In de kern draait wetenschap om waarheid: niet de waarheid zoals een meerderheid die ziet, maar de waarheid die wordt ondersteund door bewijs en logische argumentatie. Toch lijkt de verleiding groot om consensus als maatstaf te nemen. Een meerderheid van wetenschappers die een stelling ondersteunt, lijkt immers geruststellend. Maar wetenschap is geen democratisch proces. Zoals Sabine Hossenfelder scherp uitlegt in een recente video, kan het meten van “wetenschappelijke consensus” zelfs schadelijk zijn voor de vooruitgang van de wetenschap en de vrije uitwisseling van ideeën.
Een misplaatste focus op consensus
Hossenfelder bespreekt een recente studie waarin wetenschappers werden gevraagd of ze instemden met de stelling: “Wetenschap heeft buiten redelijke twijfel aangetoond dat COVID-19 wordt veroorzaakt door een virus.” Wetenschappelijk gezien is dit een eenvoudige vraag. COVID-19 wordt immers per definitie veroorzaakt door het SARS-CoV-2-virus. Toch vond slechts 93,2% van de respondenten dat deze stelling correct was.
Dit resultaat werd door de onderzoekers gepresenteerd als een succes. Maar wat betekent dit cijfer echt? Het betekent dat 7% van de wetenschappers het niet eens was met een basisdefinitie, waarschijnlijk door miscommunicatie, gebrek aan begrip of zelfs trollen. Dit resultaat draagt weinig bij aan het begrip van wetenschap, maar geeft wel munitie aan complotdenkers en sceptici, die nu kunnen beweren dat “zelfs wetenschappers het niet eens zijn over COVID-19.”
De kern van het probleem is duidelijk: het meten van consensus zegt niets over de juistheid van een wetenschappelijke claim. Het enige wat het doet, is een cijfer opleveren dat gevoelig is voor misinterpretatie en misbruik.
Wetenschap draait om argumenten, niet stemmen
Zoals Hossenfelder terecht opmerkt, draait wetenschap niet om consensus, maar om argumenten. Een beroemde anekdote illustreert dit perfect: in 1931 publiceerde een groep critici een boek met de titel “100 auteurs tegen Einstein”, waarin zij probeerden te bewijzen dat de relativiteitstheorie onjuist was. Einstein reageerde droog: “Als ik ongelijk had, zou één auteur voldoende zijn.” Zijn boodschap? Het aantal tegenstanders is irrelevant. Wat telt, is de kracht van het bewijs en de argumenten.
Zelfs als duizenden wetenschappers het met een theorie eens zijn, kan één experiment of waarneming die theorie omverwerpen. Dit is de essentie van wetenschap: het streven naar waarheid door kritisch te blijven en bereid te zijn oude ideeën los te laten.
Gevaren van groepsdenken
Naast de filosofische bezwaren tegen het meten van consensus, wijst Hossenfelder ook op de sociologische risico’s. Het publiceren van consensuspercentages kan leiden tot groepsdenken. Wetenschappers, net als alle mensen, zijn gevoelig voor sociale druk. Als zij het gevoel krijgen dat hun mening afwijkt van de norm, kunnen zij die aanpassen om “bij de groep te horen.” Dit versterkt het risico op eenheidsdenken en beperkt de diversiteit aan perspectieven die essentieel is voor wetenschappelijke vooruitgang.
In mijn eigen werk zie ik vaak hoe belangrijk het is om tegenspraak te organiseren, juist ook vanuit onverwachte hoeken. Innovatie en vooruitgang ontstaan zelden vanuit een volledig homogene groep. Wetenschap heeft diversiteit van ideeën nodig, niet een dogmatisch gevoel van consensus.
Geen instituten voor waarheid
Een ander probleem met het idee van consensus is dat het kan leiden tot de oprichting van instituten die “de waarheid” moeten vaststellen. Hossenfelder suggereert dat een instituut dat wetenschappelijk bewijs evalueert en vertrouwenstoewijzingen doet, nuttig kan zijn. Maar persoonlijk ben ik daar geen voorstander van. Sterker nog, ik zie een gevaarlijke trend in Europa, waar politici pleiten voor instituten die fake news moeten debunken of waarheidsclaims moeten valideren. Dit soort ideeën passen niet bij een vrije samenleving.
We moeten oppassen dat we niet vervallen in een technocratisch systeem waarin een centraal instituut bepaalt wat waar is en wat niet. De geschiedenis leert ons dat het monopoliseren van de waarheid bijna altijd leidt tot misbruik. In plaats daarvan geloof ik in de kracht van vrije meningsuiting, zelfs als dat betekent dat mensen het recht hebben om domme dingen te zeggen. Open debat, hoe chaotisch en rommelig ook, is een fundament van een vrije samenleving. Door mensen te dwingen in een keurslijf van “de waarheid” verliezen we juist de ruimte om ideeën te ontwikkelen, te bekritiseren en te verbeteren.
Wat wetenschap wél nodig heeft
In plaats van te streven naar consensus of instituten voor waarheid, zouden we de nadruk moeten leggen op het verbeteren van wetenschappelijke communicatie. Mensen hebben behoefte aan heldere uitleg van bewijs en methodologie, niet aan percentages die zogenaamd de “overwinning” van een idee aantonen. Wetenschap heeft baat bij transparantie en kritisch denken, niet bij bureaucratische structuren die de waarheid dicteren.
Een voorbeeld hiervan is hoe het IPCC werkt. Hoewel dit instituut vaak wordt bekritiseerd, proberen zij tenminste het bewijs voor hun claims systematisch te evalueren. Ze schrijven hun rapporten niet op basis van een consensusmechanisme, maar door het bewijs uit alle relevante onderzoeken te beoordelen. Hoewel dit proces verre van perfect is, biedt het een betere benadering dan het meten van de algemene mening.
Conclusie: vrijheid en kritisch denken boven consensus
Wetenschap werkt niet op basis van opiniepeilingen, maar op basis van bewijs. Het idee dat consensus iets zegt over de juistheid van een wetenschappelijke stelling is fundamenteel misplaatst. Het creëert een illusie van zekerheid en draagt bij aan polarisatie, terwijl het niets toevoegt aan de zoektocht naar waarheid.
Als samenleving moeten we ons realiseren dat vrijheid – inclusief de vrijheid om fouten te maken – essentieel is voor vooruitgang. Wetenschap bloeit op in een klimaat van open debat, waar ideeën kunnen worden bekritiseerd en verbeterd. Dat is hoe wetenschap werkt: niet door consensus, maar door argumenten, bewijzen en een voortdurende zoektocht naar een beter begrip van de wereld.