ook is, zonder kunstmest zouden we simpelweg niet genoeg voedsel kunnen produceren om zoveel mensen te voeden.
In Nederland leidde deze technologische innovatie tot de oprichting van het Stikstofbindingsbedrijf (SBB) door DSM in 1929. De fabriek in Geleen startte in 1930 en werd geleid door chemicus Gerrit Berkhoff. De eerste productie bestond uit zwavelzure ammoniak, later gevolgd door ammoniumsulfaat, kalkammonsalpeter en fosfaatammonsalpeter. Het SBB richtte zich in eerste instantie voornamelijk op de productie van ammoniak en kunstmest.
De opbouw van het SBB begon bescheiden: op 1 januari 1929 startte het bedrijf officieel met zijn allereerste personeelslid, de heer Wichers. In datzelfde jaar werden zowel de fabriek als het personeelsbestand opgebouwd. Aan het einde van 1929 werkten er al 182 mensen bij SBB: 3 ingenieurs, 24 overige beambten en 155 arbeiders. Een jaar later, toen de fabriek ruim een half jaar in productie was, was het personeelsbestand al gegroeid naar 462 man, waaronder 6 ingenieurs, 34 overige beambten en 422 arbeiders. Daarmee was de opstartfase van het bedrijf voltooid en werd het SBB vanaf 1 januari 1931 een volwaardig, zelfstandig onderdeel van de Staatsmijnen.
De productie groeide gestaag: van 192 kton in 1932 naar 249 kton in 1939. Na de Tweede Wereldoorlog werd het SBB aanzienlijk uitgebreid en vormde het de basis voor tal van chemische innovaties, waaronder de productie van kunststoffen. De stikstofcapaciteit verdubbelde naar 300 ton N per dag, en in de jaren ‘50 en ‘60 groeide Nederland uit tot een belangrijke speler in de chemische industrie.
In 1972 werd het SBB opgenomen in de Unie van Kunstmestfabrieken (UKF), waarin ook Mekog en Albatros participeerden. In 1971 produceerde UKF in totaal 2.120 kton kunstmest, waarvan 1.181 kton bestemd was voor de Nederlandse markt. Dit groeide door: in 1981 werd 2.830 kton geproduceerd, waarvan 1.250 kton voor binnenlands gebruik.
Ondertussen werd UKF in 1979 een volledige dochteronderneming van DSM. In 1982 werd de Amsterdamse fabriek verkocht, en in 1988 volgde de verkoop van de fabriek in Pernis. De naam SBB verdween in 1986 en werd vervangen door DSM Meststoffen Geleen (DMG), later in 1996 hernoemd tot DSM Agro Geleen (DAG). In 2010 werd DSM Agro overgenomen door het Egyptische OCI en kreeg het de naam OCI Agro.
Dankzij de oprichting van het SBB groeiden de Staatsmijnen uit tot de chemiereus die DSM uiteindelijk is geworden. Door de decennia heen heeft DSM zich steeds verder ontwikkeld, met een focus op hoogwaardige chemische en biotechnologische innovaties. In 2007 nam DSM uiteindelijk volledig afscheid van de bulkchemie en legde het bedrijf zich toe op gespecialiseerde materialen en biotechnologie.
Mijn Opa: Van de Wilde Vaart naar Stikstofproducent
Mijn grootvader, Klaas Harm Veenma – of “Boy”, zoals hij zich liet noemen – werd in 1897 geboren in Groningen. Zijn vader was beurtschipper, en waarschijnlijk werd hij zelfs aan boord van het schip geboren. Dankzij de steun van een herenboer kon hij werktuigbouwkunde gaan studeren, een kans die in die tijd lang niet voor iedereen was weggelegd. Rond 1929 verliet hij de wilde vaart en verhuisde naar Limburg, waar hij een baan kreeg bij het net opgerichte Stikstofbindingsbedrijf in Geleen. Het was niet helemaal toeval dat hij daar terechtkwam; zijn zus woonde al in Limburg en heeft hem waarschijnlijk getipt over de mogelijkheden die de snelgroeiende industrie daar bood.
Mijn oma, Philomona Margaretha Maria Theodora Vlek, kwam oorspronkelijk uit Oudewater, maar verhuisde als kind naar Heerlen vanwege gezondheidsredenen. Haar vader had een loodgieters- en sanitairbedrijf in Heerlen: Firma Vlek, een bekende naam in de regio. Mijn opa en oma ontmoetten elkaar in Limburg en gingen op 21 maart 1921 in ondertrouw. Een bijzonder detail is dat mijn opa – van huis uit protestants – eerst katholiek moest worden voordat hij met mijn oma mocht trouwen. Dat was in die tijd niet ongebruikelijk, maar het geeft wel een mooi inkijkje in de sociale en religieuze dynamiek van die periode.
Als ingenieur bij het SBB kreeg mijn opa regelmatig bijscholing aan de Technische Hogeschool Delft. Daarmee werd de eerste verbinding tussen mijn familie en Delft gelegd, een band die later nog sterker zou worden. Mijn moeder werd in 1948 geboren als nakomertje in een warm en hecht gezin, waar het sociale verenigingsleven, gezelligheid en familiebanden een belangrijke rol speelden. De familie Veenma stond goed bekend in Geleen en was actief in de gemeenschap.
De industrie had een grote invloed op het leven van mijn moeder. Ze groeide op in Kerensheide, een wijk waar het midden- en hoger management van de mijnen en het SBB woonde. Maar deze veilige en welvarende buurt had een tijdelijk karakter. Toen mijn moeder tien jaar oud was, werd Kerensheide afgebroken om plaats te maken voor de uitbreiding van de chemische industrie – het complex dat we nu kennen als Chemelot. Mijn opa en oma moesten met hun kinderen, waaronder hun jongste dochter – mijn moeder dus – verhuizen naar Geleen. Vanaf dat moment fietste mijn moeder dagelijks langs de imposante DSM-fabrieken naar school (bij haar zus Henny), een constante herinnering aan de industrie die zo bepalend was voor de regio én voor onze familie.
Mijn Vader: Medeontwerper van Almere in Zuidelijk Flevoland
Mijn vader werd geboren in Leiden en studeerde Civiele Techniek aan de Technische Hogeschool Delft. Hij behoorde tot de eerste generatie verkeerskundigen in Nederland, een vakgebied dat in die tijd nog in de kinderschoenen stond. In 1969 ontmoette hij mijn moeder in de danszaal “Het Casino” in Geleen, een plek waar de ingenieurselite zich verzamelde, vooral tijdens carnaval. Mijn vader was daar samen met zijn Delftse studievrienden Paul Ham en Jan Hak, om te feesten en het Limburgse leven te ontdekken.
Na zijn militaire dienst op de Veluwe verhuisde hij naar het jonge Lelystad en ging hij werken bij het Projectteam Almere, waar hij betrokken was bij de ontwikkeling van Zuidelijk Flevoland en Almere. Zijn specialisatie lag in het ontwerpen van de infrastructuur: de wegen, busbanen en treinverbindingen tussen Amsterdam, Almere en Lelystad. Pas na zijn pensioen zag hij de voltooiing van de Hanzelijn (Lelystad-Dronten-Kampen), waarmee de laatste puzzelstukjes van het verkeersnetwerk waar hij ooit aan begon, op hun plaats vielen.
Almere was een van de grootste stedenbouwkundige projecten in de Nederlandse geschiedenis. Waar ooit water was, verrees een compleet nieuwe stad. De oorspronkelijke politieke opdracht was helder: ontwerp en bouw een stad die ruimte biedt aan 250.000 mensen. Dat werd zijn levenswerk. Gedurende zijn carrière zag mijn vader Almere uitgroeien van een ambitieus concept op de tekentafel tot een volwaardige stad met een steeds verder ontwikkelende infrastructuur.
Terwijl mijn opa bij SBB (DSM) meewerkte aan de industriële vooruitgang van Nederland, hielp mijn vader bij het ontwerpen van een compleet nieuwe stad. Maar in mijn geboortejaar, 1973, sloeg de balans om. De sluiting van de mijnen in Limburg betekende een keerpunt in de Nederlandse industriegeschiedenis. Uiteindelijk verloren 75.000 Limburgers hun baan, en de regio belandde in een diepe economische crisis. Het industriële succesverhaal van mijn opa eindigde abrupt in werkloosheid en malaise. De komst van enkele overheidsinstellingen, de groei van DSM en de bouw van de DAF-fabriek (nu het recent gesloten VDL Nedcar) konden het enorme banenverlies nooit volledig compenseren. Dit illustreert een fundamentele les die we nog steeds niet lijken te begrijpen: krimp is geen oplossing voor economische en sociale problemen.
Het lot van Zuid-Limburg werd treffend in beeld gebracht in het door Winfried Baijens gepresenteerde vierluik “Het Stof Daalt”, een documentaire over de geschiedenis en gevolgen van de mijnsluitingen. Vijftig jaar na de sluiting van de laatste kolenmijn, Oranje-Nassau 1 in Heerlen, wordt de impact nog steeds gevoeld. De mijnen hielden Nederland decennialang warm, maar de koempels betaalden een hoge prijs: stoflongen, gezondheidsproblemen en armoede. Toen aardgas als goedkoper alternatief opkwam, werden tienduizenden mijnwerkers ontslagen, zonder dat de Haagse beloften voor vervangende werkgelegenheid ooit echt werden waargemaakt. Zuid-Limburg was jarenlang het economische wingewest van Nederland, maar werd na bewezen dienst simpelweg aan zijn lot overgelaten.
De trots van weleer maakte plaats voor verdriet en schaamte. Het mijnverleden werd grotendeels verdrongen, en tastbare herinneringen zijn schaars. Maar nu, een halve eeuw later, groeit het besef dat deze geschiedenis niet mag worden vergeten. De erfenis van de mijnbouw gaat verder dan nostalgie: het laat zien hoe cruciaal economische visie, innovatie en strategisch beleid zijn om een regio veerkrachtig te houden.
Tegenover de teloorgang van Limburg staat het succesverhaal van Almere. Waar Limburg werd geconfronteerd met een afbraakproces zonder duidelijke toekomststrategie, werd Almere vanaf de tekentafel ontworpen en stap voor stap opgebouwd. In iets meer dan veertig jaar groeide Almere uit tot een volwaardige stad waar inmiddels 226.630 mensen wonen, precies volgens de stadsontwikkelingsplannen uit 1973. Dit zijn de verhalen die inspireren: verhalen van visie, ondernemerschap en daadkracht. Terwijl Limburg worstelde met de gevolgen van krimp en mismanagement, laat Almere zien hoe je met een goed plan en een solide uitvoering een hele nieuwe regio kunt vormgeven.
Mijn Eigen Carrière: Ontwerper van (Bio)chemische en Voedselfabrieken
Het toeval – of misschien toch niet – wilde dat ik zelf aan de TU Delft ging studeren en fabrieken ging ontwerpen. In mijn eerste studiejaar leerde ik over het Haber-Boschproces en besefte ik hoe cruciaal deze technologie is voor de voedselproductie wereldwijd. Maar mijn begrip van de stikstofkringloop werd pas echt verdiept toen ik in mijn eerste werkzame jaren bij ATO-DLO (nu onderdeel van WUR) terechtkwam. Daar ontdekte ik hoe het biologische leven wordt gedreven door massabalansen en cycli van stikstof (N), fosfor (P) en kalium (K).
Met mijn Delftse achtergrond in data, wiskunde en modellen ben ik me in mijn vrije tijd steeds meer gaan verdiepen in hoe deze kringlopen werken – niet alleen op bedrijfsniveau, maar ook op nationale en mondiale schaal. Hoe efficiënt gebruiken we stikstof? Waar gaan de verliezen naartoe? En hoe verhouden de landbouwsystemen van verschillende landen zich tot elkaar? Dit waren vragen die me bleven intrigeren.
Twaalf jaar geleden werkte ik mee aan een film over fosfaat, getiteld “Save Our Children”, gemaakt door Katinka Simonse. Waarom fosfaat? Omdat mensen in mijn omgeving zeiden: “Stikstof is te moeilijk.” Maar zeg dat niet tegen een ingenieur uit Delft, want dan wordt de nieuwsgierigheid pas écht aangewakkerd. Zo begon mijn diepe fascinatie voor stikstof, mest en kunstmest, een onderwerp dat sindsdien alleen maar aan belang heeft gewonnen.
Sinds een jaar werk ik bijna fulltime aan het stikstofdossier, maar niet langer alleen vanuit het perspectief van meststoffen en landbouw, maar ook als politiek en milieutechnisch vraagstuk. Mijn kennis hierover heb ik gebundeld in het rapport: “Ammoniak boven en op Nederland: Een wetenschappelijk overzicht (deel 1).” Momenteel werk ik aan deel II, dat vóór de zomervakantie gereed zal zijn. Daarnaast heb ik een informatiewebsite opgezet: www.stikstofinfo.net, waar ik de complexe stikstofproblematiek inzichtelijk maak voor een breder publiek.
Een Pleidooi voor Realisme en Innovatie
Wat me frustreert in het huidige stikstofdebat is de kortzichtigheid. Het gemak waarmee sommigen pleiten voor een drastische reductie van de veestapel is niet alleen naïef, maar ook schadelijk. Stikstof heeft ons voedselzekerheid en economische groei gebracht. De oplossing ligt niet in afbraak, maar in innovatie en efficiëntie. Het stikstofprobleem is geen natuurprobleem, het is vooral een juridisch probleem, veroorzaakt door rigide en onwerkbare wetten uit Den Haag. Daarnaast is het in de kern een ruimtelijk ordeningsvraagstuk.
De werkelijke vraag is hoe een zeer dichtbevolkt land als Nederland omgaat met de vele ruimtelijke claims: Waar gaan we werken? Waar gaan we wonen? Waar gaan we recreëren? Dit vraagt om een inhoudelijke visie voor de toekomst van Nederland en moedige bestuurders die durven te kiezen. We hebben richting nodig, geen eindeloze regels en juridische blokkades.
Limburg vóór 1973 was een regio van werkgelegenheid, ondernemerschap en sociale cohesie. Het was een welvarende en bruisende provincie. Net zoals Groningen ooit de financiële motor van Nederland was dankzij de aardgaswinning, was Limburg een regio die de welvaart van het land mee vormgaf. Maar kijk nu naar Heerlen: een stad zonder perspectief. Dit had voorkomen kunnen worden. Nederland moet leren van het verleden: we moeten niet krimpen, maar vernieuwen.
Groningen en Limburg laten zien wat er gebeurt als een regio niet tijdig een nieuwe economische basis krijgt. Beide zijn inmiddels achterstandsgebieden, ondanks hun cruciale bijdrage aan de nationale welvaart in de vorige eeuw. De manier waarop Den Haag met deze regio’s is omgegaan, is op zijn zachtst gezegd niet fraai. Maar de belangrijkste les die hieruit te trekken is: werkgelegenheid is de ruggengraat van een sterke samenleving.
- Zonder werkgevers, geen werkgelegenheid.
- Zonder werkgelegenheid, geen welvaart.
- Zonder lokale welvaart, geen sterke lokale economie en sociale cohesie.
- Zelfs de natuur en het milieu profiteren van een welvarende samenleving.
Mijn vader, de stedenbouwer, en mijn opa, de industriële pionier, zijn voor mij een grote inspiratiebron. Zij geloofden in vooruitgang. Zij geloofden in ontwerpen en bouwen, niet in afbreken. En dat is een les die anno 2025 belangrijker is dan ooit.
Voor bouwen en vernieuwen heb je ingenieurs en ondernemers nodig – geen samenleving die draait op communicatie, regelmakers en controleurs. De lessen van Limburg, Flevoland en de Veluwe zijn waardevol en mogen niet worden vergeten.
Dat is de enige weg vooruit.
Slotgedachte
Dit verhaal is niet alleen een persoonlijke reis, maar ook een bredere reflectie op technologie, ruimtelijke ordening en economische ontwikkeling. Stikstof is geen probleem – hoe we ermee omgaan, is de echte uitdaging. Als we innovatie en verstandige beleidskeuzes combineren, kan Nederland schoner, welvarender en duurzamer worden.
Want ingenieurs, die bedenken en maken. Dat is wat we nodig hebben.