Mijn neefje is zes jaar oud. Hij speelt al wat langer met kleine legoblokjes en niet meer met Duplo, en dat is een belangrijk verschil. Het laat zien dat hij stappen maakt, dat hij groeit, dat hij meer kan dan een paar jaar geleden. Maar hoe trots we daar ook op zijn, niemand zal het in zijn hoofd halen om hem op een gasfornuis een ei te laten bakken. Dat is geen kwestie van vertrouwen of goede wil, maar van verantwoordelijkheid. De risico’s zijn te groot, de vaardigheden onvoldoende ontwikkeld, en de consequenties bij een fout te ernstig.
Mijn nichtje zit op de middelbare school. Slim, zelfstandig, mondig. Ze kan prima haar huiswerk plannen, haar agenda beheren en ingewikkelde sociale dynamieken doorzien waar volwassenen soms nog moeite mee hebben. Toch vinden we het vanzelfsprekend dat ze geen auto bestuurt. Niet omdat ze ongeschikt is als mens, maar omdat autorijden specifieke kennis, ervaring en training vereist. Het verkeer is complex, de marges zijn klein en de gevolgen van fouten zijn groot. Leeftijd en opleiding doen ertoe.
En mij moet je geen lasapparaat in handen geven. Ook geen controlepaneel van een kerncentrale. Ik ben een bèta, ik heb gestudeerd, ik begrijp systemen en processen, maar niet deze. Zonder opleiding, zonder training en zonder ervaring zou ik gevaarlijk zijn, niet alleen voor mezelf maar ook voor anderen. Dat erkennen we zonder discussie. Niemand noemt dat elitair of ondemocratisch. We noemen het gezond verstand.
Tegen deze achtergrond kijk ik naar het huidige stikstof- en natuurdossier en bekruipt me een ongemakkelijk gevoel. Vandaag zitten vertegenwoordigers van D66, CDA en VVD met elkaar om tafel om “een klap” te geven op een van de meest complexe beleidsdossiers die Nederland in decennia heeft gekend. Het stikstofvraagstuk raakt ecologie, chemie, landbouw, hydrologie, economie, rechtspraak en bestuurskunde. Het is verweven met Europese regelgeving, nationale jurisprudentie, regionale gebiedsprocessen en individuele bedrijfsvergunningen. Het is technisch, juridisch en maatschappelijk explosief tegelijk.
En toch doen we alsof dit een dossier is dat je met voldoende politieke wil en een stevig compromis kunt oplossen.
De helft van de Tweede Kamer bestaat inmiddels uit nieuwe leden. Veel van hen zijn intelligent, betrokken en gemotiveerd, maar hun kennis van dit dossier is waarschijnlijk beperkt. Dat is geen verwijt, dat is een constatering. Je leert stikstof niet in een paar inwerkweken. Je leert het niet uit een samenvattende nota of een paar position papers. Het dossier is gegroeid over tientallen jaren, met opeenvolgende beleidskeuzes, rekenmodellen, aannames en juridische uitspraken die op elkaar zijn gestapeld. Wie denkt dat je daar zonder diepgaande kennis doorheen kunt snijden, onderschat de complexiteit.
De kans dat er opnieuw een akkoord komt dat in de praktijk niet werkt, is groot. Misschien zelfs zeer groot. We hebben dat eerder gezien. Akkoorden die juridisch sneuvelen, beleidslijnen die geen stand houden bij de rechter, maatregelen die de vergunningverlening niet lostrekken maar juist verder verkrampen. Het risico is reëel dat we straks wéér constateren dat natuurherstel onvoldoende vooruitgaat, terwijl economische en maatschappelijke schade zich opstapelt.
En dan dringt zich de vraag op: waarom vinden we dit normaal?
Zouden we het als samenleving verstandig vinden om mijn neefje een ei te laten bakken omdat hij “al zo ver is”? Zouden we mijn nichtje achter het stuur zetten omdat ze “verantwoordelijk genoeg oogt”? Natuurlijk niet. We weten dat sommige taken pas verantwoord zijn als kennis, ervaring en context samenkomen. Waarom laten we die logica los zodra het over politiek gaat?
Sterker nog: waarom lijkt het alsof politieke daadkracht steeds vaker wordt verward met snelheid? Alsof een besluit pas telt als het snel is genomen, als het zichtbaar is, als het een “klap” heeft. Maar complexiteit laat zich niet dwingen door deadlines. Systemen laten zich niet corrigeren met symboliek. En natuurherstel laat zich niet afdwingen met bestuursakkoorden die op papier kloppen maar in de praktijk wringen.
Eerlijk gezegd denk ik bij deze politieke constellatie niet aan de drie musketiers, maar eerder aan Kwik, Kwek en Kwak. Niet omdat ze dom zijn, maar omdat ze opereren in een wereld waarin de ernst van het gereedschap niet altijd lijkt door te dringen. Waarin het gevoel overheerst dat men “eruit moet komen”, terwijl de vraag of het inhoudelijk klopt ondergeschikt raakt.
Misschien is het tijd om iets te doen wat in de politiek zeldzaam is geworden: erkennen dat we het even niet weten. Dat het dossier ontspoord is in aannames, modellen en juridische fixaties. Dat de afstand tussen berekening en werkelijkheid te groot is geworden. En dat verdere reparaties zonder fundamentele herbezinning het probleem waarschijnlijk verergeren.
Een moratorium zou geen zwaktebod zijn, maar een teken van volwassenheid. Een pauzeknop indrukken, niet om niets te doen, maar om ruimte te creëren voor herijking. Om fundamentele vragen opnieuw te stellen: wat is het daadwerkelijke probleem, waar zitten de grootste onzekerheden, en welke doelen zijn realistisch én juridisch houdbaar? Om wetenschap, praktijk en beleid weer met elkaar te verbinden, in plaats van elkaar te overschreeuwen.
“Liever ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald” is geen lafheid, maar wijsheid. Het besef dat doorgaan op een verkeerd pad, alleen omdat je eenmaal bent begonnen, geen deugd is. In techniek noemen we dat falen onderkennen voordat het systeem instort. In opvoeding noemen we het grenzen stellen. In beleid zouden we het bestuurlijke verantwoordelijkheid moeten noemen.
Misschien moeten we stoppen met doen alsof iedereen alles kan, altijd en meteen. Misschien moeten we weer durven zeggen dat sommige dossiers vragen om tijd, expertise en bescheidenheid. Net zoals we dat vanzelfsprekend vinden bij kinderen, bij machines en bij gevaarlijke systemen.
De vraag is niet of we een besluit durven nemen. De vraag is of we durven wachten tot we het juiste besluit kunnen nemen.
Heel goed verwoord. Spijker op de kop!