Je ontbijt overslaan is heel onverstandig (als je slank wilt blijven) #IFT12

Vandaag had ik een vrije dag ingepland. Het is anders verlopen. Vanochtend ontkwam ik er niet aan om eerst met spoed nog een voorstel te schrijven, daarna lunch en voor dat ik het wist was het bijna 13.00. Kees had echter een goed idee: “we gaan naar de wetenschappelijk lezing met de titel ‘breakfast in the 21st century’. Dat was inderdaad een goed idee. We hebben drie lezingen aangehoord en vooral lezing twee was super. 
Het is heel lang geleden dat ik zo’n goede wetenschappelijke lezing heb aangehoord. Ik bedoel niet alleen de manier van presenteren, maar vooral de inhoud van het werk. Grote klasse, echte wetenschap.  De titel “The addition of protein-rich breakfast to improve appetite control and satiety to combat obesity in young people” van dr. Heather Leidy (University of Missouri). Ik heb illegaal wat fotos van haar slides gemaakt en deze hieronder geplaatst. Waarschijnlijk krijg ik tzt nog wel de gehele powerpoint in handen en zal deze dan op slideshare zetten.
Waar ging het over. Leidy heeft in een clinical trial drie groepen gevolgd. Groep 1 sloeg hun ontbijt over (aka breakfast skipper), groep 2 at een regulier ontbijt, en groep 3 at een met eiwit verrijkt ontbijt waarbij de overige samentelling volledig gelijk was aan die uit groep 2. Vervolgens nam men gedurende de dag bloedmonsters (ghreline **, verzadiging PYY ) en kregen de consumenten vragenlijsten voorgeschoteld (ervaren hongergevoel, de ervaren ‘volheid’). Ook werd aan het einde van de dag een MRI scan gemaakt. Tenslotte is gekeken hoeveel kcal men consumeerde aangezien men zelf mocht bepalen hoeveel er ’s avonds gegeten en gesnacked werd. 
De conclusies zijn helder (zie plaatje hieronder): ontbijt overslaan is heel onverstandig. En de consumptie van een hoog-eiwit ontbijt verzadigd en voorkomt dat je teveel eet. 
** van ghreline is niet bekend of je eerst honger hebt en dat dan ghreline toeneemt, of dat een toenemende ghreline juist voor een honger gevoel zorgt. 

Weer wat geleerd – Food & the Working Class 2.0 #IFT12

Vandaag op de IFT 2012 ben ik stiekem binnengelopen bij een lezing over productinnovatie en consumenten inzichten. Productinnovaties en technologie is mijn vak, maar consumenten inzicht zeker niet.  Ik ben blij om met toppers zoals Jan Peter, Edwin en Lotte te kunnen werken, maar ben nooit te oud om te leren dunkt me ;-). Dit is daarom een poging om een stukje te schrijven over een onderwerp waar ik eigenlijk geen verstand van heb. Het gaat over “the working class”.

De lezing vandaag, was van een bigfood company (ik ga niet vertellen welke) en ging over de vraag hoe producten te introduceren voor ‘de working class’ van Amerika. Ongeveer 45 miljoen huishouders in de USA behoren tot deze categorie -die niet verward mag worden met ‘de middle class’- en ongeveer 1/3 van de Amerikanen behoort tot deze categorie.
Dit bigfood bedrijf heeft een intern project genaamd “Project Levi” afgerond. Doelstelling van Project Levi was om te achterhalen hoe de working class omging met voedsel, en de inzichten zijn gebruikt om nieuwe producten te ontwikkelen en te lanceren. De inzichten zijn voor een ervaren marketeer vast niet nieuw, maar voor mij wel. Ik heb flink zitten meetwitteren en schrijven, maar denk de essentie begrepen te hebben. Dit zijn de zes onderwerpen:
1. Trust inner circle, blood is thicker dan water.
De workingclass vertrouwt heftig op een kleine groep mensen. De kerk, de familie en een hechte groep vrienden. Deze groep doet heel veel voor elkaar. “Geven” is daarbij een belangrijke emotie. De workingclass heeft weinig, maar deelt veel meer onderling dan de middle class.  Ook is de familie band veel sterker. Onderdeel zijn van de groep is ronduit een goede “verzekering”.
2. Trust only real people.
De workingclass vertouwt alleen echte mensen die ze kennen. Instituties en overheden zijn te anoniem, en worden daarom niet vertrouwd. Dit punt hangt natuurlijk nauw samen met punt 1. Social media –met name facebook- is inmiddels wel heel belangrijk voor de working class. Zie ook to be able to dream. Overigens infiltreren bedrijven inmiddels via social media in deze inner cirkel, ik hoorde vandaag van een andere bedrijf dat ze een speciale war room hebben hiervoor.
3. Good moments in life do cost not much.
Samen eten met de familie. Gaan sporten of spelletjes spelen. Allemaal activiteiten die geen geld kosten. Deze ‘gratis’ activiteiten worden natuurlijk met echte mensen uit de inner circle gedaan. Veel eten en herkenbaar eten met elkaar dus.
4. Good health means to be able to do your job.
Dit vond ik een verrassend punt. De workingclass wil niet gezonder of fitter worden. De workingclass wil gezond genoeg zijn en blijven om hun werkt voldoende te kunnen blijven uitvoeren. Mooi of fit zijn, zijn geen doelen dus. Verder vertrouwen ze op het ‘eigen gevoel in het eigen lijf’.
5. They know the price very well.
De workingclass is heel prijsbewust, kent de prijzen van voedsel uit hun hoofd, maar koopt ondertussen wel de goedkopere A-merken. Waarom? They deserve to feel normal. Tegelijkertijd wordt er risk-free gekocht. “Dat wat door de inner-circle wordt aanbevolen zal wel goed zijn”. Merken spelen een rol om risico-vrij te kunnen kopen en om even “normaal” te zijn.
6. Entertainment is key; to be able to dream too.

Entertainment is de manier om te vluchten uit het dagelijkse leven. Een dagje Disney World per jaar hoort daarbij, maar ook samen romantiseren over een beter leven. Facebook, internet en TV zijn de manieren om te vluchten in een droom. TV kijken doe je samen, en Facebook is er om de hechtheid van ‘the inner circle’ te versterken. Lekker voedsel is voedsel dat herkend wordt en dat ook de ‘standaard’ is van de inner cirkel.

Dit big food bedrijf heeft dit vertaald in twee ontwikkel richtingen:
1. Let them feel full: Producten die erg goedkoop zijn en ‘vullen’ zonder teveel calorieën.
2. Kick it up: Dit zijn gemaksproducten waarmee je simpele happen net iets ‘extra’s’ kunt geven.

In dit stukje staan een paar reclame filmpjes waarin deze inzichten duidelijk ook gebruikt zijn. Het gaat om een reclame van KFC (overigens niet het bigfood bedrijf waar ik in dit item naar verwijs) en eentje van Chrysler. De KFC reclame maakt briljant gebruikt van het vertrouwen van de familie, het hebben van een groot hard, en natuurlijk het geprogrammeerde smaak en merkvertrouwen. De Chrysler reclame laat een bekende American foodball player –Ndamukong Suh– zien die ondanks zijn succes, nederig is en blijft t.a.v. zijn familie en afkomst.
Zijn dit nu typische Amerikaanse reclames? Of klopt de typologie van ‘de working class’ ook met die van de Nederlandse ‘gewone man’? Ik denk dat er veel overeenkomsten zijn.
In Nederland wordt soms gediscussieerd over kindermarketing en of dit niet verboden zou moeten worden. Na het zien van zoveel geraffineerdheid heb ik medelijden gekregen met ‘the working class’. Jaap Seidell heeft helemaal gelijk. Het is een vreselijk oneerlijke strijd die wordt gevoerd. De budgeten voor public health zijn te laag t.o.v. de reclame budgeten van de big-food bedrijven (zie ppt). Dit bigfood bedrijf gebruikte het woord empathie om hun gedrag richting hun klanten te beschrijven. Ik noem het geraffineerde ‘framing’.
Ik ben blij dat Jaap Seidell weer voor een paar jaar JOGG financiering heeft, en tevens stel ik vast dat bij het GF Bureau er weer een paar miljoen over de balk wordt gegooid met een in mijn ogen zwakke campagne. Om somber van te worden. Bigfood is heel slim en geraffineerd bezig. Te slim.

Alleen voor vriendjes: hoe de publieke omroep zich verstopt achter een decoder. (deel 1)

In november 2011 schreef Jaap Seidell een leuk verhaaltje over het land van de korte beentjes. Ik moest er vandaag aan denken, toen ik aanschoof bij een hele nette meeting georganiseerd door het ministerie en het topteam agrofood. Ik zal jullie een klein sprookje vertellen over de zogenaamde publieke kennisinfrastructuur, eh ik bedoel de publieke omroep:

In een klein landje hier niet ver hier vandaan wordt de televisie nog gefinancierd door de overheid. De overheid stopt enkele honderden miljoenen per jaar in deze publieke omroep, omdat men de informatie voorziening van groot belang vind. De overheid in dit kleine landje bemoeit zich daarom actief met de programmering van de TV programma’s die te zien zijn op het publieke net.

Nadat een programma commissie met oude wijze mannen, haar wensen heeft uitgesproken, financiert deze overheid ook het maken en uitzenden van deze programma’s op het publieke net. En om het feest leuker te maken voor henzelf, zorgen de makers van de TV programma’s en de programma commissie (de opdrachtgevers dus in feite) dat er niemand anders betrokken wordt.  Soms verwisselen ze gewoon van stoel, dan valt het minder op dat ze eigenlijk gewoon vriendjes zijn. Want dat is wel zo gemakkelijk. Ons kent ons, en wij weten wel wat goed is voor de kijkers van dit kleine landje denken ze dan. “De kijkers zijn trouwens maar lastige mensen, zeggen ze soms intern tegen elkaar, en wij weten wel wat goed voor het volk is.” 

De overheid in dit kleine landje is zeker niet tegen het bestaan van private omroepen. Ook private omroepen mogen dus gewoon hun eigen TV programma’s uitzenden, er is geen verbod of zo. En aangezien private omroepen aan het einde van maand hun rekeningen moeten kunnen betalen, hebben deze private omroepen besloten om aan hun klanten (de kijkers dus) een kleine bijdrage te vragen voor hun dienstverlening. De klanten van deze private omroepen zijn erg tevreden over wat er uitgezonden wordt op TV, en dus vinden die het niet erg om een kleine rekening te betalen. Logisch toch.

Het aantal kijkers bij de private omroepen neemt daardoor gestaag toe, en hun klanten zijn zoals gezegd erg tevreden. Een kleine groep ‘private’ kijkers –maar die wel hard kunnen schreeuwen- heeft echter zitten vragen aan de overheid waarom de publieke omroep nu programma’s blijft maken waar deze kijkers niet op zitten te wachten. Dat is toch zonde van het maatschappelijke geld? “Wij kijkers weten toch zelf wel wat goed voor ons is; waarom zou de overheid de programma’s bij de publieke omroepen moeten blijven programmeren?” Voor dit argument is de politiek in het kleine landje eigenlijk wel gevoelig. Daar moest inderdaad wat aan worden gedaan. Ze vragen daarom hun ambtenaren, die ook in de programma commissie zitten van de publieke omroepen, om hulp.

Na lang denken –met hulp van de kleine groep ‘private’ kijkers van de private omroep- komt de overheid, nou ja eigenlijk de makers van de TV programma’s van de publieke omroepen en hun commissies, daarom met een plan. “Het moet allemaal een beetje marktgerichter bij de publieke omroep zeggen ze. De klant moet voorop staan!” De klanten van de private omroepen mogen daarom vanaf nu in kleine groepjes gewoon zelf aan de overheid vragen welke TV programma’s ze willen zien. “Gelukkig maar denkt de overheid, wij hadden eigenlijk geen ideeën meer voor leuke nieuwe TV programma’s, en nu komen de klanten van de private omroepen zelf met ideeën naar ons toe”.

Nieuw beleid werd bedacht. Nu zou je denken dat deze nieuwe publieke TV programma’s 2.0 –dus mede bedacht door klanten van de private sector- gewoon gratis te zien blijven op de publieke netten voor alle burgers van het kleine landje. Maar neen hoor, in al haar wijsheid heeft men besloten dat deze specifieke TV programma’s –die dus betaald blijven worden door de overheid-  alleen bekeken mogen worden door de paar kijkers die het programma bedacht hebben. Dit specifieke TV programma wordt achter een decoder gestopt; helemaal alleen voor die paar ex-private kijkers.

Jullie voelen m al aan. De klanten van de private omroepen die eerst dus nog moesten betalen voor hun TV programma’s telden hun knopen. Ze konden immers gratis hun eigen TV programma laten maken en bekijken, en tevens via de decoder voorkomen dat andere kijkers van het kleine landje mochten meekijken. Dat was voor deze paar ‘private’ klanten natuurlijk een erg mooie deal!

De overheid was wat traag met het uitrollen van dit nieuw beleid. In de tussentijd vroegen vele klanten van de private omroep af: “Wat gaat dit voor mij betekenen?” En in die onzekerheid zegde ze voor de zekerheid hun abonnement bij de private omroep alvast op. Veel klanten van de private omroepen gingen uiteindelijk gebruik maken van deze ‘gratis’ regeling. Het resultaat was echter dat de inkomsten van de private omroepen kleiner en kleiner werden. Logisch, toch, je zal als betaalde kijker van een private omroep helemaal gek zijn als je gratis en voor niks alsnog achter een decoder de alleen voor jouw gemaakte TV progamma’s op het publieke net kon gaan kijken. “Wat maakt dat nu uit, toch …. “

Nou dat maakt zeker uit. De publieke omroepen die voorheen door de belasting betaalde TV-programma’s maakte, en die door alle burgers van het kleine landje bekeken konden worden, gingen hun TV programma’s –die ze vanaf nu alleen speciaal voor hun vriendjes gingen maken- inderdaad achter de decoder zetten. De rest van de burgers had daarmee gewoon pech. Die konden afwachten of de paar overgebleven TV programma’s hun interesse bleven vervullen (of niet).

En de private omroepen dan? Die kregen minder en minder betaalde kijkers en het aantal kijkers die overbleven wilden allemaal minder gaan betalen per TV programma. “Hoe durfde deze private omroepen eigenlijk überhaupt nog om een vergoeding te vragen aan hun klanten! Schande.” De paar overgebleven ‘private’ kijkers dreigde uiteindelijk daarom ook over te stappen stappen naar de publieke omroep. Daar was het immers gratis! Mits je goed bevriend was, natuurlijk.

Het resultaat? Faillissement van de private omroepen, en meer en meer TV programma’s achter een decoder met alleen toegang voor een kleine elite. Met dank aan de maatschappelijke belasting middelen die de rekening betaalde voor de hobby’s van deze kleine elite.

Lullig hoor voor de rest van de burgers van dit kleine landje. Lullig dat ze wel TV belasting mochten blijven betalen, maar niks leuks meer konden zien. Lullig, dat er niks meer te kiezen viel. Lullig dat een private sector valselijk werd beconcurreerd en dat de het TV landschap verschraalde. Vooral lullig dat de toekomstige The Voice of Holland voortaan ingekocht moest worden vanuit Amerika of een ander innovatie land, en niet andersom. Lullig dat men niet gewoon goed beleid –sturen op kwaliteit en vernieuwing en niet gericht op vriendjespolitiek en gratis- durfde te maken, waardoor die arme Henk en Ingrid nu de dupe werden ten kosten van de grachtengordel mensjes. Vooral lullig dat door dit nieuw beleid de middelmaat weer terugkwam op TV, de nieuwe spannende en echt vernieuwde TV progamma’s verdwenen uiteindelijk en de 6-jes cultuur kwam weer terug. Maar ach, de grachtengordel mesjes waren tevreden en de makers van de publieke omroep ook. Weg democratie.

Jammer zeg, dat dit kleine landje nog verder wegzakte in de vergelijkende lijstjes.

Cascadering, Duurzaamheid en Kringlopen (3) – liever geen biobrandstof.

Een paar weken geleden plaatste Dick een stukje op Foodlog met de titel “biobrandstoffen zijn geen bedreiging voor de voedselproductie”. Mijn eerste reactie –ingegeven door de kennis van mijn studie in Delft- was “he, dat kan helemaal niet!” (zie link). Vandaar dat ik ook nog een prikkelende stelling op Linkedin plaatste, altijd goed voor wat wisdom-of-the-crowed kennis om een eerste gevoel te checken.

Ik zal deze stelling proberen toe te lichten in dit stukje. In deel 2 van deze serie heb ik het concept van biocascadering toegelicht. Zoals getoond, staat fuel vrij laag. Dit betekent dat je beter niet een agroproduct als brandstof kunt gebruiken. Maar waarom eigenlijk niet? Om een agroproduct te maken is licht van de zon (of kunstmatig), stikstof en fosfaat, water en natuurlijk landbouwgrond nodig. Zonlicht is er voldoende, stikstof en water in principe ook (natuurlijk zijn er landen waar er water tekort is, maar dat is maar een detail 😉 ), maar landbouwgrond of fosfaat/kunstmest hebben we zeker niet in overvloed.

Natuurlijk kunnen we tussentijds nog meer regenwouden gaan kappen, of maling hebben aan het feit dat we de wereldwijde fosfaatmijnen uitputten in de komende 60-100 jaar. Maar persoonlijk vind ik dat niet ‘eerlijk’. Zeker niet omdat er alternatieven zijn. Landbouwgrond dat wordt gebruikt voor biobrandstoffen kan immers niet gebruikt worden voor voedsel. En de wereldbevolking blijft groeien, dus voedsel hebben we nodig, heel veel voedsel.

De inzet van fosfaat en landbouwgrond kan je zien als communicerende vaten in de biocascadering piramide. Het huidige politieke en economische systeem beïnvloedt deze communicerende vaten in de biocascadering op een niet-duurzame manier. Deze beïnvloeding vind plaatst door drie factoren. (a) fossiele energie wordt bewust duurder gemaakt en zal door tekorten alleen maar in prijs blijven stijgen, (b) de inzet van zg. ‘groene’ energie wordt bewust gesubsidieerd, (c) we hebben in Europa een landbouwpolitiek gericht op teveel en te goedkoop voedsel. Daardoor lijkt het alleen maar economische interessant om in biobrandstoffen te gaan. Maar duurzaam is het niet zeker niet.

Dan nog een technische argument. Plantjes zijn eigenlijk heel inefficiënt in het omzetten van zonlicht in ‘energie’. De zon straalt ongeveer 1kW aan energie per vierkante meter op de aarde. Een zonnecel haalt ongeveer 10% (=100 Watt per m2), terwijl een plant maar maximaal 2-3% kan opslaan (20-30Watt per m2). Kortom, wat je ook doet, energie kan je beter op een andere manier ‘vangen’.  Het Technische Weekblad heeft wat berekeningen uitgevoerd die hier staan (of Duitse bron).

Mag je dan nooit een plantje inzetten t.b.v. energie? Natuurlijk wel. Als je een reststroom hebt uit de voeding (of zelfs feed) industrie dan kan je deze gerust inzetten. Eerder heb ik een stukje geschreven over mestvergisting. Bij mestvergisting moet je nog wat biomassa bijmengen. Dit kan volgens de cascaderingspiramide. Mest wordt omgezet in warmte en elektriciteit en de digistaat is als fertilizer gewoon nog beschikbaar. Op deze manier zou de varkenssector in Nederland 4-8% van onze elektra kunnen maken (daar ligt een kans voor de sector). Goedkoop en duurzaam. Een heel goed idee, daar zou ik als ik minister was best wat investeringsgeld voor over hebben.

Het koppelen van energie t.b.v. transport, verlichting, gebruik van machines of verhitting met de voedselproductie is een lastig onderwerp. Maar het voedselsysteem is gewoon te kwetsbaar om de energiesector en de voedingssector op grote schaal te gaan mengen. Het systeem is te complex. Fosfaat, water en landbouwgrond moeten we denk ik blijven inzetten voor voeding (en minder voor feed, dus minder vlees eten) en dus niet voor biobrandstof. Maar door het huidige fiscale beleid krijgen we oneigenlijke competitie. En we kunnen echt niet overzien wat de consequenties op langere termijn gaan zijn.

We hoeven volgens mij niet meer te eten, wel beter, gezonder en lekkerder. Natuurlijk is het is verstandig om zuiniger met energie om te gaan. Specifiek het gebruik van aardolie, kolen en gas moet naar beneden. Dat is wel zo eerlijk tegenover de volgende generaties. Consuminderen dus, meer kwaliteit maar minder; dat is wat we moeten doen in de transitie naar de 6e kondratief cyclus.

Hendrik J. Kaput heeft daarom gelijk “Schiphol dicht en gestaffelde brandstofprijzen”. Maar zelf zou ik daar  aan toe willen voegen “Belast de import van kunstmest sterk, en zorg dat de prijs van landbouwgrond omhoog gaat (eventueel via een belasting)”. Ja voedsel wordt dan ook duurder. Maar het uiteindelijke effect is goed. Minder eten (dus minder overgewicht) en minder (onzuivere) financiële competitie met de energiesector (waar subsidie op windenergie, waterenergie of zonnecollectoren prima is). Kortom, een beter gebruik van landbouwgrond en waardevolle inzet van mineralen uit onze aarde. Duurzamer met oog voor de volgende generaties.

Aanvulling 17 oktober 2012: energie wordt snel duurder, en elektriciteit via zonnepanelen wordt goedkoper. Mijn voorspelling gaan uitkomen. Mijn reacties staan op foodlog (zie #17 tot #18).

Cascadering, Duurzaamheid en Kringlopen (2) – biocascadering

Na het algemene eerste stukje in deze nieuwe serie, nu maar wat meer diepgang. Sinds ik in de voeding zit gebruik ik een heel simpel model om te bepalen of een bepaalde innovatie ‘goed’ of ‘fout’ is. Ik kijk namelijk niet altijd naar de economische haalbaarheid. De economische haalbaarheid van een ‘duurzaamheids’ innovatie kan aan alle kanten vertroebeld zijn door subsidie, door belastingmaatregelen of andere financiële factoren die onduurzaamgedrag juist promoten. Neen, onderstaande cascaderings-model, geeft een denkrichting aan die meer ingegeven wordt door verduurzaming. Wat mij betreft is dit model een belangrijk model dat tevens richting geeft in onze maatschappelijke transitie naar de 6e kondratief cyclus.

Het werk simpel:

  • Probeer zo hoog mogelijk in de piramide te blijven. 
  • Naar boven geeft meer waardecreatie, naar onder niet. 
  • Hoe hoger hoe kleiner de volumes. 

Als je deze piramide bekijkt, dan snap je gelijk waarom ik werkelijke niets zie in biobrandstofen (zie discussie op Foodlog). Waarom zouden we fosfaat (fertilizer) met energie (fuel) en goede landbouwgrond omzetten in voedsel, om vervolgens voedsel (food) weet om te zetten in biobrandstof (fuel). Neen, dat zijn ‘oplossingen’ die ik niet zie zitten. Toch moet je voorzichtig zijn, er zijn namelijk uitzondering. Het is mogelijk om met zonlicht water om te zetten in waterstof. En waterstof vervolgens met CO2 uit de lucht met een enzym-proces om te zetten in biomethanol (zo wordt het dan genoemd). Dit lijkt een prima proces. Je gebruikt immers de zon, en CO2 uit de korte cyclus. Daar is dus geen ‘fertilizer’ of ‘landbouwgrond’ voor nodig.

Een ander voorbeeld. Rundvlees van runderen die 100% op grasland staan. Deze runderen eten een ‘groente’ (= gras) dat wij mensen niet kunnen verteren. En aangezien natuurlijk grasland niet bemest wordt (behalve door de mest van de runderen) kan je direct ‘hoog’ in de piramide komen. Niks mis met grass-fed biefstuk dus (al is het voor onze gezondheid niet goed om te vaak rood vlees te eten).

De F-en lijst hierboven is in mijn ogen overigens niet helemaal goed. Zelf zet ik graag nog “Functional Foods’ boven Food. Waarom? Stel we hebben een groentereststroom van een groentesnijderij. In de praktijk wordt er nu diervoer (feed) van gemaakt. Zelf zou ik er liever de vezels en micro-nutrienten uithalen om deze vervolgens als voedsel-ingrediënt weer in te zetten. Beter dan houtvezels gebruiken. Kansen 😉

Waar gaat het debat vaak mis:
1. er wordt te economische gekeken naar verduurzaming terwijl er bijvoorbeeld geen rekening is gehouden met externe kosten. Goed technologische oplossingen worden dan niet geïmplementeerd.
2. er wordt te technisch gekeken naar verduurzaming. Technologische kan er meer dan ecologisch wenselijk is.

Mijn pleidooi is daarom: gebruik dit model als denkrichtig bij het maken van beleid. Verduurzaming mag niet economische stuk gerekend worden. Of nog erger worden overgelaten aan een ‘domme’ technologie push waarbij verkeerde ecologische keuzes worden gemaakt. 

Dit model ‘de F-en ladder’ lijkt best een beetje op de Ladder van Lansink. De Nederlandse politicus Lansink bedacht dik dertig jaar geleden al een model rondom afval. Bovenaan staat natuurlijk preventie van afval, en onderaan storten/weggooien. Sindsdien wordt dit model gebruik in de afval-sector.

Aanvulling 3 juni 2012
Oud collega Paul Bartels heeft in 2010 een lezing gegeven met daarin wat aardige voorbeelden en plaatjes. Het overzicht is verder wat holistisch, maar de denkwijze klopt wel. Nu geloof ik meer en meer in bedrijven die DOEN in de praktijk. Aansprekende voorbeelden zijn veel gaver dan wat simpele schema’s. Hieronder de slides van Bartels.

Cascadering, Duurzaamheid en Kringlopen (1) – een nieuwe serie.

Duurzaamheid en voedselverspilling. Twee onderwerpen die hot zijn en vooral ook met elkaar te maken hebben. Een serie over duurzaamheid –vooral over het ontwerp van een duurzaamheidscore en scanner- heb ik al geschreven op dit blog. Daarnaast schrijf ik regelmatig over innovatie, over geschiedenis & voeding en probeer ik mensen in het zonnetje te zetten. Tijd dus voor een nieuwe serie met de titel Cascadering, Duurzaamheid en Kringlopen.

De twee onderwerpen waar ik specifiek fascinatie voor heb zijn de fosfaat-kringloop en kringlopen in zijn algemeenheid. Mijn opleiding in Delft heeft ervoor gezorgd dat ik vooral denk in tijd- en lengteschalen (zie Buxton index). Ik kan er niks aan doen. En als je dan zoals ik dag en nacht met voedsel en ander biologische materialen te maken hebt, dan ga je de kennis uit mijn opleiding combineren met voedsel. Welke componenten zitten in een kringloop en welke niet.

Een paar jaar geleden heb ik daarom een voor het eerst stukje geschreven over fosfaat en de fosfaatkringloop: “Zolang we poep en pies wegspoelen, hoeven we ook niet biologisch te eten”. Alles wat groeit kan alleen groeien als er fosfaat, nitraat, water, zuurstof, koolstofdioxide, sporenelementen en natuurlijk licht is. En natuurlijk heel veel vruchtbare landbouwgrond. Licht is er voldoende via onze zon (eigenlijk hebben we helemaal geen energietekort, wel teveel mensen). De waterkringloop, nitraat en zuurstofkringloop zitten best goed in elkaar (zie plaatjes hieronder). Maar vooral de fosfaatkringloop is vrijwel niet gesloten. Fosfaat –‘nodig’ voor kunstmest- komt uit mijnen. Daarbij zijn we in ongeveer 150 jaar ook nog eens energie (olie en gas) uit diepe aardlagen gaan halen. Beide raken ‘op’. Niet handig met een groeiende wereldbevolking (die niet voorbij de 10 miljard lijkt door te groeien).

Deze twee kringlopen (a) fosfor, (b) koolstof hebben we met technologie en de groei van onze wereldbevolking volledig ‘open getrokken’, de kringloop is niet meer gesloten. Hier liggen dan ook de mondiale uitdagingen waar we als mensheid voor staan. En er zijn grote groepen mensen die deze twee kringloop ook nog eens willen gaan mengen door biobrandstof in te willen gaan zetten ter vervanging van olie. Onzalig denk ik (op een later moment geef ik een toelichting); gelukkig komt mijn geliefde Wageningen-UR daar nu ook achter. Of we dat lang volhouden of niet, tijd zal het leren. De mens is creatief (en anders technologie wel).

In deze serie ben ik van plan om:

Verder zullen er vast nog de nodige andere onderwerpen voorbij komen waaien in de komende maanden.

Geschiedenis kan voedzaam voor het brein zijn (5) – voedsel innovaties, omstandigheden zijn verschillend, maar niets nieuws onder de zon

Vandaag Deel 5 van de serie over voeding en geschiedenis op dit blog. Ik ga dit onderwerp echt een steeds leuker onderwerp vinden en weet nu waarom. Waar deel 1 uit 2010 eigenlijk alleen ging over Kondratiev cycli en een lezing van Hans Konstapel en dus niet over voeding, probeerde ik in deel 2 een overzicht te geven van 200.000 jaar moderne mensheid en specifiek voedsel-innovatie. Deel 3 heb ik tot mijn spijt nog steeds niet kunnen afmaken; het gaat over de laatste 200 jaar en vooral hoe de industriële revolutie ons eetsysteem behoorlijk heeft veranderd. Mijn lezing bij TEDxBinnenhofik ben niet door de voorronde gekomen 🙁 – zou ook gaan over dit onderwerp, deze lezing heb ik wel al gemaakt en zal ik eerdaags opnemen en via mijn youtube kanaal verspreiden.

Deel 4 was een schaamteloze vertaling in het Nederlands van dr. Jared Diamond. Diamond is vooral bekend geworden door het schrijven van populaire wetenschapsboeken die over antropologie, biologie en geschiedenis gaan. Hij won de Pulitzer-prijs in 1998 voor zijn boek Zwaarden, paarden en ziektekiemen (Engelse titel: Guns, Germs and Steel).

Maar na wat zelf-onderzoek denk ik nu beter te weten waarom me dit onderwerp zo interesseert. Voeding en geschiedenis gaat eigenlijk over innovatie en veranderingen in onze maatschappij. Voeding en voedseltechnologie is mijn vak en innovatiemanagement is mijn tweede expertise. Het onderwerp Voeding en geschiedenis is eigenlijk de ‘bindende’ factor waar mijn beide ‘hobby’s’ dus bij elkaar komen. En vanuit dit onderwerp Voeding & innovatie is de link naar voeding & gezondheid voor mij ook weer heel erg logisch stap (zie deel 3)! **

Na een twitter tip van Peter Jens kopieer ik vandaag een stukje uit de Trouw met het interview van voedselhistoricus Peter Scholliers. De kop van het artikel van Kees de Vre vind ik eigenlijk niet zo goed (anonimiteit en interesse in de afkomst is immers ook het onderwerp in het boekje van Jan Peter en The Food Agency : d’r op en d’r over, en is daarin beter beschreven vind ik). Als ik het stukje van Kees de Vre goed lees, dan lees is woorden zoals ’transitie’, ‘verandering’, ‘niks nieuws onder de horizon’ (Dick Veerman noemt dat heel toepasselijk her-uitvinden). Of te wel allemaal voorbeelden – de introductie vd aardappel, de introductie van kolen, achtergrond yoghurt- van innovatie. Maar ja het zal wel mijn eigen beroepsblindheid zijn …. ….


** zal een psycholoog nu zeggen dat ik eigenlijk op zoek ben naar de betekenis van mij leven en het leven in zijn algemeenheid. En dat dat op mijn leeftijd ‘normaal’ is? Who know’s!

‘Anonimiteit doet de interesse in de afkomst van ons eten fors groeien’ (Trouw 31 mei 2012)

Kees de Vré − 31/05/12, 21:43
© Jörgen Caris. Peter Scholliers
Hoe nieuw is de nieuwe voedselbeweging? In zijn piepkleine kamertje op de Vrije Universiteit Brussel proeft voedselhistoricus Peter Scholliers ingetogen de vragen over de groeiende behoefte aan streekgebonden eten, de grootschaligheid van de voedselketen, de uitwassen daarvan en het verzet ertegen.
  • De Lega Nord in Italië die het noorden wil afscheiden van de ‘dieven’ in het zuiden, zet op billboards polenta af tegen couscous. Polenta is van ons, want authentiek.

Even nuchter zijn de antwoorden van de hoogleraar. Dat is niet zo vreemd als je honderden jaren geschiedenis van ons eten overziet.

“We bevinden ons midden in een transitie. Dat lijkt uniek omdat je het aan den lijve ondervindt, maar het is wel vaker vertoond. Een basisgrondstof als olie raakt nu op. In de 18de eeuw was het hout dat opraakte in Parijs, Londen en de Benelux. Op dat hout werd gebakken, vooral brood. Ook werd ermee verwarmd. Er was dus een groot probleem. Er is naar alternatieven gezocht en die vond men in steenkool.”

Voedsel produceren en consumeren is tot het eind van de 19de eeuw vooral een lokaal fenomeen geweest. “Er was nauw contact tussen producent en consument. Dat versterkte het lokale product. Een enkel product kwam van ver, was duur en dus alleen weggelegd voor de happy few.

“Er was nog geen sprake van advertenties en andere vormen van marketing. Ook niet van diëtisten, voedselwetenschappers en lobbygroepen. Dat zie je pas na 1945 opkomen als door een groeiende productiviteit de inkomens stijgen en meer mensen toegang krijgen tot voedselinnovaties. Grote bedrijven nemen het heft in handen, stroomlijnen productie en distributie. De ketens worden langer en langer, maar we krijgen daardoor wel meer keuze.”

Democratisering van het menu
Sommige historici duiden dit als een democratisering van het menu. Scholliers, die in Brussel de vermaarde vakgroep Fost (Food Studies) leidt, spreekt liever van commercialisering. De consument wordt immers steeds afhankelijker van wat het marktsysteem hem biedt.

Yoghurt is volgens Scholliers een mooi voorbeeld daarvan. “Toen Danone zich in 1919 vestigde in Barcelona was yoghurt nog een medicinaal product dat verkrijgbaar was bij apotheken. Het traditionele Bulgaarse gerecht zou een lang en gezond leven bevorderen. De eerste fabriek produceerde duizend potjes per dag voor afzet in heel Spanje.

“Toen het bedrijf zich in 1928 in Parijs vestigde ging het fruit en suiker toevoegen en werd het verkocht als een product dat naast gezondheid ook smaak en plezier uitstraalt. De productie ging omhoog naar 200.000 potjes per dag in 1960. Weer later werd yoghurt als ‘fluweelzacht’ van smaak, als ‘light’ en als ‘bio’ in de markt gezet. Allemaal om de afzet te verhogen. Yoghurt is nu een massaproduct dat de hele dag door wordt geconsumeerd. Al die vernieuwingen maakt de keten lang en ingewikkeld.”

Anonieme voedselketens
Onoverzichtelijke en daardoor anonieme voedselketens geleid door multinationale ondernemingen en gekoppeld aan een stortvloed van innovaties en dito reclame leidden al vroeg tot verzet, van beatniks in de jaren vijftig tot antiglobalisten in het eerste decennium van de huidige eeuw. Ecologische, sociale en ook politieke motieven speelden en spelen een rol.

“Waar het vooral om gaat bij dat verzet is vertrouwen. Daar is een groot gebrek aan”, analyseert Scholliers. “Toen mijn moeder vroeger naar de markt ging om eten te kopen, wist ze precies bij wie bijvoorbeeld de eieren te halen. Als hij er niet was, ging ze niet naar de concurrent. Dan maar geen eieren. Je wist niet precies waar dat eten vandaan kwam, maar je kende wel de handelaar. Dat is vertrouwen.

“Bij de globale voedselketen is dat vertrouwen weg. Of in ieder geval is er sprake van twijfel. Druiven in maart? Dat kan niet in Europa. Als je het koopt, zou je dan de Chileense boer helpen? Je helpt vooral de tussenpersonen in een steeds langer wordende keten.”

Anonimiteit doet de interesse in de afkomst van ons eten fors groeien. Daarbij staat vertrouwen voorop, stelt Scholliers. “Anders is het niet te verklaren waarom er zo veel kookprogramma’s op tv zijn en zo veel boeken worden verkocht, en dat wereldwijd.”

Zekerheid en populisme
Uit het verzet tegen anonimiteit en het gebrek aan eigenheid is er een tegenstroom aan het ontstaan, beaamt de voedseldeskundige. “We zoeken naar zekerheid. In dit geval in de oorsprong van de producten. Het gaat om authenticiteit en die is vooral bij locale producten aanwezig. Esthetiek – zeg maar mooie gladde producten – speelt daarbij geen rol. Sterker nog, ik denk dat een vlekje juist een pre kan zijn, want dat vlekje wijst op authenticiteit.”

Opvallend is dat die hang naar zekerheden in lokaal eten parallel loopt met de opkomst van populistische stromingen in de politiek in West- en Zuid-Europa. Scholliers knikt gedecideerd. “Jazeker. De Lega Nord in Italië die het noorden wil afscheiden van de ‘dieven’ in het zuiden, zet op billboards polenta af tegen couscous. Polenta is van ons, want authentiek.

“Tegelijkertijd zie je Slow Food in Italië opkomen. Dat is een voedselbeweging die voortkomt uit communistische hoek en geëngageerde boeren. Slow Food botst politiek gezien met Lega Nord, terwijl ze allebei lokaal eten willen bevorderen.”

Iets dergelijks zien we in Frankrijk, zegt de hoogleraar, met het begrip terroir dat steeds vaker opduikt. Terroir staat voor authentiek lokaal eten. “In dat oorsprongskeurmerk worden traditionele waarden benadrukt. Politiek rechts gebruikt het. Die ziet daar brood in. Voor ons historici is het op dit moment lastig te duiden. Het is nog vers. Wel kan ik zeggen dat de mechanismen die bij voedsel spelen en in de politiek overeenkomen.

“We moeten dus alert zijn. Het kan misbruikt worden. Voeding is van iedereen, net als de geschiedenis. Wie het hardste roept heeft gelijk, blijkt vaak. Dat zie je ook terug in moderne marketing. Daar worden de uitdrukkingen ‘zoals bij grootmoeder thuis’ te pas en te onpas ingezet. Bij jam van Bonne Maman is de deksel in gezellige roodwitte kleedjesvorm gemaakt.

“Maar wat is dat? Bij grootmoeder thuis? Waar komt dat vandaan? Wat is authenthiek? De tomaat komt niet uit Italië. Maar vertel dat maar eens aan een Italiaan.”

Traditie verandert voortdurend
Scholliers ziet meer in aanpassing aan de werkelijkheid van nu. “Neem de week van de smaak. Daarin werd vorig jaar de Vlaamse stump gepropageerd. Een oer-Vlaamse stamppot met lokale seizoensproducten. Nu werd geadviseerd daar een Mediterraan merguez-worstje bij te doen. Of je nou wilt of niet, we zijn divers aan het worden. Eten is daarbij een mooi vehikel.”

Traditie is een vloeiend begrip, wil de voedselexpert maar zeggen. “Traditie is ooit door iets of iemand uitgevonden en verandert voortdurend. Kijk nu naar de chique restaurants in Brussel. Die zetten stump op hun menu. Dat is ongehoord, die upgrading van een toch banaal product. Dat is uniek.

“Meestal sijpelen gerechten van een sterrenresto door naar beneden. Hoe dat komt? De zoektocht naar nieuwe smaken, naar nieuwe producten zie je in de voedselhistorie voortdurend langskomen. Naast die fascinatie voor het nieuwe zie je tegelijk ook wantrouwen, angst voor het nieuwe. Neophilia en neophobia noem ik dat.”

Hoe plaatselijk is plaatselijk?
Lokale voeding is echt hot, beaamt Scholliers. “Maar tegelijkertijd kun je je afvragen: hoe plaatselijk is plaatselijk? Neem de aardappel. Die is niet meer weg te denken uit Europa. Blijf dus af van de Belgische friet. 500 jaar geleden kenden we echter geen aardappel, maar was brood het volksvoedsel.

Zonder aardappel hadden we hier echter niet gezeten. Er zou te weinig basisvoedsel zijn geweest om de bevolking stevig te doen groeien. De aardappel staat voor zeker en goedkoop eten. Dat drukte de loonkosten in de landbouw en de industrie behoorlijk waardoor bijvoorbeeld de Engelse textielindustrie kon concurreren met die in India en Pakistan (rond 1780-1820). Friet is dus ook een uitgevonden traditie.”

Scholliers heeft nog een mooi voorbeeld paraat dat toont hoe de hang naar lokale voeding bij tijd en wijle opduikt in een voortgaande ontwikkeling. “De luxe keuken rond 1900 was de klassieke Franse keuken. Dat was in Europa de Parijse keuken, gekenmerkt door kosmopolitisme.

“Onder de grote klassieke kok Auguste Escoffier slopen er andere elementen in, bijvoorbeeld elementen uit de regionale keuken. Escoffier kwam uit de Provence, dus veel Provençaals eten. Maar ook de Belgische keuken kwam aan bod – witlof, gerechten met bier.

“Lokale smaken en lokale bereidingswijzen slopen toen de haute cuisine binnen. En Escoffier was echt de haute cuisine. Die haute cuisine veranderde toen ook. Escoffiers klanten waren steeds drukkere zakenmensen die geen tijd hadden om urenlang te dineren. Dus kookte hij lichter, maar ook avontuurlijker.”

Uitwisseling van voedsel
De uitwisseling van voedsel, hetzij door reizende mensen hetzij door reizende producten, is van oudsher, zo luidt Scholliers conclusie. “Handel is er altijd geweest. Autarkie van regio’s is, zeker nu met een groeiende wereldbevolking, niet meer mogelijk. De vraag die zich in deze tijd wel opdringt is: waar ligt de grens? Waar wordt de ecologische voetafdruk onaanvaardbaar?”

Waar dit alles toe leidt? Scholliers doet er liefst het zwijgen toe. “Ik ben historicus en kijk dus terug.” Ook als wordt gevraagd of uit de historie niets te destilleren valt, houdt de voedselprof de kaken op elkaar. Dan toch, aarzelend: “De economie is flexibel. Ik denk dat de keten, en dan met name de supermarkten, zich gaan aanpassen en de wensen van de onderstroom gaan overnemen. Dat gebeurt nu al met biologische, fairtrade en andere duurzame alternatieven.

“Wat ik eigenlijk wil zeggen: de omstandigheden zijn weliswaar verschillend, maar er is niets nieuws onder de zon.”