Ons eigen poep en pies kan onze wereld redden!

Afgelopen mei 2010 schreef ik een kort stukje over mijn bezoek aan Annechien. In het zelfde stukje met de prikkelende titel Nederland als groot agro-businesspark, schreef ik over het sluiten van de fosfaatkringloop en vooral het belang van de verwerking van ons eigen menselijke poep en plas. Het artikel Ik ga in Algen gaat eigenlijk ook over dit onderwerp (=fosfaatkringloop sluiten).

Op Foodlog verscheen eind mei van mijn hand het stuk met de titel “Zolang we poep en pies wegspoelen, hoeven we ook niet biologisch te eten“. Vandaag krijg ik van Hendrik J. Kaput een link naar een artikel op Lowtech MagazineUw stoelgang kan de wereld redden“, met een fantastisch historisch overzicht over dit onderwerp:

Uw stoelgang kan de wereld redden

Bemesting

Ieder van ons spoelt dagelijks, afhankelijk van de olieprijs, nietsvermoedend voor 1,5 euro tot 7 euro bodemverbeteraars door het toilet. Het zou een leuke bijverdienste kunnen zijn. In Azië waren de grote en kleine boodschap 4000 jaar lang belangrijke handelswaar. De Chinezen konden door het gebruik van menselijke mest in de landbouw een grote bevolking voeden zonder hun rivieren te vervuilen, terwijl de steden in het Middeleeuwse Europa veranderden in open riolen.

Eind negentiende eeuw werden ook bij ons systemen in gebruik genomen die gericht waren op de verzameling en het hergebruik van menselijke mest, maar ze raakten in de vergetelheid door de opmars van het spoeltoilet. Doorspoelen is makkelijk, maar het berooft landbouwgronden van essentiële voedingsstoffen en maakt de voedselvoorziening afhankelijk van fossiele brandstoffen. (foto)

——————————————————————————————————–

Auto’s, lange vliegreizen, vleesconsumptie, elektronische gadgets, gebotteld water: het zijn meestal de eerste zaken die in vraag worden gesteld als het over het verkleinen van onze ecologische voetafdruk gaat. Maar één van de grootste milieurampen voltrekt zich in onze badkamer. Het onschuldig ogende spoeltoilet of watercloset – algemeen beschouwd als een teken van beschaving – heeft een verrassend grote impact. Onze afhankelijkheid van het spoeltoilet zorgt niet alleen voor aanzienlijke milieuvervuiling, maar bedreigt zelfs de voedselvoorziening. Helaas is het watercloset ook één van de grootste milieutaboes: we praten veel liever over elektrische auto’s dan over onze eigen afvalstoffen – die in feite geen afvalstoffen maar waardevolle grondstoffen zijn.
Natuurlijke kringloop
Het spoeltoilet doorbreekt een natuurlijke kringloop in de voedselvoorziening. Bij het kweken van gewassen worden voedingsstoffen aan de bodem onttrokken: kalium,stikstof en fosfaat zijn de belangrijkste. Gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis werden die stoffen netjes aan de bodem terug gegeven. Net als andere dieren deponeerde de mens zijn afvalstoffen in de natuur, waar ze door bodemorganismen werden gerecycleerd. Maar naarmate we steeds talrijker werden en dicht op elkaar in grote steden gingen wonen, werd die methode steeds problematischer. 
Open riolen
Dat het spoeltoilet en de riolering als een teken van beschaving worden beschouwd, heeft alles te maken met de ellendige omstandigheden in Europa vanaf de Middeleeuwen tot het begin van de Industriële revolutie, toen de geconcentreerde en ongeorganiseerde verspreiding van menselijke uitwerpselen in het grondwater en in open riolen dodelijke ziektes zoals cholera en tyfus veroorzaakte. Mensen deden hun gevoeg op straat of leegden hun toiletemmers in slecht afgesloten beerputten of in de gracht (bij de rijken werkte dat ‘systeem’ sinds de Middeleeuwen zelfs automatisch – zie foto hieronder).
Toilet middeleeuwen 
De kern van het sanitaire probleem was dat er geen scheiding bestond tussen de drinkwatervoorziening en de “voorzieningen” ten behoeve van ontlasting (en ander afval). Het spoeltoilet was echter maar één mogelijke technologische oplossing daarvoor, en helaas niet de beste. De oplossing van toen is het probleem van vandaag.
Kunstmest en zuiveringsstations
Vandaag geven we de essentiële scheikundige stoffen die de bodem vruchtbaar houden, niet meer terug. We spoelen ze door naar de zee. Dat levert drie problemen op. Ten eerste hebben we tonnen kunstmest nodig om de bodem vruchtbaar te houden. Van 1950 tot 1990 steeg de globale consumptie van kunstmest met duizend procent, van 14 miljoen ton tot 140 miljoen ton. In 2008 was dat 160 miljoen ton (cijfers FAO: 1 & 2). De groeiende wereldbevolking en de productie van biobrandstof beloven het gebruik van kunstmest nog verder de hoogte in te jagen. 
Ten tweede hoort er bij het spoeltoilet een kostelijke infrastructuur van rioolwaterzuiveringsstations (RWZI’s): we kunnen immers niet zomaar onze afvalstoffen in rivieren en zeeën lozen, want dan gaan alle vissen (en badgasten) dood. Als er geen rioolwaterzuiveringsstations in werking zijn, en dat is helaas op nog veel plaatsen het geval, zorgt het spoeltoilet voor dode rivieren en ondrinkbaar water. 
——————————————————————————————————–
Het spoeltoilet verbruikt – onrechtstreeks – erg veel energie
——————————————————————————————————–
Ten derde slokt het spoeltoilet een grote hoeveelheid zoet water op – drinkwater dat met veel moeite opgepompt en gezuiverd werd (en lang niet altijd hernieuwbaar is, zie het artikel “Fossiel water raakt op“). Ieder van ons verbruikt op deze manier gemiddeld 15.000 liter drinkwater per jaar.
Natuurlijke kringloop humanure
In essentie verbruikt het spoeltoilet veel energie, en dat is het fundamentele probleem. Kunstmest wordt gemaakt met behulp van fossiele brandstoffen. De productie van 1 kilo stikstof vraagt 78 megajoule, vergelijkbaar met de ingebedde energie van een kilogram plastic. De productie van kunstmest is bovendien een toxisch proces. Ook het zuiveren van rioolwater kost veel energie: in Nederland zo’n 800.000 megawattuur per jaar, iets meer dan het totale verbruik van openbare verlichting (bron, pdf). Tot slot kost ook de productie van zoet water (gebruikt om door te spoelen) veel fossiele brandstoffen (zie het artikel “Water vreet energie, energie vreet water“).
We weten allemaal dat fossiele brandstoffen uitgeput zullen raken, en dus is dit hele systeem op termijn onhoudbaar. Zonder fossiele brandstoffen ligt er geen eten meer op ons bord. Kalium en fosfaat zijn evenmin onuitputtelijk. Op kortere termijn dreigen stijgende olieprijzen zowel landbouw en waterzuivering steeds duurder te maken. Tenzij we natuurlijk onze dagelijkse boodschap ten gelde maken. 
Volgens onderzoekster Grietje Zeeman van de Universiteit Wageningen is alleen al de hoeveelheid nutriënten in de urine die één persoon per jaar produceert, voldoende om in de jaarlijkse graanconsumptie van diezelfde persoon te voorzien.Als we menselijke “afvalstoffen” consequent als meststof zouden inzetten, brengt een groeiende wereldbevolking dus ook een groeiende hoeveelheid meststoffen met zich mee. 
Chinese landbouw draaide op menselijke mest
“Toen in de zomer van 2008 de prijs voor een vat ruwe olie gestegen was tot 140 dollar mailde één van onze overzeese donateurs mij vanuit de Filipijnen dat de rijstbouwers in zijn dorp de kunstmest niet langer konden betalen”, vertelt Sietz Leeflang, initiatiefnemer van het ecologisch centrum “De Twaalf Ambachten” en al dertig jaar in de weer met rioolvervangende technieken. “Dat was voor mij het gepaste ogenblik om een boek tevoorschijn te halen dat ik eind jaren zeventig in handen kreeg: ‘Farmers of forty centuries‘, het levenswerk van de Amerikaanse landbouwkundige en grondlegger van de bodemkunde F.H. King, gepubliceerd in 1911. Het is een verslag van een maandenlange studiereis door Japan, China en Korea. In één van de hoofdstukken [Hfd.9] beschrijft King het Chinese landbouwsysteem, dat 4000 jaar standhield dankzij het consequente gebruik van menselijke uitwerpselen als landbouwmest.”
——————————————————————————————————–
In Japan betaalde je minder huur naarmate je de huiseigenaar meer uitwerpselen toezegde
——————————————————————————————————–
Begin twintigste eeuw stond het drinken van rivierwater in Europa of Noord-Amerika bijna gelijk aan zelfmoord, aangezien uitwerpselen ongezuiverd de grachten werden in gespoeld. Maar omstreeks diezelfde tijd kon je het water uit de grote Chinese rivieren drinken, zonder gevaar voor cholera of andere ziektes.
China mestkar 
Menselijke mest werd, samen met ander organisch afval, met de grootste zorg en discipline ingezameld, gecomposteerd en over de akkers verspreid. De mest werd verzameld in terracotta kruiken van 250 tot 500 liter, die afgesloten werden vervoerd. Eén van die grote Chinese steden (Hankow-Wuchang-Hanyang) telde bijna 1,8 miljoen inwoners, samengepakt in een gebied met een diameter van 6,5 kilometer.
Stront als handelswaar
Sietz Leeflang: “Een stad als Sjanghai verhandelde en distribueerde via een speciaal aangelegd kanalennetwerk en met honderden vaartuigen [foto hieronder] de opbrengst van de toiletten van zijn inwoners, een handel die jaarlijks honderdduizenden dollars opbracht. Een Chinese zakenman betaalde in 1908 het niet geringe bedrag van 31.000 dollar om in een bepaald stadsdeel van Sjanghai jaarlijks 78.000 ton menselijke mest te mogen afvoeren naar de boeren op het platteland. Het was op het Chinese platteland niet ongewoon om langs de weg bordjes te zien hangen waarop voorbijgangers werden uitgenodigd om ter plaatse hun behoefte te doen: menselijke mest was veel geld waard. In Japan betaalde je minder huur naarmate je de huiseigenaar meer uitwerpselen toezegde.”
Logistiek humanure sjanghai 
Ten tijde van het bezoek van King werd in China (dat toen 400 miljoen inwoners telde) jaarlijks meer dan 182.000.000 ton menselijke mest ingezameld in dorpen en steden, waardoor 1.160.000 ton stikstof, 376.000 ton kalium en 150.000 ton fosfaat in de vorm van compost aan de landbouwgronden werd teruggegeven. Ook in Japan werd uitgebreid en consequent gebruik gemaakt van menselijke bodemverbeteraars. In 1908 werd er 23.850.295 ton opgehaald en op de velden gedeponeerd. Hoewel ook de Aziatische boeren in de loop van de twintigste eeuw in de greep kwamen van kunstmest – China is vandaag goed voor 28 procent van de consumptie van kunstmest – bleven sommige van deze ophalingsmethoden bestaan tot in de jaren veertig (Japan) en de jaren zestig (Singapore).
Sietz Leeflang: “King bracht een niet mis te verstane boodschap aan de boeren in zijn eigen land, een boodschap die helaas te laat kwam. In 1910 was stikstofbinding uit de lucht technisch mogelijk geworden. Dit betekende de doorbraak naar de massaproductie van kunstmest.”
Europa kopieert het idee, 19e eeuw
Het gebruik van menselijke uitwerpselen en urine als meststof gebeurde ook in sommige Europese landen, zij het voor een veel minder lange periode en op veel kleinere schaal. In de tweede helft van de negentiende eeuw begon het gezondheidsexperts te dagen dat dodelijke ziektes zoals cholera het gevolg waren van het drinken van met uitwerpselen besmet water. Tegelijkertijd kampte de landbouw door de snelgroeiende bevolking met een tekort aan mest – kunstmest bestond nog niet. Het besef groeide dat die twee problemen samen konden worden aangepakt, net zoals in China dus. Aangezien menselijke mest economisch waardevol was, zou de verkoop ervan de hele operatie (verzameling + bewerking) bovendien kunnen bekostigen, of zelfs winstgevend zijn.
Het tonnenstelsel
Het eerste systeem, dat in meerdere landen werd opgezet, was het zogenaamde tonnenstelsel (bron en meer informatie over het tonnenstelsel: 1 & 2). De stoelgang van de bewoners van een huis werd opgevangen in een ton die een paar keer per week door inzamelaars werd opgehaald (zie foto’s hieronder, bron 1 en 2).
Tonnenstelsel foto
Beerwagen 
Het tonnenstelsel was op sommige plaatsen al eeuwen in gebruik: in Vlaanderen bestond het op verschillende plaatsen al sinds de 17e eeuw en het systeem moest wat betreft hygiëne en verwerking niet onderdoen voor dat van de Chinezen. In “Verslag van een reis door de Nederlanden” beschrijft Samuel Von Grouner in 1821 grote mestmagazijnen langs de Schelde, waar zowel fecaliën uit Nederland als uit Antwerpen per schip werden aangevoerd. Ook in Groningen werd buiten de stadsmuren al eeuwen compost gemaakt van menselijke mest. Dit gebeurde aanvankelijk louter omwille van de landbouwkundige waarde – de link tussen vervuild drinkwater en dodelijke ziektes was toen nog niet bekend.
Tonnenstelsel stank 
Vanaf 1870 werd het tonnenstelsel op veel ruimere schaal geïntroduceerd. De menselijke mest en urine werden naar verzamelpunten buiten de stad gebracht, waar ze werd verwerkt tot compost voor gebruik in de landbouw. Het probleem was dat de ophaling lang niet altijd zo proper en gedisciplineerd gebeurde als in China, waar met afgesloten kruiken werd gewerkt. Er werd veel gemorst en de ophaling zorgde voor geuroverlast (illustratie hierboven, bron).
——————————————————————————————————–
Het tonnenstelsel zorgde voor geuroverlast maar was eenvoudig en goedkoop
——————————————————————————————————–
Voordeel was dat het systeem erg eenvoudig en goedkoop was, en makkelijk uit te breiden. In Nederland werd het systeem toegepast in grote steden zoals Arnhem (1871), Amsterdam (1876) en Rotterdam (1877), maar ook in veel kleinere steden en gemeenten zoals Delft (1870), Lemmer (1872), Drachten (1874), Alkmaar, Purmerend en Zaandaam (alle in 1881). Op sommige plaatsen hield het tonnenstelsel tot ver in de twintigste eeuw stand: in Zaandam werd het pas in 1979 opgeheven, in Alkmaar verdween de laatste ton pas in 1983 (bron).
Schema liernur toiletPneumatische riolering
Het tweede systeem dat in Nederland ingang vond, en vrijwel nergens anders, was bedacht door de Nederlander Charles Liernur (patent 1866, pdf). Zijn rioolstelsel was revolutionair en bijzonder gesofistikeerd (bronnen en meer informatie over het Liernurstelsel: 123 & 4).
Er waren een aantal opvallende gelijkenissen met ons huidige systeem: er werd gebruik gemaakt van een toiletpot en de ontlasting verdween onmiddellijk na deponering uit het zicht (illustratie hiernaast). Ze werd afgevoerd via een buizensysteem dat lijkt op de bestaande riolering. Het grote verschil was dat het Liernurstelsel de afvalstoffen niet wegspoelde met water, maar met behulp van atmosferische druk. Een gelijkaardig systeem wordt vandaag de dag toegepast in vliegtuigen en treinen.
In feite is het Liernurstelsel een mix van het tonnenstelsel en het moderne spoelstelsel. De toiletpotten waren via een stelsel van ondergrondse buizen verbonden met ondergrondse reservoirs (foto hieronder), geplaatst op een geregelde afstand van elkaar. In het deksel van die reservoirs zaten twee pijpen: één voor het trekken van het vacuüm, de andere voor het opzuigen van de ontlasting uit het reservoir. De kracht voor het vacuüm werd geleverd door locomobielen (mobiele stoommachines). De atmosferische druk was zo sterk dat ook ‘oude lompen, schoenen, lastige vliegen en zelfs stukken baksteen’ werden weggezogen.
Liernurvacuum
Het vacuüm trekken gebeurde één keer per nacht, waarna de vracht meteen uit het reservoir in een tankwagen werd gepompt (illustratie hieronder). Eén tankwagen kon zo per uur de afvalstoffen van ongeveer 150 huizen verzamelen zonder de bewoners in hun nachtrust te storen. Het grote voordeel tegenover het tonnenstelsel was dat er niet in en rond de huizen met stront moest worden gesjouwd. De inzameling kon op een propere en relatief gecentraliseerde manier plaatsvinden. Het was de bedoeling dat het Liernurstelsel zou bestaan naast een rioolstelsel dat zorgde voor de afvoer van keukenwater en stormwater.
Liernurstelsel in Nederland
Slechts enkele Nederlandse steden werden uitgerust met het Liernurstelsel: Leiden in 1871, Amsterdam in 1872 en Dordrecht in 1874. Het ging aanvankelijk slechts om een paar duizend inwoners, maar met name in Amsterdam werd het systeem aanzienlijk uitgebreid.
Liernur pneumatisch rioolEind negentiende eeuw waren 90.000 Amsterdammers aangesloten op het Liernurstelsel, ongeveer 20 procent van de bevolking. Nog eens 20 procent van de inwoners werd aangesloten op een ’tijdelijk’ Liernurstelsel, een vereenvoudigde vorm die werkte zonder vacuüm maar wel met collectieve ondergrondse reservoirs (ook ’tonnenstelsel met valpijpen’ genoemd). 
Liernurstelsel in andere landen
Het Liernurstelsel werd ook op kleinere schaal ingevoerd in Praag (Tsjechië), Trouville sur Mer (Frankrijk), Hanau (Duitsland) en Stansted (Engeland). Het systeem in Trouville, geïnstalleerd in 1892, werkte tot in 1987 (bron, pdf). Liernur ontwikkelde ook plannen voor andere steden in Europa (Parijs, Berlijn, Stockholm, Munchen, Stuttgart en Zurich) en in de VS (Baltimore), maar die werden niet uitgevoerd.
——————————————————————————————————–
Het pneumatische rioolsysteem van de Nederlander Charles Liernur was uniek in de wereld
——————————————————————————————————–
De Nederlandse Gezondheidscommissie adviseerde in 1873 de algemene invoering van het Liernurstelsel en het systeem werd sinds het succes in Amsterdam in verschillende steden bestudeerd. Toch bleef een verdere uitbreiding uit. Er heerste algemene tevredenheid over de hygiënische resultaten, maar de inkomsten uit de mestverkoop bleken lager dan geraamd zodat er geen sluitende begroting werd bereikt. (bronnen en meer informatie over het Liernurstelsel: 123 & 4)
Riool berlier systeem
Het vergelijkbare Berlier-systeem in Parijs (illustratie hierboven) en het Shone-systeem in Engeland, die iets later werden ontwikkeld en op erg beperkte schaal werden ingezet, waren hetzelfde lot beschoren (bron).
Opkomst van het spoeltoilet
De doodsteek voor het Liernurstelsel (en voor het tonnenstelsel) was echter de opkomst van de waterleiding en het spoeltoilet. Terwijl in de jaren 1870 slechts enkele Nederlandse steden over een waterleiding beschikten, kwam daar vanaf 1880 verandering in. Steeds meer bewoners sloten een spoeltoilet aan op het Liernurstelsel, wat de ontlasting zodanig verdunde dat de landbouwkundige waarde te zeer daalde. Daarbij kwam de opmars van kunstmest, waarmee het tekort aan meststoffen in de landbouw was “opgelost”.
Het Liernurstelsel was bovendien kwetsbaar voor een gebrek aan zelfdiscipline van de gebruikers: vaste afvalstoffen verstopten de smalle buizen, terwijl het spoelstelsel – dat toen al opgang maakte in andere Europese steden – veel meer kon verdragen. De bestaande stelsels hadden ook een relatief ingewikkelde logistiek nodig: tonnen, wagens, pompstations, stoommachines, opslagplaatsen, verkooppunten en heel wat personeel. Het spoelstelsel – waarvan de geschiedenis teruggaat tot de Romeinen – had daarentegen nauwelijks personeel nodig, en behalve de riool zelf ook geen verdere infrastructuur (zuivering van rioolwater is een relatief nieuw verschijnsel).
——————————————————————————————————–
Het spoeltoilet verdunt de afvalstoffen zodanig dat ze geen waarde meer hebben als meststof
——————————————————————————————————–
Toiletpot2De laatste Liernurstelsels in Nederland werden in het tweede decennium van de twintigste eeuw weer opgedoekt. In Amsterdam en Leiden functioneerde het systeem bijna 40 jaar. Ook de vroege composttoiletten, uitgevonden in 1860, moesten het al snel afleggen tegen de ogenschijnlijke properheid van het spoeltoilet.
Gemak gaat voor milieu
De verspreiding van de waterleiding was een goede zaak voor de volksgezondheid, maar het spoeltoilet – slechts één toepassing ervan – droeg van bij het begin de kiem van een milieuprobleem in zich. Even doorspoelen met water is zonder twijfel handig, maar in zekere zin betekende de opkomst van het spoelstelsel een terugkeer naar de situatie voor de komst van tonnenstelsel en Liernurstelsel. De uitwerpselen werden opnieuw op het oppervlaktewater geloosd, zij het niet in de onmiddellijke omgeving maar enkele kilometers verder. 
Tot in de jaren 1970 werd in sommige Nederlandse steden afvalwater rechtstreeks op het oppervlaktewater geloosd, zonder enige zuivering. In België loost vandaag meer dan 40 procent van de bevolking nog altijd ongezuiverd afvalwater (bron, pdf). Als het rioolwater wordt gezuiverd, blijft een gigantische hoeveelheid vervuild slib achter die gestort of verbrand moet worden. Rioolslib bevat bodemverbeteraars maar ook zware metalen en andere vervuiling omdat het vermengd is met ander afval, en is dus niet meer bruikbaar. In het geval van hevige regen of overstromingen, wanneer de riolen het water niet meer kunnen slikken, komt de inhoud van spoeltoiletten bovendien altijd ongezuiverd in de natuur (en in de stad) terecht.
Hoe moet het nu verder?
Zoals aan het begin van dit artikel werd gesteld, heeft het spoeltoilet op termijn geen toekomst. Het bestaat bij gratie van goedkope olie. Bovendien zorgt de vermenging met spoelwater ervoor dat de mest te zeer verdund wordt om nog gecomposteerd te kunnen worden en als bodemverbeteraar te dienen. We zullen dus iets anders moeten verzinnen. 
——————————————————————————————————–
In België loost meer dan 40 procent van de bevolking nog altijd ongezuiverd afvalwater
——————————————————————————————————–
Net als op het eind van de negentiende eeuw zijn er slechts twee mogelijkheden. Ofwel een hedendaagse variant van het tonnenstelsel, waarbij de afvalstoffen aan huis worden opgehaald. Ofwel een hedendaagse variant van het Liernurstelsel, waarbij uitwerpselen en urine zonder het gebruik van water op een mechanische manier wordt ingezameld. Na compostering kunnen de afvalstoffen vervolgens in beide gevallen worden ingezet als meststof in de landbouw.
Compost- en scheidingstoiletten
Nonolet-maritiemBeide methoden kunnen dankzij de huidige stand van de technologie aanzienlijk worden verbeterd. Sietz Leeflang pleit voor een moderne variant van het tonnenstelsel. Zijn Nonolet (bouwplan), een verbeterde, verkleinde en goedkope versie van het composttoilet, geniet internationale faam (onder meer de BBC kwam eind 2008 langs).
Het toilet heeft geen water nodig en produceert geen stank (“non olet” = “stinkt niet”), maar vraagt wel een extra handeling van de gebruiker. Elke grote boodschap moet worden afgedekt met een paar papieren handdoekjes en vervolgens met een platte ronde stamper worden aangedrukt. De inhoud van het toilet ziet er dan ook uit als een groot pakket papier-maché.
Een modern tonnenstelsel bestaande uit Nonolets zou het interessante voordeel hebben dat er buitenshuis geen nieuwe infrastructuur voor nodig is. Als het Nonolet na gemiddeld enkele weken vol is, wordt de “vracht” simpelweg in de GFT-container gedeponeerd (of op de eigen composthoop gegooid).
Urine wordt automatisch gescheiden van ontlasting (omdat het simpelweg van het pakket papier-maché afloopt) en kan drie richtingen uit: naar het riool (geen optimale oplossing omdat zo een belangrijke bron van fosfaat verloren gaat), naar een plaatselijke helofytenfilter waar het door planten wordt gezuiverd, of naar een opslagtank die één keer per jaar wordt geleegd door een tankwagen. In het laatste geval is er wel extra logistiek nodig. Die bestaat al in verschillende woonwijken in Nederland waar gebruikt wordt gemaakt van het zogenaamde ‘scheidingstoilet’ – in feite het spiegelbeeld van de Nonolet, want in dat geval gaan de fecaliën via spoelwater naar het riool. Optimaal gezien worden zowel fecaliën als urine uit het riool gehouden, en liefst apart bewaard (de combinatie veroorzaakt stank).
Modern vacuümstelsel
De tweede mogelijkheid is een moderne uitvoering van het Liernurstelsel. Een verbeterde versie van het pneumatische systeem wordt sinds een jaar of 25 vrijwel algemeen ingezet in treinen en vliegtuigen. Ook in gebouwen en (in mindere mate) bij de constructie van nieuwbouwwijken vond het opnieuw een toepassing, beginnende in de jaren zestig en zeventig.
Vacuum pomp hannoverIn de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Australië, Duitsland, de Malediven, Zuidelijk Afrika en het Midden Oosten zijn intussen honderden systemen in werking en in ontwikkeling (overzicht). In Duitsland zijn vele installaties in gebruik sinds de jaren zeventig (op de foto de vacuümpomp van een flatgebouw in Hannover, bron). De grootste installatie in Europa bevindt zich in Gerasdorf nabij Wenen in Oostenrijk. In Hong Kong en Venetië wordt het systeem in delen van de stad ingezet.
Vooral in het Midden-Oosten is de techniek momenteel in opmars, grotendeels omwille van de waterbesparende eigenschappen (moderne vacuümtoiletten gebruiken een kleine hoeveelheid water om het systeem proper te houden, maar die hoeveelheid is slechts een fractie van die gebruikt door een spoeltoilet – ongeveer 0,5 tot 1 liter per keer). Het reeds gebouwde palmeiland voor de kust van Dubai is uitgerust met een pneumatisch rioolsysteem dat 23.000 mensen bedient (met 40 km pijpen, 1050 reservoirs en één vacuümpomp). Vacuümriolen maken ook deel uit van Masdar, de ecologische stad in opbouw in de Verenigde Arabische Emiraten. Wat er precies met de ingezamelde ontlasting gaat gebeuren, is evenwel niet duidelijk.
Het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO) rust momenteel het nieuwe hoofdkwartier in Wageningen uit met vacuümtoiletten. De fecaliën worden omgezet in energie, de urine wordt omgezet in meststof.
Goedkoper
Installatie pneumatisch rioolBeide systemen kunnen uiteraard, net als in de negentiende eeuw, naast elkaar worden gebruikt. Hoewel ze ook energie verbruiken (het tonnenstelsel voor de ophaling en het transport, het pneumatisch stelsel voor het vacuüm, het legen van de reservoirs en het transport), is hun totale energieverbruik een stuk kleiner dan dat van het bestaande spoelstelsel. De winst zit vooral in de energie die wordt bespaard voor rioolwaterzuivering en de productie van kunstmest. 
Een modern tonnenstelsel is zonder twijfel de goedkoopste optie. Er bestaat al een systeem van ophaling voor de vaste afvalstoffen (het GFT), en dus is er enkel een extra logistiek van tankwagens nodig voor de ophaling van de urine.
De installatie van een pneumatisch rioolstelsel is veel duurder, maar nog altijd ongeveer de helft goedkoper dan de aanleg van een traditioneel rioolstelsel. Een vacuümstelsel is ook sneller te installeren en makkelijker te onderhouden dan een spoelstelsel: het systeem bestaat uit veel smallere buizen die minder diep in de grond moeten worden gestopt – een smalle gleuf in het wegdek volstaat (zie foto, bron). Wellicht maakt een pneumatisch rioolstelsel ook meer kans om geaccepteerd te worden door verwende westerlingen dan een moderne toepassing van het “tonnenstelsel”.
——————————————————————————————————–
De financiële waarde van onze stoelgang kan alleen maar stijgen
——————————————————————————————————–
In beide scenario’s blijft het riool overigens bestaan, zij het enkel voor de afvoer van het water van wasmachine, douche, bad en wastafels (“grijswater”). Die afvalstroom bevat echter nauwelijks nutriënten en is ook minder vervuild, zodat er minder energie nodig is voor de zuivering ervan. Het onderhoud van twee naast elkaar bestaande systemen drijft natuurlijk de kosten op
Hoeveel geld spoelen wij door het toilet?
Volgens de cijfers die King verzamelde, produceert een volwassen mens per dag gemiddeld 1.135 gram uitwerpselen inclusief urine. Duizend kilogram hiervan bevatte (in het China van honderd jaar geleden) 6,35 kilogram stikstof, 2 kilogram kalium en 0,85 kilogram fosfor. Eén miljoen Chinezen zijn dan per jaar goed voor 415.000 ton meststoffen, inclusief 2.608 ton stikstof, 821 ton kalium en 350 ton fosfaat. King schrijft verder dat er in diezelfde tijd per miljoen inwoners in Europa en de VS jaarlijks 5.000 ton stikstof, 2.000 ton kalium en 1.500 ton fosfaat weggespoeld (het verschil met de cijfers in China is te verklaren door een verschillend eetpatroon).
Geld doorspoelenAls we de ‘productie’ van alle Nederlanders (16,6 miljoen inwoners) en Belgen (10,4 miljoen inwoners) optellen, en de cijfers van King voor het westen als uitgangspunt nemen, komt dat per jaar neer op 135.000 ton stikstof, 54.000 ton kalium en 40.500 ton fosfaat. Dat is wellicht een flinke onderschatting, gezien het sindsdien flink veranderde eetpatroon.
De prijzen voor deze stoffen fluctueren sterk (al naargelang de olie- en gasprijs), maar zelfs als we de lage prijzen uit begin 2007 nemen (280 dollar per ton stikstof, 260 dollar per ton fosfaat en 170 dollar per ton kalium) komt dat overeen met een totaalbedrag van 57,5 miljoen dollar of 41 miljoen euro dat we jaarlijks letterlijk door de WC spoelen. Anderhalve euro per persoon per dag. Begin 2008 stonden de prijzen voor kunstmest vier tot vijf keer hoger en met de uitputting van fossiele brandstoffen kan de waarde van deze grondstoffen alleen maar stijgen.
Compostering: de missing link in de kringloop
Stroop nu niet meteen je broek af in de moestuin: menselijke fecaliën en urine mogen niet zonder verdere behandeling als meststof worden gebruikt. Hoewel dat historisch wel op vele plaatsen gebeurde, en ook vandaag nog altijd in sommige landen realiteit is, houdt dat risico’s in voor de gezondheid. Er moet eerst een compostering plaatsvinden, die op twee manieren kan gebeuren.
Compost 3 
De eerste mogelijkheid – trage compostering – is een doe-het-zelf techniek die uit de doeken wordt gedaan in het “Humanure Handbook”, de populaire praktijkgids van Joseph Jenkins (het boek is gratis te downloaden). Trage compostering gebeurt bij lage temperatuur en duurt in ons klimaat ongeveer een jaar. Voor alle zekerheid wordt de verkregen (geurloze) compost alleen gebruikt voor niet-eetbare planten (bloemen, sierplanten) en voor gewassen waarbij het voedsel niet rechtstreeks met de meststof in aanraking komt (zoals fruitbomen).
Snelle compostering
De tweede manier is compostering bij een hogere temperatuur, die veel sneller gaat en een meststof oplevert die kan worden ingezet voor de teelt van alle voedsel. Dit is een industrieel proces, dat al in verschillende landen met succes wordt toegepast. Interessant is ook dat de eerste stap in het composteringsproces daarbij energie oplevert. 
——————————————————————————————————–
Het bedrijf Orgaworld produceert energie en bodemverbeteraars uit menselijke uitwerpselen en urine
——————————————————————————————————–
Sietz Leeflang verduidelijkt: “In Nederland wordt al sinds enkele jaren met vergunning van de overheid compost gemaakt van menselijke mest. In 2001 werd in Lelystad de Biocel-installatie van het in dat jaar opgerichte composteerbedrijf Orgaworld in gebruik genomen. Sinds 2005 worden volgens een nieuw Nederlands computergestuurd procédé dat dit bedrijf ontwikkelde landelijk ingezamelde luiers (baby- en incontinentieluiers uit de zorgsector) samen met vele andere soorten organisch afval en gft-afval gecomposteerd.”
Compost
(Foto: Tref Group)
“Het proces duurt ongeveer zes weken en verloopt in twee fasen”, vervolgt Leeflang. “Het eerste is anaeroob (zuurstofloos), waarbij door vergisting methaangas vrijkomt dat wordt aangewend in een eigen elektrische centrale. Urine toevoegen kan de kwaliteit van dit proces sterk verhogen. Deze installatie is nu al groot genoeg om circa 4.000 huishoudens van stroom te voorzien. Het daarop volgende, ruim drie weken durende aerobe composteringsproces dat onder voortdurende beluchting plaatsvindt bij temperaturen rond de 65 graden, levert een hoogwaardige compost op. Onderzoek heeft bewezen dat deze compost vrij is van zowel de bekende schadelijke micro-organismen en parasieten, alsook van geneesmiddelenresiduën en hormonen. Orgaworld bouwde intussen twee grote fabrieken in Canada, er worden installaties gebouwd in het Verenigd Koninkrijk en er worden plannen uitgewerkt voor de VS en India.”
Wereldhandel in menselijke mest?
Alle kennis en technologische componenten voor een intelligente behandeling van menselijke afvalstoffen zijn beschikbaar, we moeten dus niet gaan zitten wachten op een of andere nieuwe technologie (al zijn verdere ontwikkelingen natuurlijk niet uitgesloten). Maar afgezien van de gêne die bij het onderwerp hoort, is er nog een probleem.
Compost 2 
(Foto: Tref Group)
In landen zoals België en Nederland eten we vooral voedsel dat in het verre buitenland wordt gekweekt. Dat betekent dat we de natuurlijke meststoffen ook opnieuw naar daar zouden moeten transporteren. Hier kunnen we er immers weinig mee aanvangen. Hetzelfde met onze intensieve veehouderij: die beesten eten voeder dat in andere werelddelen werd gekweekt. Hun mest moet dus in principe terug naar daar (ook in de veehouderij wordt nu alles weggespoeld met water, zodat we dus niet met een “mest”-overschot, maar met een “gier”-overschot zitten).
Dit is geen overkomelijk probleem: er zijn methoden om meststoffen compacter te maken door ze in poeder om te zetten (al uitgevonden door Liernur), zodat ze even makkelijk als kunstmest over de wereld getransporteerd kunnen worden. Maar daardoor wordt het systeem wel energie-intensiever. De fundamentele oplossing is natuurlijk dat we ook de kringloop van lokale voedselproductie herstellen, zodat er nauwelijks transport van meststoffen (en voedingsmiddelen) nodig is.
© Kris De Decker
Sietz Leeflang vertaalt en bewerkt momenteel het 440 pagina’s tellende boek van King naar het Nederlands. Nieuws hierover is binnenkort te vinden op de website van De Twaalf Ambachten.

Nederland als groot agrobusiness park: meer productie van AGF, kringlopen sluiten en het diervriendelijkst

De duurzame conventionele varkensboerderij van mijn geadopteerde ondernemer.

Twee weken geleden ben ik bij mijn geadopteerde veehouder geweest (wie volgt mijn voorbeeld?). Het was bij Annechien een fantastische dag. Veel respect op de manier hoe ze met haar beesten omgaat. Het is een behoorlijk geintegreerd bedrijf waar de fokzeugen en de vleesvarkers in hetzelfde bedrijf zitten. Dit zorgt voor een verlaagde kans op dierenziekte; maar vooral belangrijk is dat er vrijwel geen stress is aangezien de biggen niet vervoerd hoeven te worden.. Annechien heeft zg comfort stallen, dat zijn stallen waar veel van de varkens vrij kunnen rondlopen met meer ruimte dan wettelijk nodig is (een ster vd dierenbescherming). Alleen buitenlopen is er niet bij, wat mij betreft is dat ook niet nodig, daar dat alleen maar de risico’s op de verspreiding van dierenziektes verhoogd.

Daarnaast kweek ze zelf graan voor haar varkens, en komt een groot gedeelte van het voer (=bierborstel) van een reststroom uit de bierindustrie. Verder heeft Annechien een mestvergistingsinstallatie waarin methaan gemaakt wordt. Met het methaan wordt een WKK centrale gevoed; resultaat is bijna 600 kW energie (85% gaat terug naar het stroomnet) en bijna 700 kW warmte op 80 tot 95oC (o.a. voor de stallen en de verwarming van haar huis; spijtig genoeg is er wel wat warmte over). Kortom Annchien heeft een geïntegreerd modern en duurzaam bedrijf. Kan het beter? Vast wel, en dat is dan ook de uitdaging waar we samen onze tanden in gaan zetten. Stap 1 is om in kaart te brengen hoe de complete massa en nutrientenbalans eruitziet van haar bedrijf. Ook ga ik nog vragen of ik van de zomer een weekje stage mag lopen bij haar. To be continued.

Hoe denken de Nederlanders?
En toch is de houding van de gemiddelde Nederlander rondom de ‘intensieve’ veehouderij niet al te positief. Afgelopen week kwam daarbij ook nog eens een pamflet, en wel van een paar honderd professoren. Wat ik er zelf -inhoudelijk en vanuit communicatie- van vind, is te lezen op Foodlog. De professoren denken dat de veehouders en vleesindustrie per definitie slecht is. Eigenlijk adviseren ze dat deze sector dus maar afgebouwd moeten worden. Wat gaat er dan gebeuren? Europeanen gaan echt niet minder vlees eten per persoon (misschien op termijn 10-20% minder). Kortom de productie verplaatst -als we dat onzalige voorstel mogen volgen- naar Oost Europa of wellicht zelfs naar Brazilië (lekker goed voor de FoodMiles). En alle goede investeringen dan, die al reeds in de sector zijn gedaan? In Nederland zijn wee echt al best diervriendelijk (al kan het altijd beter), ASG/WUR heeft de laatste jaren alle onderzoeken naar dier en milieuvriendelijke houderijssystemen uitgevoerd. Dus aan kennis ontbreekt het ons niet. En onze havens Rotterdam en Amsterdam zijn ook gewoon lekker dichtbij. In het kader van de foodmiles zouden we het transport van dit soort bulkproducten naar de rest van Europa (via de boot!) prima kunnen beperken door gewoon al dit diervoer gelijk op te laten eten door onze varkens, geiten, koeien en kippen. Kortom alleen maar argumenten om de vee-sector in Nederland te willen blijven houden.

Is dan alles goed of zijn er toch nog wat uitdagingen? Ja natuurlijk zijn er nog uitdagingen.
– we hebben netto nog steeds een mestprobleem. Met name de mest die uitspoelt in de bodem.
– we importeren grootschalig diervoeding en dus fosfaat (waar een tekort van dreigt) en N, K.
– de nederlandse veehouders zijn niet super rijk en de prijzen zijn relatief laag. Dus veel geld om te investeren is er niet. (maar als maatschappij zijn we wel rijk genoeg).

Nu ik een echte varkenshouder heb geadopteerd, ben ik meer dan ooit aan het nadenken over het eetsysteem in Nederland. Ik geloof zelf al een tijdje niet dat we als land alleen maar van diensten kunnen leven. Ook het ‘echte’ productiewerk zou ik daarom graag behouden in Nederland. De agri-sector speelt daarbij ook op langere termijn een rol, mits we nu een heldere visie neerzetten en beleid daarop gaan maken en volgen. Automatisch krijgen we daar dan ook de agri-food kennis- en innovatiesector bij, met ook plek voor machinebouwerr. En alle deze sectoren kunnen producten blijven exporteren naar de rest van de wereld, wat weer goed is voor onze handel en transport. Wel moeten we samen dan een positieve en geintegreerde toekomstvisie geven. Want alleen positieve visies inspireren, wat is mijn persoonlijke visie? Nederland als een groot geintegreerd agrobusinesspark gaan inrichten, waar voedsel op een duurzame manier wordt gemaakt voor een groot gedeelte van Europa.

Nederland als een groot agrobusinesspark.
Mijn visie is dus: Nederland wordt in de toekomst juist nog meer dan nu de voedingshotspot van Europa. Maar wel een voedingshotspot die nog duurzamer wordt. Nog meer productie? En de prijzen zijn al zo laag, en we hebben al een mestoverschot. Ja, we hebben inderdaad – vind ik- de plicht om de mestkringlopen te gaan sluiten (desnoods door ook een forse extra belasting op kunstmest in te voeren). Maar de oplossing was volgens de professoren toch juist minder vleesproductie? Volgens mij is dat heel erg onverstandig, het leidt alleen maar tot een verplaatsing van de veehouderij naar buiten Nederland. Mijn oplossing is juist om veel meer AGF te gaan verbouwen (ongeveer 50% meer) om de eigen mest overschotten te kunnen absorberen. De AGF-sector is overigens al een eind op weg, maar het kan sneller. En sneller duurzamer is juist iets dat de sector zelf proactief zou kunnen oppakken.

50% meer AGF betekent dat we met een gelijkblijvende veehouderijsector, geen mestoverschot meer hebben. Nederland wordt dan in deze visie eigenlijk een groot agrobusiness park. Alle reststromen uit de voedselverwerkende industrie worden verbruikt, import van kunstmest is niet meer nodig en tevens kunnen we bijna 100 mijoen Eupeanen gaan voeden. Juist deze grootschaligheid biedt ook technologisch en economische perspectieven om een volledige cradle-2-cradle sector te worden. Fantastisch toch? En natuurlijk gaan alle betrokken actoren er voor zorgen dat onze dieren ook in de intensieve veehouderij minimaal op het niveau van een comfortclass zit. Diervriendelijkheid wordt gewoon een randvoorwaarde net zoals voedselveiligheid een randvoorwaarde is, daar praten we ook niet meer over. Dat doen we gewoon. Als tevens alle 8000 varkensboeren ook nog eens per bedrijf 0,5 MW electra maken, dan vergroenen we ook het energie-systeem. (totaal 4000 MW, is 4000x3600x24x357 MJ = 123.033.600.000.000.000 = 123 PetaJoule is ongeveer 10% van onze energiebehoefte in Nederland, en nog groen ook). Alleen maar kansen dus.

Mijn suggesties richting LTO, LNV, PT en de individuele veehouders zijn dan ook:
1- Niet meegaan in de negatief stemming makende sfeer van de 200 professoren en Roos Vonk. Het stuk rammelt inhoudelijk en biedt weinig concrete aanknopingspunten. Als je reageert is dat altijd defensief.
2- Kom met het postieve verhaal. Meer AGF en volledige kringloopsluiting, en diervriendelijk. Kortom Nederland als een groot agrobusinesspark. Maar wees wel realistisch, dit is een 10-15 jaar programma.
3- Geef met zoveel mogelijk voorbeelden aan, dat de dierhouderij als het gaat om diervriendelijkheid haar huiswerk doet, en op de goede weg is. Nederlandse veehouders zijn niet vergelijkbaar met USA mega-stallen. De intensieve veehouderij committeert zich eraan om binnen 10 jaar alle veehouderij systemen minimaal 1 ster vd dierbescherming te laten zijn.
4- Herkenbaarheid van de agri-producten moet op niveau van consumenten sterk worden vergroot. De boercode / kijk of het klopt kan daarbij helpen. Hang de stallen vol met webcams en laat het maar gewoon zien. De uitdaging is om Vion et.al. en de supers te overtuigen. Maar kom wel allemaal ook van je erf af om dit aan je omgeving te laten zien.
5- LTO, ZLOT en de Productschappen ondertekenen een convernant (1) gezamenlijk plicht om de mestkringloop te sluiten, (2) binnen 10 jaar geen kunstmest voor de AGF sector in Nederland. Wat mij betreft wordt dit een addendum op het lopende Verduurzamingsconvenant.
6- Start technologische ontwikkeprogrogammas op rondom (1) mestscheiding en mestopwaardering tot kunstmest, (2) hoe kunnen we fosftaat uit pies en poep halen (van mens en dier). Wel dienen deze projecten gericht op grootschalige demonstraties. Liever geen papier verschuiven, de theoretische kennis is er, nu alleen nog op een goede manier gaan toepassen.

Een paar meer gewaagde suggesties (al staan er hierboven ook wel een paar omstreden voorstellen).
7- De veehouderij sector zou juist kunnen gaan samenwerken met de opkomende bedrijven die vleesvervangers gaan maken. Samen ook in de toekomst ervoor zorgen dat Europa op een duurzame manier eiwitten kan blijven consumeren (als halve paleo aanhanger lijkt me dat wel zo gezond 🙂 ). Dat is de uitdaging. Veehouderij verplaatsen naar Brazilie of Oost Europa is eigenlijk stof onder het tapijt vegen.
8- Het Canadese systeem binnen Europa introduceren. Melk en vlees (en overige bulkproducten) worden verkocht aan een Board in handen van de oveheid. Deze betaald een kostprijs uit aan de boer. Overschotten zijn er niet in Canada, omdat vraag en aanbod afgestemd wordt door de board, doormiddel van Quota, die ze naargelang de vraag kunnen korten of verruimen.
9- Toch maar het eten van vlees een beetje ontmoedigen (1 dagje minder per week?). Dit kan wellicht door de BTW te verhogen naar 19% (en eventueel netzoals bij Benzine een accijns in te voeren).
10- We gaan per continent bijhouden hoe de P,K,N balans in elkaar zit. Stel Europa importeert veel diervoer (en dus P, K, N) en exporteert weinig voedsel naar Zuid Amerika, dan moeten we Zuid Amerika gaan vergoeden voor deze netto import van ‘atomen’. Ook de multinationals zouden aan dit systeem moeten meedoen.
11- i.p.v. suggestie 8, gaan we een electronische schermenhandel invoeren. Een beetje vergelijkbaar met de oude veiling klok.
12- Als we nu algen gaan laten groeien bij rioolwaterzuiveringsinstallaties en deze algen voeren aan gesloten viskwekerijen. De algen eten de P, K, N uit onze poep en plas op. De vissen weer de algen en wij weer de kweekvissen (maar dan wel graag zonder medicijnen!). Dit is dan een win-win We sluiten ook deze kringloop, en we gaan en passant zorgen dat we de overbevissing van de wereldzeeën minimaliseren.

Ik zal maar eindigen met de enige managementregel die ik dagelijks probeer toe te passen: Alles wat je aandacht geeft dat groeit. Zullen we samen aandacht gaan geven aan de visie “Nederland een groot duurzaam Agrobusinesspark”? Ik wordt er al blij van! Adopteer een boer, tuinder of veehouder, zou ik zeggen. En draag tevens een positieve toekomst uit voor deze sector en de toekomst van Nederland. Alleen een positieve visie gaat ervoor zorgen dat we zullen gaan bewegen. Focus op dat wat nu niet goed gaat, zorgt er alleen maar meer voor dat actoren op hun huidige positie blijven zitten (hakken in het zand). En dat is juist niet wat we nodig hebben als we echt ons eetsysteem verder willen gaan verduurzamen. De toekomst kan echt heel mooi zijn.

Aanvulling 16 mei 2010
Enkele slides over fosfaat heb ik op slideshare gezet. Op foodlog komt Jopie met de opmerking dat we juist 20% minder vlees zouden moeten produceren 🙂 .

Aanvulling 27 mei 2010
Mijn stukje over de fosfaatkringloop is inmiddels op Foodlog geplaatst met de fraaie titel “Zolang we poep en pies wegspoelen, hoeven we ook niet biologisch te eten“. Worldmapper is blijft ook interessant. Alle fosfaat data staat verzameld op F4I.

Aanvulling 30 mei 2010
Annechien heeft op het AGD een stukje geschreven over haar confrontatie met Femke Halsema. Ik moet zeggen, dat ook ik vond dat Halsema niet zo sympathiek overkwam. De varkens van Annechien zijn echt wel even gelukkig als ‘biologische’ varkens. Maar zal Halsma wel eens op een grote biologische boerderij geweest zijn?

Aanvulling 31 Juli 2010.
ViN heeft weer eens de aandacht in NOVA met het rapport “Kiloknallers op hongerdieet“. Annechien laat weer eens op een fantastische manier haar boerderij zien. De uitzending is hier te vinden.

Aanvulling 9 juni 2012
Mijn berekening hierboven wellicht een beetje te positief. De energieproductie ligt eerder in de orde grootte van 4-8%. Maar dat is nog steeds veel. Een gemiddelde Nederlander gebruikt ongeveer 6,8kW per persoon x 16.000.000 Nederlanders is 108.800.000 kW = 108800 MW. Varkensboeren kunnen samen 4000 MW maken, kortom 4% van de Nederlandse behoefte. Nu wordt er ook nog 4000 MW aan warmte (warm water) in een WKK gemaakt. Ook daar kan je mooie dingen mee doen. Bijvoorbeeld producten drogen…. Dit is de denklijn bij TOP b.v. 😉 Meer over duurzame energie is hier te vinden.