Een synthese van het gesprek tussen Wouter de Heij en Marcel van Silfhout bij De Nieuwe Wereld (2023), en de implicaties voor landschapsgronden rondom Natura 2000-gebieden. Steun ons werk.
Introductie: De Impasse in het Stikstofdebat
Het Nederlandse landbouw- en natuurdebat bevindt zich al jaren in een diepe impasse. De stikstofcrisis, gepolariseerde politieke verhoudingen en een ogenschijnlijk onoverbrugbare kloof tussen agrarische belangen en natuurbescherming domineren het discours. In deze context vond in 2023 een opmerkelijk gesprek plaats bij De Nieuwe Wereld, geleid door Ad Verbrugge. Te gast waren Wouter de Heij, voedseltechnoloog en ondernemer (bekend van Stikstofinfo.net), en Marcel van Silfhout, onderzoeksjournalist en natuurboer (initiatiefnemer van Graangeluk). Hun dialoog biedt een verfrissend, genuanceerd perspectief dat de binaire tegenstelling tussen “natuur” en “landbouw” overstijgt.
Centraal in hun betoog staat het concept van “Natuurlijk Agrarisch Beheer” (NAB) op zogenaamde landschapsgronden. Dit paradigma pleit voor een herwaardering van het Nederlandse cultuurlandschap, waarbij landbouw in de directe omgeving van Natura 2000-gebieden niet wordt gezien als een bedreiging, maar als een integraal onderdeel van landschapsbeheer en biodiversiteitsherstel. Deze longread analyseert de kernargumenten uit dit gesprek en verbindt deze met bredere ecologische en beleidsmatige inzichten.
De Mythe van de “Oorspronkelijke” Natuur
Een fundamenteel knelpunt in het huidige natuurbeleid, zo betogen De Heij en Van Silfhout, is de romantisering van de Nederlandse natuur. Gebieden zoals de Veluwe worden vaak beschouwd als “oorspronkelijke” of “wilde” natuur die koste wat kost beschermd moet worden tegen menselijke invloeden. De Heij, vanuit zijn technologische en historische achtergrond, fileert deze aanname. Hij benadrukt dat Nederland al duizenden jaren een cultuurlandschap is. De Veluwe, met zijn uitgestrekte heidevelden en zandverstuivingen, is geen oernatuur, maar het resultaat van eeuwenlange menselijke exploitatie, houtkap en intensieve schapenbegrazing.
Van Silfhout vult aan dat het huidige beheer door organisaties als Natuurmonumenten soms paradoxale vormen aanneemt. Hij illustreert dit met het voorbeeld van graanteelt op natuurgronden, waarbij gewassen bewust worden geteeld zonder enige vorm van bemesting om de grond verder te verschralen. Dit leidt tot minimale opbrengsten (gewassen van slechts enkele centimeters hoog) en wordt door Van Silfhout gekarakteriseerd als “verschralingslandbouw” of het “uitmijnen” van de bodem. Deze rigide scheiding tussen natuur (waar niets mag) en landbouw (waar alles moet wijken voor efficiëntie) is volgens beide sprekers een historische anomalie en ecologisch disfunctioneel.
Twee Assen van het Cultuurlandschap
Om uit de huidige polarisatie te komen, introduceert De Heij een conceptueel model met twee assen. De eerste as betreft de intensiteit van de landbouw: variërend van zeer intensieve, grootschalige monoculturen met hoge inputs (kunstmest, bestrijdingsmiddelen) tot extensieve, biologische of agro ecologische systemen. De tweede as betreft de historische dimensie van het landschap: van recent gecreëerde polders (zoals de Flevopolder, primair ingericht voor efficiënte voedselproductie) tot eeuwenoude cultuurlandschappen (zoals de Veluwe of de Wageningse Berg).
Het probleem van het huidige beleid is dat het vaak een “one-size-fits-all” benadering hanteert, gedomineerd door één enkele drukfactor: stikstof. De Heij en Van Silfhout pleiten voor een ruimtelijke differentiatie. In gebieden zoals de Flevopolder of op zware kleigronden is intensievere landbouw met hoge opbrengsten (tot wel 10-12 ton per hectare) legitiem en noodzakelijk voor de voedselvoorziening. Echter, in de kwetsbare overgangszones rondom historische natuurgebieden is een ander type landbouw vereist: Natuurlijk Agrarisch Beheer.

Natuurlijk Agrarisch Beheer en Landschapsgronden
Het concept van Natuurlijk Agrarisch Beheer (NAB) vormt de kern van de voorgestelde oplossing. Van Silfhout, die dit in de praktijk brengt met zijn initiatief Graangeluk, omschrijft dit als “natuurrijker agrarisch beheer” op landschapsgronden. Dit zijn de bufferzones rondom Natura 2000-gebieden waar landbouw en natuur naadloos in elkaar overgaan.
In dit systeem wordt de bodem niet uitgeput, maar regeneratief beheerd. Er wordt gebruik gemaakt van ruige stalmest (waarbij de ammoniakemissie minimaal is doordat urine en vaste mest gescheiden blijven of gecomposteerd worden) in plaats van kunstmest of drijfmest. Dit type beheer herstelt de bodembiologie, bevordert de biodiversiteit (zoals akkerkruiden en insecten) en levert tegelijkertijd hoogwaardige, lokale voedselproducten op, zoals brouwgerst voor lokaal bier of oude graanrassen voor ambachtelijk brood.
Een cruciaal element van NAB is de integratie van veehouderij en akkerbouw op gebiedsniveau. Waar de huidige landbouw kampt met een mestoverschot door de import van veevoer, pleit Van Silfhout voor het sluiten van kringlopen binnen de regio. De mest van extensief gehouden vee (zoals schapen op de heide of koeien in de wei) wordt gebruikt om de omliggende akkers te bemesten. Dit vermindert de ammoniakemissie drastisch en elimineert de behoefte aan kunstmest.
De Tweestapsbenadering voor Bufferzones
De implementatie van NAB vereist een doordachte ruimtelijke ordening. Een wetenschappelijk onderbouwde benadering, zoals ook beschreven in recente rapporten over landschapsbeheer, suggereert een tweestapsbenadering voor de bufferzones rondom Natura 2000-gebieden:
- De 0-250 meter zone: In deze direct aangrenzende zone ligt de absolute prioriteit bij ecologisch herstel en minimale stikstofemissie. Hier is ruimte voor zeer extensieve begrazing (bijvoorbeeld met gescheperde schaapskuddes) en biologische akkerbouw zonder gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen of kunstmest. De focus ligt op het creëren van gradiënten tussen bos, heide en open landschap.
- De 250-500 meter zone: In deze schil is ruimte voor een transitie naar natuurinclusieve landbouw. Hier kunnen boeren opereren met een lagere veebezetting, meer weidegang en het gebruik van ruige mest. De emissies zijn hier aanzienlijk lager dan in de reguliere landbouw, maar de productiefunctie blijft behouden.
Economische Borging: Van Subsidie naar Publieke Dienst
Een transitie naar Natuurlijk Agrarisch Beheer is gedoemd te mislukken als het economische fundament ontbreekt. Zowel De Heij als Van Silfhout zijn uiterst kritisch op het huidige systeem, waarin de “race to the bottom” in de supermarkten boeren dwingt tot schaalvergroting en efficiëntie ten koste van het landschap.
Van Silfhout introduceert het concept van “blauw-groene ecosysteemdiensten”. Hij betoogt dat het beheer van het landschap, het herstel van biodiversiteit en het behoud van cultuurhistorische waarden publieke diensten zijn, vergelijkbaar met de brandweer of politie.
Boeren die op landschapsgronden opereren, leveren deze diensten en dienen daarvoor een eerlijke,structurele vergoeding te ontvangen (bijvoorbeeld een beheergoeding per hectare), in plaats van tijdelijke subsidies. Dit basisinkomen voor landschapsbeheer stelt hen in staat om de rest van hun inkomen te genereren uit de verkoop van hoogwaardige, lokaal afgezette producten.
De Heij sluit zich hierbij aan vanuit een liberaal perspectief: als de maatschappij verlangt dat bepaalde gebieden extensief beheerd worden voor natuur- en landschapswaarden, dan moet de maatschappij de beheerders daarvoor betalen. Het is een illusie te denken dat boeren deze maatschappelijke kosten kunnen internaliseren in een geglobaliseerde markt waar de prijs het enige criterium is.
Conclusie: Een Nieuw Sociaal Contract 🙂
Het gesprek bij De Nieuwe Wereld markeert een belangrijke intellectuele verschuiving in het stikstof- en landbouwdebat. Het toont aan dat de tegenstelling tussen boer en natuur een valse is, gecreëerd door decennia van eenzijdig beleid en economische optimalisatie. Natuurlijk Agrarisch Beheer op landschapsgronden biedt een wenkend perspectief: een herwaardering van
het Nederlandse cultuurlandschap waarin de boer weer de rol van landschapsbeheerder op zich neemt. Dit vereist echter een nieuw sociaal contract. Het vraagt om een overheid die ruimtelijke differentiatie aandurft, natuurorganisaties die hun rigide definities van “oernatuur” loslaten, en een samenleving die bereid is te betalen voor de werkelijke waarde van voedsel en landschap. Alleen door deze “dans in de praktijk” aan te gaan, kunnen we de ecologische integriteit van onze kwetsbare gebieden herstellen zonder de agrarische ziel van Nederland te verliezen.
Literatuurlijst
[1] De Nieuwe Wereld. (2023). Gesprek tussen Wouter de Heij en Marcel van Silfhout, o.l.v. Ad
Verbrugge. Videotranscriptie.
[2] Compendium voor de Leefomgeving. (2024). Ammoniakemissie door de landbouw in en
rondom Natura 2000-gebieden.
[3] Bobbink, R., et al. (2010). Global assessment of nitrogen deposition effects on terrestrial plant
diversity: a synthesis. Ecological Applications, 20(1), 30-59.
[4] RIVM. (2024). Grootschalige Depositiekaarten Nederland. Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieu.
[5] Spek, T. (2004). Het Drentse esdorpenlandschap: een historisch-geografische studie.
Uitgeverij Matrijs, Utrecht.