Dit is de epiloog van een serie van negen longreads die het Rapport Wennink (2025) kritisch heeft geanalyseerd. Waar de voorgaande artikelen zich richtten op een diepgaande kritiek van het rapport zelf—variërend van historische vergelijkingen en theoretische kaders tot de analyse van blinde vlekken en randvoorwaarden—poogt deze epiloog een stap verder te zetten. De vraag is niet langer “hoe kunnen we het Rapport Wennink verbeteren?”, maar “wat heeft Nederland fundamenteel nodig?” Het antwoord, zo wordt hier beargumenteerd, ligt niet in een herhaling van het topsectorbeleid, maar in een radicaal ander denkkader.
De Topsector-Valkuil: Wennink’s Herhaling van een Klassieke Fout
In essentie pleit Peter Wennink voor een hernieuwde versie van het topsectorbeleid, ditmaal gericht op domeinen die momenteel als cruciaal en kansrijk worden beschouwd: digitalisering en AI, veiligheid, klimaattechnologie en life sciences. Dit is echter een herhaling van een strategie die reeds eerder is beproefd en grotendeels heeft gefaald. Het topsectorbeleid, geïntroduceerd in 2011, selecteerde negen sectoren die de Nederlandse economie naar een hoger plan moesten tillen. De resultaten waren teleurstellend: de beoogde versnelling in groei en innovatie bleef uit, en het beleid fungeerde in de praktijk vooral als een subsidiekanaal voor gevestigde belangen.
Wennink’s voorstel dreigt in dezelfde valkuil te trappen. Het is gebaseerd op de ‘Griekse’ aanname dat innovatie top-down kan worden gepland en dat de overheid in staat is om de winnende sectoren van de toekomst te identificeren. Dit is een miskenning van de organische en onvoorspelbare aard van technologische en economische ontwikkeling.
Bovendien is de keuze voor AI en digitalisering niet zonder risico. Deze domeinen worden gedomineerd door Amerikaanse en Chinese giganten, en er zijn toenemende signalen die wijzen op een speculatieve bubbel. De huidige investeringen in AI lijken vooralsnog niet rendabel en de werkgelegenheidsbijdrage van bijvoorbeeld datacentra is marginaal. Het is een gok op het verkeerde paard, met een hoge inzet en een onzekere, mogelijk zelfs geringe, maatschappelijke opbrengst.
De Vergeten Samenleving: Wie Verricht het Essentiële Werk?
De meest fundamentele vraag die het rapport onbeantwoord laat, is: wie verricht het essentiële werk dat een samenleving draaiende houdt? Een functionerende maatschappij is afhankelijk van vuilnismannen, koks, zorgverleners, politieagenten, leraren en bouwvakkers. Hoewel robotisering en automatisering op termijn een deel van deze taken kunnen overnemen, is de vraag niet alleen technologisch, maar ook diep maatschappelijk: willen we een dergelijke samenleving? En hoe overbruggen we de decennia waarin miljoenen mensen afhankelijk blijven van dit soort werk voor hun inkomen en zingeving?
Wennink’s focus op productiviteit, groei en welvaart is een abstracte, ‘Griekse’ benadering die voorbijgaat aan de concrete realiteit van echte mensen. De centrale vraag zou niet moeten zijn hoe we de productiviteit maximaliseren, maar hoe we een samenleving creëren waarin iedereen een betekenisvolle plek heeft. Werk is niet louter een productiefactor; het is een bron van zingeving, sociale cohesie en psychologisch welzijn. Door dit te negeren, openbaart het rapport zijn grootste blinde vlek: een gebrek aan oog voor de menselijke maat.
De ‘Valley of Death’: Het Structurele Falen van Kennisvalorisatie
Nederland heeft een notoir slechte reputatie als het gaat om de commercialisering van academisch onderzoek, een fenomeen bekend als de ‘valley of death’. De kloof tussen de academische wereld van het denken en de industriële wereld van het doen is de afgelopen decennia alleen maar groter geworden. Het probleem is niet een gebrek aan onderzoek van hoge kwaliteit, maar een structureel onvermogen om deze kennis om te zetten in commercieel succesvolle producten en diensten.
Wennink’s voorstel om simpelweg meer geld te investeren in onderzoekscentra is een inadequate respons op dit probleem. Het is een ‘Griekse’ oplossing voor een ‘Romeins’ probleem. De oplossing ligt niet in meer kapitaal, maar in een cultuurverandering: een diepgaande samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven, en een ondernemende mentaliteit binnen de academische wereld zelf. Dit kan niet worden gepland; het moet worden gecultiveerd.
Het Ondernemersklimaat: Waarom Zouden Ondernemers Hier Starten?
Een fundamentele vraag die elke economische strategie moet beantwoorden, is: waarom zouden ondernemers ervoor kiezen om in Nederland een bedrijf te starten en te laten groeien? Het antwoord is momenteel ontluisterend. Het investeringskapitaal is hier significant schaarser dan in de VS. De arbeidskosten zijn hoger dan in Zuid- en Oost-Europa. De arbeidsmarkt is rigide en duur. Het verkrijgen van vergunningen is een bureaucratische uitputtingsslag. Het elektriciteitsnet is overbelast. De belastingdruk is hoog en de regelgeving verstikkend.
Dit zijn geen abstracte, ‘Griekse’ problemen, maar concrete, ‘Romeinse’ obstakels die ondernemers dagelijks frustreren. Wennink erkent deze problemen, maar zijn voorgestelde oplossingen—een Nationale Investeringsbank en een Commissaris voor Toekomstige Welvaart—zijn institutionele pleisters op een gapende wond. De werkelijke oplossing ligt niet in meer instituties, maar in minder regelgeving, snellere procedures, lagere kosten en meer vrijheid. Dit vereist geen planning, maar politieke moed en daadkracht.
Veerkracht versus Efficiëntie: Een Pleidooi voor Diversiteit
Een welvarende samenleving is niet alleen efficiënt, maar ook veerkrachtig. Veerkracht is het vermogen om schokken en crises te absorberen, en dit vereist diversiteit. Een economie die eenzijdig leunt op een paar hoogtechnologische sectoren is inherent fragiel. De zogenaamd ‘laagproductieve’ sectoren zoals de landbouw, de voedselindustrie, de logistiek en de bouw zijn in werkelijkheid de sectoren die zorgen voor veerkracht. Ze zijn grondgebonden, fysiek geworteld in de samenleving, en bieden brede werkgelegenheid en essentiële diensten. Het afschrijven van deze sectoren, zoals Wennink impliciet voorstelt, is het opofferen van veerkracht op het altaar van kortetermijnefficiëntie. De vraag zou niet moeten zijn welke sectoren we moeten afstoten, maar hoe we alle sectoren productiever en innovatiever kunnen maken.
De Noodzaak van Grote Fysieke Projecten
Onze voorouders bouwden de dijken, de polders en de Deltawerken: grote, fysieke projecten die generaties lang welvaart en veiligheid hebben gecreëerd. Waar is deze ‘Romeinse’ ambitie gebleven? Waarom investeren we niet in een Schiphol 2.0 in de Noordzee, een hyperscale AI-datacentrum van nationale strategische waarde, een eigen chipfabricage-industrie, de transitie van de chemische industrie naar waterstof, of een netwerk van hogesnelheidstreinen? Dit zijn de projecten die Nederland toekomstbestendig maken, brede werkgelegenheid scheppen en strategische autonomie vergroten. Ze vereisen enorme investeringen en politieke moed om het ‘zuur’ van de kosten en de overlast te accepteren, in de wetenschap dat het ‘zoet’ van de baten generaties lang zal voortduren.
Een Alternatieve Visie: Zes Pijlers voor een Toekomstbestendig Nederland
Voorbij het beperkte denkkader van Wennink ligt een alternatieve visie, gebaseerd op zes fundamentele pijlers:
Ten eerste: Veerkracht boven Efficiëntie. Een diverse, stabiele economie die schokken kan opvangen, in plaats van een gespecialiseerde economie die kwetsbaar is voor marktcrises.
Ten tweede: Grondgebonden Bedrijven. Een focus op bedrijven met fysieke wortels die zorgen voor duurzame werkgelegenheid en gemeenschap, in plaats van virtuele, mobiele ondernemingen.
Ten derde: Grote Fysieke Projecten. Een hernieuwde nationale ambitie voor generatie-overstijgende infrastructuurprojecten die werkgelegenheid en toekomstbestendigheid creëren.
Ten vierde: Randvoorwaarden boven Planning. Een overheid die niet stuurt, maar faciliteert door het creëren van een optimaal ondernemersklimaat met minder regelgeving en snellere procedures.
Ten vijfde: Ondernemerschap boven Instituties. Een focus op de doeners en de bouwers, niet op de planners en de denkers; op bedrijven, niet op commissies.
Ten zesde: Maatschappelijke Welvaart boven Economische Groei. Een brede definitie van welvaart die werkgelegenheid, veerkracht, gemeenschap en zingeving omvat, niet alleen BBP-groei.
De Ware Betekenis van Welvaart
De ultieme waarheid is dat economische groei geen doel op zich is, maar een middel tot een hoger doel: maatschappelijke welvaart. Dit concept is rijker en diepgaander dan het enge begrip van productiviteit en BBP. Het omvat werkgelegenheid voor iedereen, veerkracht tegen crises, sterke gemeenschappen, zinvol werk en een duurzame toekomst. Dit is de fundamentele blinde vlek in het Rapport Wennink en in het dominante Nederlandse beleidsdiscours.
Het rapport is een waardevolle wake-up call, maar het biedt het verkeerde antwoord. De vraag die voorbij Wennink ligt, is niet hoe we efficiënter kunnen worden, maar wat voor samenleving we willen zijn. Het antwoord ligt niet in een nieuw topsectorbeleid, maar in een fundamenteel ander denkkader dat kiest voor veerkracht, ondernemerschap en een brede, inclusieve definitie van welvaart. Dat is wat Nederland werkelijk nodig heeft.