Nederland Innovatieland 3.0 – De (toekomstige) rol van Universiteiten.

Regelmatig maak ik opmerkingen over de rol van onze universiteiten. Mijn mening, advies zoals je wilt, is met tijd en wijlen ‘direct’ ik weet dat. Ook weet ik dat het ook gaat over posities en banen van mensen en daarmee is het automatisch helemaal gevoelig onderwerp. Toch moeten we juist nu, in deze maatschappelijk transitie periode , de discussie gaan voeren. Zoals inmiddels bekend zal zijn, wil ik weer terug naar de oorspronkelijke basis van universiteiten: Onderwijs, Onderwijs, Onderwijs en Fundamenteel onderzoek (ik hou eigenlijk meer van de Engelse term Basic Research). De huidige manier waarop onze universiteiten (spijtig genoeg hebben ook HBO’s inmiddels ‘onderzoeks’trekjes gekregen) is een doodlopende weg. ‘Valorisatie’, ‘Ontwikkeling’, ‘Business development’, ‘Werken in opdracht’, ‘bilateraal adviseren’ etc. zijn allemaal diensten die gewoon niet horen bij een universiteit. Kortom ontvlechten.

Doordat ik deze -op het eerste gezicht weinig subtiele- mening heb, lijkt het alsof ik anti universiteit ben. Het tegendeel is het geval. Als het aan mij ligt, dan gaan we drie dingen organiseren: (1) een personele krimp op management-niveau en ondersteunende diensten (=meer budget voor onderwijs & basic research), (2) de budgetten van de eerst en tweede geldstroom vergroten (maar ook een verbod of maximalisatie op derde geldstroom), (3) scherper letten op het IP beleid (maatschappelijk bezit kan niet zomaar worden verkocht). Dit alles met als doel om een nog hogere kwaliteit te krijgen. Kortom, ik wil best een universiteit-ambassadeur worden.

Ik heb in mei een houtskoolschets gegeven over de rol van de universiteit in het kader van Nederland Innovatieland 3.0 (het punt over octrooien kan overigens wel worden aangescherpt). Afgelopen dinsdag heb ik lang gesproken met Harold van Garderen en Jan Wouter Vasbinder. Jan Wouter Vasbinder is wat mij betreft overigens ‘de volksprofessor’ op het gebied van innovatiebeleid (al weet Harold minstens net zoveel :-)). Zijn analyses, mening en visie heeft hij opgetekend in diverse boeken. Hieronder een nog nooit eerder gepubliceerd stuk tekst van Jan Wouter Vasbinder, en de inmiddels overleden H. Schweigman. Het is geschreven in 1994 maar de inhoud is nog zeer actueel (de pdf valt hier te downloaden), ik vind het daarom een parel van een tekst!

Publiek gefinancierde universiteiten, studenten en onderzoek
J.W.Vasbinder, H.Schweigman, augustus 1994

Het belangrijkste product van universiteiten is de goed opgeleide afgestudeerde. Goed opgeleid betekent dat hij de theoretische kennis heeft om problemen te kunnen analyseren en de praktische oefening om een chaos van feiten, vooronderstellingen en opvattingen te orde-nen. Goed opgeleid wil ook zeggen dat de afgestudeerde inzetbaar is. Universiteiten zijn er om studenten vertrouwd te maken met methodes waar-mee zijn orde kunnen schep-pen in de informatiebrij die hen wordt aangeboden. Met die methodes kan bestaande kennis worden gemobiliseerd en nieuwe gegenereerd. Studenten maken zich die methoden eigen door middel van onderzoek. De samenleving moet daarvoor betalen want ze plukt er de vruch-ten van in de vorm van nieuwe kennis en mensen die die nieuwe kennis kunnen gebruiken. Kennisoverdracht in optima forma. Zo eenvoudig is het. Tenminste als de kennis relevant is voor de samenleving.

Onderzoek is dus een conditio sine qua non voor het opleiden van studenten. Op welke onderzoeksvraag hij zijn tanden stuk bijt maakt voor een student in principe niet uit. Voor de afgestu-deerde en de samenleving waarin hij terecht komt wel. Het was de mismatch tussen de kennis die wordt gegenereerd aan de universiteiten en de problemen van de samenleving die de overheid er 20 jaar geleden toe bracht transferpunten in te richten. Het doel was de kennisoverdracht te verbeteren, het effect was gering. Logisch, want waar geen vraag vanuit de samenleving wordt gearticuleerd, ontstaat geen relevant aanbod. En waar aanbod zich ongericht kan ontwikkelen, blijft de financier van dat aanbod met zijn vragen zitten. Voor de afgestudeerde betekent dat meer moeite met het vinden van een baan. De kennisoverdracht stagneert en geen transferpunt kan dat verhelpen. Om goed te kunnen opleiden is het ook voor universiteiten van belang dat relevante kennis wordt gegenereerd. En dus is van belang welk onderzoek wordt gedaan.

Er zijn, ons inziens, twee groepen mensen die zich kwalificeren voor de beslissing welk onderzoek moet worden gedaan aan publiek gefinancierde universiteiten. De eerste groep wordt gevormd door die uitzonderlijke geleerden die, gedreven door intuïtie en lef, patronen durven herkennen waar daarvoor slechts chaos was. Zulke vòrsers weten waar doorbraken zijn te verwachten en wat er voor nodig is om die doorbraken te bereiken. En als zij het niet weten, dan weet niemand dat, geen verzameld corps van ambtenaren en geen adviesraden. Gezegend zijn de studenten die onder leiding van deze mensen hun intelligentie kunnen richten op vragen die de grenzen van de kennis oprekken en zich mogen voorbereiden op een leven na de studie. De samenleving moet zulke mensen ondersteuning geven om hun intuïtie te volgen. Zij hoeven de concurrentie kracht van de Nederlandse economie niet te herstellen. Dat moeten anderen doen. Hun taak is het de investering, die de gemeenschap in hen pleegt, om te zetten in nieuwe richtingen van denken en in afgestudeerden die langs die richtingen kunnen denken. De gemeenschap plukt daar op lange termijn geweldige vruchten van. Een extreem voorbeeld is George Boole. In zijn publikatie “An investigation into the laws of thought” uit 1854 legde hij de basis voor de algebra van de enen en de nullen. Pas 80 jaar later werd daar, in de eerste digitale computers, iets bruikbaars mee gedaan. Het duurde daarna nog zo’n veertig jaar voordat de computer en daarmee Booles gedachtengoed een consumentenartikel werd. Een ander voorbeeld is de laser. Het onderliggende fysische verschijnsel werd al in 1917 beschreven door Einstein. Het duurde tot 1960 voor de eerste laser werd gebouwd. Pas in het midden van de jaren tachtig vond de doorbraak naar de consumentenmarkt plaats met de Compact Disk.

De tweede groep bestaat uit ‘prospectors’ of gidsen. Dat zijn mensen die met beide benen in de praktijk staan én weten waar de grenzen van de kennis liggen. Zij wéten waar die grenzen moeten worden opgerekt en kunnen gebieden afbakenen, waarbinnen nieuwe kennis moet worden gezocht die nodig is om de maatschappelijke problemen, die op ons af komen, aan te kunnen. Binnen die gebieden wordt de nieuwsgierigheid van de onderzoeker gericht vanuit die problemen. Daarbuiten is het domein van de vòrser, die zijn eigen richting zoekt. Aan het ontwikkelen van een corps van prospectors is in Nederland nooit iets gedaan. Een organisatie van waaruit zulke prospectors paden kunnen uitzetten tussen praktijk en wetenschap, is er niet. De universiteit zou zo’n organisatie moeten zijn.

De Nederlandse universiteit is zo’n organisatie niet. Onze universiteiten worden bevolkt door een grote groep onderzoekers, die goed zijn in onderzoek en een behoorlijke kennis hebben van hun gebied, maar de richtinggevende spiritualiteit missen die hen het pad wijst naar doorbraken die hun onderzoeksveld in één klap een andere dimensie kan geven. Die onderzoekers doen liever onderzoek dan dat zij onderwijs geven. Zij zijn tevreden met hun salaris en de voorzieningen voor het onderzoek. Tegelijkertijd kampt de Nederlandse samenleving met een kennisinfrastructuur waar jaarlijks miljarden in wordt geïnvesteerd, maar die te weinig tegenwaarde oplevert. De universiteiten maken het grootste deel uit van die kennisinfrastructuur en schieten kennelijk tekort.

Daar zijn oorzaken voor. Eén is dat de overheid het zicht lijkt te zijn verloren op de betekenis van universiteiten voor de lange termijn gezondheid van onze samenleving. In plaats van die helder te maken en te versterken hebben ze de universiteiten ‘gedemocratiseerd’ en vervolgens gedwongen mee te dingen naar de korte termijn gunsten van de industrie. In plaats van de vòrsers te koesteren en een strategische plaats in te ruimen voor prospectors, heeft de overheid de derde geldstroom tot regulerend mechanisme verklaard. Ooit (in 1932) is TNO opgericht met als taak: “te bevorderen dat het toegepast natuurwetenschappelijke onderzoek op de doelmatigste wijze dienstbaar wordt gemaakt aan het algemeen belang”. Nu concurreert de universiteit met TNO.

De resultaten zijn ernaar. Hoogleraren moeten èn onderwijs geven èn onderzoek begeleiden èn bestuurlijke en bureaucratische taken van de faculteit vervullen èn acquisitie doen om de derde geldstroom af te tappen èn het financiële beheer van hun eigen faculteit regelen èn al het overleg voeren dat het gevolg is van de onduidelijkheid die de overheid heeft gecreëerd. En dat terwijl de ene fundamentele reorganisatie van het hoger onderwijs de andere opvolgt. En dan zijn er ook nog die ministers moeten adviseren en optreden voor radio en televisie. Het is een wonder dat er nog studenten afstuderen. Wij denken dat dat komt omdat de studenten willen afstuderen, want daarvoor kwamen ze tenslotte naar de universiteit.

En de resultaten zijn niet beperkt gebleven tot de universiteiten. In plaats van zich te concentreren op het ontwikkelen van nieuwe kennis waarmee de problemen van over vijf tot tien jaar kunnen worden opgelost, richten universiteiten zich op de termijn van 1 tot vijf jaar. Daarmee gaan ze direct in concurrentie met innovatieve high tech bedrijven. In plaats van de motor achter het mobiliseren van kennis te zijn vormen ze een rem op de ontwikkeling van nieuwe bedrijvigheid.

Wat kan gedaan worden om de situatie te verbeteren. In z’n meest radicale vorm het volgende. Herstel het primaat van de opleiding aan de universiteit. Schaf de derde geldstroom af en versterk de tweede. Financier die geheel met gemeenschapsgelden. Sluit lange termijn contracten af tussen de financier van de tweede geldstroom en de universiteiten op basis van onderzoeksplannen die zijn gebaseerd op het werk van de prospectors. Stel ruim middelen ter beschikking voor de vòrsers. Laat de internationale wetenschappelijke gemeenschap mede bepalen wie daar toe behoort. Haal al het onder-zoek dat niet duidelijk bijdraagt aan de kwaliteit van de opleiding weg van de universiteiten. Sluit universiteiten die niet voldoen aan de eisen van een goede opleiding of die liever onderzoek doen dan opleiding geven.

Aanvulling 5 augustus 2010
Passend bij deze draag is het verschil tussen believers en mensen die ergens in geloven. Op foodlog ontstond een discussie over de definitie van believer en het verschil tussen een believer en iemand die ergens in geloofd. Een kort F4I stukje heb ik net geplaatst onder de titel “Het verschil tussen believers en ergens in geloven

Aanvulling 20 november 2010
Goed stuk van Grahame Lock in de Groene Amsterdammer. Veerman heeft ongelijk wat mij betreft.

2 gedachten over “Nederland Innovatieland 3.0 – De (toekomstige) rol van Universiteiten.

  1. Volledig mee eens, geen discussie…
    Wel kunnen universiteiten en bedrijven samen werken en kennis delen/opdoen, maar dan niet in de afhankelijkheidsmode van '3e geldstroom'. Dit maakt universiteiten afhankelijk, minder kritisch en dus ook minder qua kwaliteit. Samenwerkingsverbanden zouden niet vanwege geld moeten ontstaan, maar vanuit mogelijke meerwaarde/kennis voor de uni.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s