De recente stap waarbij de voedingsactiviteiten van Unilever verder worden losgetrokken en strategisch worden gecombineerd met McCormick & Company markeert een kantelpunt dat verder reikt dan één bedrijf. Voor insiders en strategen was deze beweging al langer zichtbaar. Toch raakt deze ontwikkeling aan een fundamentelere vraag: wat gebeurt er met innovatie wanneer grote multinationals hun industriële rol geleidelijk afbouwen?
Wat zich hier ontvouwt, is geen abrupte koerswijziging, maar het eindstadium van een proces dat al decennia gaande is. Een proces waarin industriële logica langzaam plaatsmaakt voor financiële optimalisatie. En waarin voedselproductie verschuift van kernactiviteit naar strategische portefeuillekeuze.
Van industriële kampioen naar merkorganisatie
Unilever was ooit een van de meest invloedrijke voedselbedrijven ter wereld. Het concern combineerde grootschalige productie met sterke R&D-capaciteit en een diep verankerde positie in landbouwketens. De historische kracht lag juist in die combinatie: technologie, schaal en marktkennis.
Die structuur is stap voor stap veranderd. Het aantal merken is drastisch gereduceerd, R&D-activiteiten zijn afgeschaald en productie is in toenemende mate verplaatst naar regio’s met lagere kosten. Wat resteert is een onderneming die steeds meer functioneert als merkorganisatie, met een sterke focus op marketing, portfolio-management en marge-optimalisatie.
De recente beweging richting McCormick past naadloos in dit patroon. Het is een logische stap binnen een strategie waarin schaal, merkdominantie en kostenbeheersing centraal staan. Maar het is tegelijkertijd een verdere stap weg van de klassieke rol van Unilever als voedselproducent en technologisch innovator.
Een bekend patroon: de Philips-parallel
Deze ontwikkeling staat niet op zichzelf. Eenzelfde dynamiek was eerder zichtbaar bij Philips. Ook daar vond een geleidelijke verschuiving plaats van industriële activiteiten naar een meer financieel gedreven structuur.
Het patroon is herkenbaar:
Eerst worden activiteiten gestroomlijnd en geconcentreerd. Vervolgens wordt het portfolio opgeschoond. Daarna verschuift productie naar lagelonenregio’s. En uiteindelijk blijft een organisatie over die minder produceert, maar sterker stuurt op rendement en kapitaalallocatie.
Deze strategie is (lijkt?) rationeel vanuit financieel perspectief. Maar ze heeft consequenties voor de innovatiekracht van sectoren en zelfs hele ecosystemen en ketens. Want waar (grote) industriële bedrijven traditioneel fungeerden als dragers van technologische ontwikkeling, verschuift de focus nu naar kortetermijnoptimalisatie door diezelfde grote bedrijven.
Innovatie als bijproduct, niet als kern
De implicatie hiervan is fundamenteel. Innovatie verliest zijn positie als kernactiviteit en wordt steeds vaker een bijproduct van commerciële strategie. Kortom, innovatie stagneert.
In het klassieke model investeerden grote bedrijven in lange termijn R&D, vaak met onzeker rendement. Die investeringen vormden de basis voor nieuwe technologieën, processen en producten. In het huidige model wordt innovatie selectiever ingezet, vooral wanneer deze direct bijdraagt aan marge of marktaandeel. Maar als een samenleving innovatie (in de praktijk) niet meer krijgt vormgegeven dan is het vroeg of laat over.
Dat leidt tot een verschuiving in het type innovatie:
- Minder fundamentele, en risicovolle ontwikkeling
- Meer incrementele productverbetering (vooral line-extensions en merkoptimalisaties)
- Sterkere focus op marketinggedreven innovaties (de verpakking).
- Vrijwel geen inzet meer op platform-technologieën (de basis van alle vernieuwing).
Voor de voedselindustrie betekent dit dat de motor achter diepgaande technologische vernieuwing verzwakt. Dit gaat ernstige gevolgen voor (machinebouw)toeleveranciers, voor high-tech MKB, voor opleidingen en vooral voor de plekken waar ingenieurs ‘ervaring kunnen op doen’ (10.000 uur).
De kwetsbaarheid van beleid dat leunt op multinationals
Deze ontwikkeling raakt direct aan het innovatiebeleid zoals dat in Nederland de afgelopen jaren is vormgegeven en ook vooraf al als niet-effectief is bestempelt. Het topsectorenbeleid is veel te sterk gebaseerd geweest op samenwerking met grote bedrijven. De onderliggende aanname is dat deze bedrijven beschikken over de middelen, infrastructuur en internationale positie om innovatie te dragen.
Maar wat als die aanname niet langer geldig is? Of zelfs nooit geldig is geweest!
Wanneer multinationals hun focus verleggen van industrie naar portfolio-optimalisatie, ontstaat een spanning. Het beleid blijft inzetten op deze bedrijven als innovatiepartners, terwijl hun interne prioriteiten verschuiven.
Dat creëert een structureel risico ook voor de Nederlandse maatschappij. Innovatiebeleid wordt dan gebouwd op partijen die zelf minder belang hechten aan langetermijnontwikkeling. De effectiviteit van overheidsmiddelen die ingezet worden in ‘samenwerking’ met het grootbedrijfsleven heeft achteraf vrijwel geen ROI, en is dus (te) laag. Zonde.
De rol van kennisclusters onder druk
De gevolgen hiervan zijn zichtbaar in kennisclusters zoals Wageningen en zullen nog groter zichtbaar gaan worden voorspel ik alvast. Decennialang vormden bedrijven en kennisinstellingen daar een hecht ecosysteem. Industriële vraagstukken en academisch onderzoek waren nauw met elkaar verweven, waardoor de internationale positie van Food Valley heeft kunnen groeien.
Wanneer grote bedrijven hun R&D-capaciteit verminderen of verplaatsen, verandert dat ecosysteem en dat zien we in de praktijk in Wageningen al. De balans verschuift richting (te) academische kennisproductie en overheidswerk, met minder directe koppeling aan industriële toepassing. Kortom, minder disruptieve innovatie in de praktijk, minder pragmatische platform ontwikkelingen en een generatie studenten die het nog gewoner gaat vinden om ‘voor de overheid te werken’ (36 uur, deugen, ABP pensioen).
Dat heeft subtiele maar belangrijke effecten. Innovatie wordt dus nog abstracter, minder praktijkgericht. De snelheid waarmee ideeën worden vertaald naar producten en processen neemt af. En besef dat de problemen over “The Valley of Death” al veel te groot waren! Een laatste voorspelling daarom: dit gaat op langere termijn tot een verarming van onze samenleving leiden.
In sectoren zoals voedsel, waar proceskennis en schaal cruciaal zijn, kan die verschuiving grote gevolgen hebben. Een samenleving die zijn voedselmakers, water en energieproducten verwaarloost zal daar de gevolgen van ondervinden.
De positie van boeren en voedselmakers
Misschien nog relevanter is wat deze ontwikkeling betekent voor de basis van de voedselketen: boeren en voedselproducenten.
Historisch gezien speelden grote bedrijven ook een organiserende rol. Ze boden stabiele afzet, investeerden in productontwikkeling en fungeerden als verbindende schakel tussen primaire productie en consumentenmarkt.
Wanneer deze bedrijven zich terugtrekken uit productie en zich meer richten op merken en marketing, verandert die rol fundamenteel.
De keten wordt diffuser. De verantwoordelijkheid voor innovatie en ontwikkeling verschuift naar kleinere spelers (die dat eigenlijk niet kunnen). Dat biedt alleen in de theorie kansen, maar brengt vooral ook grote onzekerheid.
Boeren krijgen te maken met minder stabiele afzetstructuren en meer prijsdruk. Tegelijkertijd wordt van hen verwacht dat zij bijdragen aan innovatie, bijvoorbeeld op het gebied van duurzaamheid en (ammoniak) emissiereductie. Dit laatste is kostprijsverhogend en op verzoek van de maatschappij. Diezelfde maatschappij die nu kooi-eieren uit Oekraïne laat komen of minder-duurzaam product uit Zuid-Amerika.
Voor middelgrote en kleinere voedselproducenten ontstaat ruimte om een grotere rol te spelen; vooral in de rol van private-label producenten. Maar deze spelers beschikken vaak niet over dezelfde middelen als multinationals, wat schaalvergroting en risicovolle investeringen bemoeilijkt. Het leven als PL-supplier is economische ook fundamenteel anders, niks geen 45% bruto marge. Die marge wordt weggepakt door de retail.
De geografische verschuiving van productie
De verplaatsing van productie naar Oost- en Zuid-Europa is een belangrijk onderdeel van deze lange termijn ontwikkeling. Wat begon als kostenoptimalisatie heeft geleid tot een structurele scheiding tussen R&D en productie. Het hoofd en het lichaam worden metaforische gescheiden.
Die scheiding heeft ook negatieve gevolgen voor innovatie. In veel industrieën ontstaat vernieuwing juist op het snijvlak van ontwikkeling en productie. Wanneer die twee uit elkaar worden getrokken, wordt het moeilijker om snel te itereren en processen te verbeteren. Dit laatste is de bron van innovatie (en niet het opgehemelde universitaire systeem).
Voor Nederland betekent dit dat een deel van de industriële kennisbasis verdwijnt. Niet omdat kennis verdwijnt, maar omdat deze minder wordt toegepast in een lokale context. Kennis zal overigens ook gaan volgen is een gemakkelijk te maken voorspelling.
De opkomst van financiële sturing
De rode draad in dit geheel is de groeiende invloed van financiële logica. Bedrijven worden steeds meer gestuurd op rendement, kasstromen en aandeelhouderswaarde.
Dat leidt tot andere beslissingen dan in een industrieel gestuurd model. Investeringen worden kritischer beoordeeld, activiteiten sneller afgestoten en risico’s beperkt.
Deze logica is niet per definitie verkeerd. Maar ze verandert wel de aard van bedrijven en hun rol in de economie.
In sectoren zoals voedsel, waar lange termijnontwikkeling en ketensamenwerking essentieel zijn, kan dat leiden tot een mismatch tussen bedrijfsstrategie en maatschappelijke behoefte.
Een herijking van innovatiebeleid
De vraag die hieruit voortkomt is onvermijdelijk: hoe moet innovatiebeleid eruitzien in een wereld waarin multinationals een andere rol spelen of zelfs niet meer aanwezig is?
Het antwoord ligt waarschijnlijk in verbreding. Innovatie moet niet langer primair worden gekoppeld aan grote bedrijven, maar aan het gehele ecosysteem.
Dat betekent meer aandacht voor:
- Regionale verwerkers en coöperaties
- Technologiegedreven startups en scale-ups
- Praktijkgerichte innovatie in de landbouw (zoals vroeger DLO was).
- Nieuwe vormen van samenwerking tussen kleine en middelgrote spelers
- Een financieel ondersteunden samenleving (overheid), zonder verstikkende controle mechanismen. Industrie, praktijk en ondernemers moeten daarin leidend zijn.
In deze context verschuift innovatie van gecentraliseerde R&D naar een meer gedistribueerd model. Als we dit goed organiseren kan de kennis en innovatiekracht blijven in ‘het netwerk’, maar deze strategie is ook risicovol. Het vraagt vooral een high-trust benadering waarbij praktijk leidende moet worden en de academische manier van werken iets op de achtergrond wordt gezet.
Terug naar de basis van voedselproductie
Uiteindelijk draait dit alles om een fundamentele vraag: waar ontstaat waarde in de voedselketen?
Als grote bedrijven zich steeds verder verwijderen van productie en technologie, komt die waardecreatie meer te liggen bij andere partijen. Dat kan leiden tot een herwaardering van vakmanschap, regionale productie en ketensamenwerking. Maar de vraag of het ook zo zal gaan. Ik voorzie dat ook de machinebouwers en ingredientenleverancier de fabrieken ‘gaan volgen’.
Maar dat proces verloopt niet vanzelf. Het vraagt om bewuste keuzes, zowel van bedrijven als van beleidsmakers. Ondernemers moeten hierbij gaan opstaan. Den Haag kan het immers aantoonbaar niet.
Conclusie: een systeem in transitie
De ontwikkeling rond Unilever en McCormick is dus absoluut geen op zichzelf staand fenomeen. Het is onderdeel van een bredere transitie waarin de rol van multinationals verandert. Een voor onze economie gevaarlijke transitie.
Waar zij ooit de motor waren van industriële innovatie, verschuift hun rol naar die van merkbeheerder en kapitaalallocator. Dat heeft gevolgen voor de manier waarop innovatie tot stand komt.
Voor Nederland betekent dit dat het huidige innovatiebeleid tegen het licht moet worden gehouden. Niet omdat het per definitie verkeerd is (al was het behoorlijk ineffectief), maar omdat de context is veranderd.
De kernvraag is niet langer hoe multinationals kunnen worden ingezet als motor van innovatie, maar hoe een breder ecosysteem kan worden opgebouwd waarin verschillende spelers — van boer tot technologiebedrijf — gezamenlijk die rol vervullen.
De ontmanteling van industriële structuren is daarmee niet alleen een risico, maar ook een signaal. Een signaal dat de volgende fase van innovatie ergens anders zal ontstaan.
De vraag is of die ruimte tijdig wordt herkend — en benut. Sorry voor deze sombere afsluiting.
Een gedachte over “De stille ontmanteling van Unilever — en de (voorspelde) grenzen van innovatiebeleid via multinationals”