Lubach heeft een punt over voedselzekerheid – maar Nederland is geen eiland en een koe eet geen boterhammen

Wie voedselzekerheid reduceert tot calorieën per hectare, krijgt een overzichtelijke rekensom. Maar Nederland ligt niet op een eiland, gras is geen brood en export is niet hetzelfde als verspilling. De uitzending van Lubach over voedselzekerheid bevat veel feiten die kloppen. Juist daarom verdient de conclusie meer nuance.

Arjen Lubach nam deze week een populair argument uit het stikstofdebat onder handen. Politici die waarschuwen dat krimp van de Nederlandse veestapel onze voedselzekerheid bedreigt, kregen bijna twintig minuten lang te horen dat het eigenlijk precies andersom ligt. Nederland gebruikt veel landbouwgrond voor vee, importeert daarnaast grote hoeveelheden veevoer en exporteert vervolgens een aanzienlijk deel van zijn vlees, zuivel en eieren.

In een extreme crisis, zo was de redenering, zouden de grenzen dichtgaan en zou het geïmporteerde veevoer verdwijnen. Dan blijken al die dieren ineens geen verzekering tegen honger, maar concurrenten van de mens om schaarse calorieën. Wageningse onderzoekers hebben zo’n autarkiescenario inderdaad doorgerekend. Nederland kan zichzelf in zo’n noodsituatie voeden, maar daarvoor moet de voedselproductie drastisch worden aangepast en is een kleinere veestapel logisch.

Tot zover heeft Lubach een serieus punt.

Wie beweert dat iedere koe, kip of varken die uit Nederland verdwijnt automatisch onze voedselzekerheid vermindert, maakt het zichzelf veel te gemakkelijk. Maar vervolgens doet Lubach iets opvallends: hij maakt dezelfde soort versimpeling de andere kant op. Uit een studie naar een extreme situatie waarin Nederland volledig op zichzelf is aangewezen, ontstaat uiteindelijk de boodschap dat minder vee gelijkstaat aan méér voedselzekerheid.

Daarmee verandert een nuttige stresstest ongemerkt in een landbouwvisie.

En dat is wetenschappelijk een flinke stap.

Nederland ligt niet op een eiland

Het eerste probleem is geografisch. Nederland is geen afgesloten voedselproducerende eenheid, maar onderdeel van een van de meest geïntegreerde economische regio’s ter wereld.

We liggen in een vruchtbare, natte rivierdelta, aan de Noordzee, met uitstekende infrastructuur en de grootste zeehaven van Europa. Rond Nederland ligt bovendien binnen enkele honderden kilometers een enorme consumentenmarkt: Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en andere dichtbevolkte delen van Duitsland, Noord-Frankrijk en uiteraard Nederland zelf.

Onze landbouw, voedingsmiddelenindustrie, havens en logistiek functioneren binnen dat Noordwest-Europese systeem.

Dat zie je terug in de handelscijfers. Nederland exporteerde in 2025 voor €137,5 miljard aan landbouwgoederen. Daarvan was €88,4 miljard van Nederlandse makelij en €49,1 miljard wederuitvoer. Duitsland was met €34 miljard verreweg de belangrijkste bestemming, gevolgd door België met €16,9 miljard en Frankrijk met €11,4 miljard. Alleen Duitsland ontving al een kwart van onze landbouwexport. (Centraal Bureau voor de Statistiek)

Dat is geen detail. Het betekent dat het begrip ‘Nederlandse voedselvoorziening’ al snel kunstmatig wordt wanneer we doen alsof bij Venlo en Hazeldonk een voedselkundige muur staat. Via Rotterdam komen grondstoffen binnen, Nederlandse bedrijven verwerken producten, boeren produceren voedsel en een aanzienlijk deel daarvan wordt binnen Europa verhandeld. Andersom halen wij producten uit andere Europese landbouwgebieden.

Voedselzekerheid moet daarom minstens óók op Noordwest-Europese en Europese schaal worden bekeken.

Ons brood hoeft niet volledig uit Nederland te komen

Neem tarwe. Nederland kan tarwe verbouwen en doet dat ook. Maar ons zeeklimaat maakt het lastiger om ieder jaar grote hoeveelheden tarwe met een constante hoge bakkwaliteit te produceren. Voor brood gebruiken we daarom veel geïmporteerde baktarwe, onder andere uit Frankrijk en Duitsland.

Is dat voedselonzekerheid? Alleen wanneer je voedselzekerheid gelijkstelt aan nationale autarkie.

Je kunt het ook zien als een rationele Europese arbeidsverdeling. Regio’s produceren gewassen waarvoor bodem, klimaat, kennis en infrastructuur relatief gunstig zijn. Frankrijk produceert veel hoogwaardige tarwe. Nederland is uitzonderlijk goed in bijvoorbeeld aardappelen, pootgoed, groenten, zuivel en glastuinbouwproducten.

We doen bij auto’s, energie, medicijnen, staal, computers en mobiele telefoons precies hetzelfde. Nederland probeert geen eigen iPhone-industrie op te bouwen omdat smartphones strategisch belangrijk zijn. We importeren ruwe olie omdat we zelf nauwelijks olie produceren en raffineren vervolgens enorme hoeveelheden voor de Europese markt.

Import is dus niet automatisch afhankelijkheid en export is niet automatisch verspilling. Afhankelijkheid wordt vooral problematisch wanneer een essentieel product uit slechts enkele kwetsbare bronnen komt en op korte termijn nauwelijks vervangbaar is. Dat onderscheid ontbreekt in veel discussies over voedselzekerheid, en zeker bij Lubach’s uitzending dus.

Export is geen argument tegen landbouw

Ook het veelgehoorde argument dat Nederland ‘veel te veel voedsel produceert omdat we zoveel exporteren’ is merkwaardig.

ASML exporteert vrijwel alle lithografiemachines die het maakt. Niemand concludeert daaruit dat Veldhoven te veel chipmachines produceert omdat Nederlanders ze niet allemaal zelf gebruiken.

Natuurlijk gaat die vergelijking niet volledig op. Landbouw gebruikt grond, water en nutriënten en veroorzaakt emissies. Die externe effecten moeten worden meegewogen.

Maar export op zichzelf zegt niets over de maatschappelijke wenselijkheid van productie.

De juiste vraag is niet welk percentage van een product Nederland verlaat. De relevante vraag is welke waarde een product heeft ten opzichte van de productiefactoren die ervoor nodig zijn en de maatschappelijke effecten die ermee samenhangen.

Nederland is bovendien niet alleen exporteur, maar ook een enorme importeur. In 2025 importeerden we voor €95,1 miljard aan landbouwgoederen. Cacao, fruit en natuurlijke oliën en vetten behoorden tot de grootste importcategorieën. WUR omschrijft Nederland dan ook terecht als producent, verwerker én doorvoerland. (Wageningen University & Research)

We importeren bananen, koffie, thee, cacao en citrusfruit omdat ons klimaat daarvoor ongeschikt is. We importeren tarwe omdat andere regio’s daar soms beter in zijn. We importeren veevoer en grondstoffen voor onze voedingsmiddelenindustrie.

Net zoals we auto’s, computers, telefoons, metalen en energie importeren. Een moderne economie is een netwerk.

Dan die enorme hoeveelheid grond voor vee

Hier komt Lubach bij een veel interessanter punt. Nederland heeft ongeveer 1,8 miljoen hectare cultuurgrond. In 2024 bestond daarvan 962.000 hectare uit grasland en nog eens 204.000 hectare uit groenvoedergewassen. Samen is dat ongeveer 65 procent van het landbouwareaal. (Centraal Bureau voor de Statistiek)

In 2025 lag alleen het Nederlandse grasareaal rond 950.000 hectare. (Centraal Bureau voor de Statistiek) Je kunt daar op televisie een groot geel vlak van maken en zeggen: kijk eens hoeveel grond wij gebruiken om dieren te voeren. Maar daarmee is nog niet aangetoond dat die grond beter voor menselijke voedselproductie kan worden gebruikt.

Gras is namelijk een merkwaardig gewas.

Mensen kunnen er vrijwel niets mee. Wij kunnen cellulose niet efficiënt verteren. Koeien, schapen en andere herkauwers kunnen dat dankzij het microbiële ecosysteem in hun pens wel. Zij kunnen daarmee biomassa die voor mensen nauwelijks voedingswaarde heeft omzetten in melk en vlees. Dat is geen inefficiëntie maar biologische conversie.

Een calorie is niet zomaar een calorie

Lubach vertelt dat van honderd calorieën die je in een koe stopt uiteindelijk maar enkele calorieën in vlees terechtkomen.

De richting van die redenering klopt theoretisch. Een dier gebruikt immers energie voor onderhoud, beweging, warmte en metabolisme. Wie graan via een dier omzet in vlees verliest daarom calorieën ten opzichte van directe humane consumptie.

Maar voor een voedselsysteem is de interessantere vraag: welke honderd calorieën gingen het dier in?

Honderd calorieën tarwe die geschikt zijn voor brood zijn iets heel anders dan honderd calorieën gras. En honderd calorieën uit een reststroom van de suiker-, aardappel-, bier- of voedingsmiddelenindustrie zijn opnieuw iets anders.

Daarom is de simpele feed conversion ratio voor voedselzekerheid minder interessant dan de zogenaamde human-edible feed conversion efficiency: hoeveel voedsel dat mensen zelf hadden kunnen eten gaat een dier in, en hoeveel hoogwaardige menselijke voeding komt eruit? Precies daar ontstaat een interessante toekomstige rol voor veehouderij.

Wageningen University & Research beschrijft zelf een circulair scenario waarin dieren juist worden gevoerd met grondstoffen die niet concurreren met menselijke consumptie: gras, reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie, bepaalde rotatiegewassen en andere niet-humaan-eetbare biomassa. De dieren voegen daar waarde aan toe door deze stromen om te zetten in dierlijke eiwitten. (Wageningen University & Research)

Dat levert waarschijnlijk een kleinere veestapel op dan Nederland nu heeft. Maar dat is een wezenlijk andere conclusie dan: vee is inefficiënt, dus minder vee betekent automatisch meer voedselzekerheid. Overigens daalt de veestap al, zo zijn er nu nog maar 9 miljoen varkens en niet lang geleden 12 miljoen.

Een hectare grasland is niet automatisch een hectare aardappelen

Daar komt nog iets bij. Wie in een theoretisch model grasland omzet in akkerland kan meer humane calorieën produceren. Maar grond is geen uniforme bruine ondergrond waarop naar believen gras, tarwe, aardappelen of bonen kunnen worden ingeplugd.

Nederland kent klei, zand en veen. Er zijn hoge en lage grondwaterstanden, verschillen in draagkracht, verzilting en waterbeschikbaarheid. Permanent grasland heeft daarnaast functies voor organische stof, bodemstructuur, waterhuishouding, landschap en koolstofopslag.

Dat betekent niet dat nooit grasland naar akkerbouw kan worden omgezet. Het betekent wel dat één miljoen hectare gras niet simpelweg één miljoen hectare ongebruikte humane voedselproductie vertegenwoordigt. Juist herkauwers – koeien dus – hebben in zo’n systeem een bijzondere positie: zij kunnen voedsel produceren op grond die we om ecologische, bodemkundige of economische redenen liever onder gras houden.

Waar Lubach wél hard gelijk heeft

De verdedigers van de huidige omvang van de Nederlandse veestapel moeten zich overigens niet te snel rijk rekenen met bovenstaande argumenten. Want Lubach legt wel degelijk een zwakke plek bloot.

De Nederlandse veehouderij draait niet uitsluitend op gras en onbruikbare reststromen. We importeren inderdaad ook grote hoeveelheden veevoergrondstoffen. Daardoor kunnen in Nederland veel meer dieren worden gehouden dan mogelijk zou zijn wanneer de sector alleen draaide op Nederlandse niet-humaan-eetbare biomassa.

WUR zegt dat zelf onomwonden: de huidige omvang van de Nederlandse veestapel wordt mede mogelijk gemaakt door import van veevoergrondstoffen en grote hoeveelheden reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie. (Wageningen University & Research)

En wanneer akkerland wordt gebruikt voor veevoer dat ook rechtstreeks voedsel voor mensen had kunnen produceren, ontstaat wel degelijk voedselconcurrentie. WUR berekende in 2023 dat het wereldwijd vervangen van veevoergewassen op akkerland door voedselgewassen voor directe menselijke consumptie meer voedselcalorieën beschikbaar kan maken. De Nederlandse bijdrage aan die wereldwijde potentiële winst is overigens kleiner dan één procent. (Wageningen University & Research)

Daarmee staat een belangrijk deel van Lubachs betoog gewoon overeind. Een zeer grote veestapel is geen noodzakelijke voorwaarde voor voedselzekerheid. Maar het tegenovergestelde is evenmin bewezen.

De Hongerwinter leert vooral iets anders

Ook de verwijzing naar de Hongerwinter verdient meer voorzichtigheid. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Nederlandse veestapel inderdaad fors verkleind. Toen importstromen wegvielen, werd het rationeler om schaarse akkerbouwproducten rechtstreeks aan mensen te voeren dan via dieren. Dat is een relevante historische les.

Maar de hongerwinter van 1944-1945 was niet simpelweg het resultaat van te veel of te weinig koeien. De catastrofe ontstond door oorlog, blokkades, het vastlopen van transport, brandstoftekorten en het afgesneden raken van dichtbevolkt West-Nederland van voedselproducerende gebieden. De hongerwinter is vooral veroorzaakt door gebrekkige logistiek.

En daarin zit misschien een veel belangrijkere les over voedselzekerheid dan in het aantal dieren. Je kunt voldoende aardappelen hebben in Friesland en Groningen en tegelijkertijd honger in Amsterdam wanneer transport, energie en logistiek instorten. Voedselzekerheid is dus niet alleen productie. Het is ook opslag, energie, transport, verwerking, distributie en bestuurlijke capaciteit.

Voedselzekerheid is geen wedstrijd calorieën per hectare

Bovendien eten mensen geen calorieën maar voedsel. Een robuust dieet vraagt naast energie ook eiwitten, essentiële aminozuren, vetzuren, vitaminen en mineralen. Dierlijke producten zijn niet noodzakelijk om al die voedingsstoffen binnen te krijgen, maar melk, eieren, vlees en vis zijn wel nutriëntdichte voedingsmiddelen.

Tegelijkertijd kent onze samenleving het tegenovergestelde probleem van de Hongerwinter: een aanzienlijk deel van de bevolking consumeert structureel meer energie dan gezond is. Dat maakt het nogal theoretisch om de voedselzekerheid van het huidige Nederland uitsluitend te optimaliseren op maximale calorieproductie per hectare.

De uitdaging is eerder om met zo weinig mogelijk grondstoffen een gezond dieet voor een grote bevolking te produceren, zonder bodem, water, klimaat en natuur structureel uit te putten. Dat is een veel ingewikkelder optimalisatievraagstuk.

Van nationale autarkie naar Europese weerbaarheid

Daarom zou de politieke discussie over voedselzekerheid een andere kant op moeten.

Niet de vraag hoeveel voedsel Nederland volledig zelfstandig kan produceren wanneer morgen alle grenzen dichtgaan moet centraal staan. Dat is een interessante stresstest, zoals een evacuatieoefening interessant is. Maar je ontwerpt een samenleving niet uitsluitend rond het scenario dat alle verbindingen tegelijk wegvallen.

De relevantere vraag is waar de kwetsbaarheden in het Europese voedselsysteem zitten.

Hoe afhankelijk zijn we van aardgas voor kunstmest? Waar komt ons fosfaat vandaan? Hoe kwetsbaar zijn soja-importen? Beschikken we over voldoende zaaizaad en uitgangsmateriaal? Hoe robuust zijn onze elektriciteitsvoorziening, koelketens, havens en distributiecentra? Welke voedselproductie kunnen we tijdens een crisis snel opschalen? Welke landbouwgrond moeten we daarom absoluut behouden?

En misschien nog belangrijker: welke kringlopen kunnen we binnen Europa beter sluiten? Dan verandert ook de discussie over dieren. De relevante vraag wordt niet: hoeveel procent moet de veestapel krimpen? De vraag wordt:

hoeveel en welke dieren passen in een robuust Noordwest-Europees voedselsysteem waarin geschikte akkergrond primair voedsel voor mensen produceert, grasland gras blijft waar dat verstandig is, reststromen zoveel mogelijk worden benut en dieren vooral biomassa omzetten die mensen zelf niet kunnen of willen eten?

Het antwoord daarop kan heel goed zijn dat Nederland minder dieren nodig heeft dan vandaag. Maar misschien ook dat bepaalde vormen van melkveehouderij, pluimvee- of varkenshouderij juist een strategische plaats in een circulair voedselsysteem behouden. Dat moet je uitrekenen in plaats van vooraf politiek vaststellen.

Lubach heeft dus een punt – maar niet het laatste woord

De uitzending verdient daarom geen simpele kwalificatie als waar of onwaar.

Lubach heeft gelijk dat het argument ‘minder vee betekent minder voedselzekerheid’ ondeugdelijk is. Nederland produceert grote hoeveelheden dierlijke producten voor een internationale markt en importeert grondstoffen om een deel daarvan mogelijk te maken. In een echte autarkiesituatie zou het rationeel zijn de veestapel sterk te verkleinen en akkergewassen veel directer voor menselijke voeding te gebruiken.

Maar uit die constatering volgt niet dat minder vee per definitie meer voedselzekerheid betekent. Daarvoor is ons voedselsysteem te complex. Nederland is geen eiland maar een vruchtbare delta midden in een dichtbevolkte Europese markt. Rotterdam is een toegangspoort voor grondstoffen en voedsel. Duitsland en België behoren tot onze belangrijkste afzetmarkten. Wij importeren baktarwe en exporteren aardappelen, groenten en zuivel. We importeren cacao en maken er chocoladeproducten van. We importeren grondstoffen en exporteren kennis, technologie en hoogwaardige producten.

En bijna een miljoen hectare van onze landbouwgrond is grasland. Gras dat wij mensen niet kunnen eten, maar herkauwers wel. De keuze is daarom niet tussen een Nederland vol dieren en een Nederland vol aardappelen. De echte opgave is veel interessanter.

We moeten bepalen welke landbouwproductie Nederland en Noordwest-Europa nodig hebben om in een onrustiger wereld voldoende gezond voedsel te kunnen blijven produceren. Daarbij horen vruchtbare landbouwgrond, boeren, kennis, water, energie, meststoffen, genetica, verwerking, opslag, logistiek en internationale handel.

En ja, daarbij kan ook een discussie over de omvang en samenstelling van onze veestapel een politieke rol spelen. Maar wie voedselzekerheid serieus neemt, begint die discussie niet met het gewenste aantal koeien. Die begint met de vraag welk voedselsysteem we weerbaar willen maken.

Geef een reactie