De toespraak van Robbert Dijkgraaf uit 2017 bij de opening van het academisch jaar aan de Universiteit van Amsterdam roept, zelfs jaren later, nog vragen op over de rol van universiteiten in onze samenleving. In die speech pleitte Dijkgraaf voor een substantiële verhoging van het publieke budget voor universiteiten, met als argument dat dit noodzakelijk is voor de creatieve doorbraken die onze maatschappij zou behoeven. Hoewel dit pleidooi lof kreeg vanuit academische kringen, is het interessant om zijn standpunten kritisch tegen het licht te houden en te plaatsen in een bredere maatschappelijke context.
De belofte van creativiteit
In zijn toespraak benadrukte Dijkgraaf het belang van creativiteit en stelde hij dat universiteiten de bakermat zijn van revolutionaire ideeën. Hij verwees naar iconische figuren als Jules Verne, H.G. Wells en Steve Jobs om zijn punt te onderstrepen. Opmerkelijk genoeg hadden deze individuen weinig te danken aan het academische systeem. Verne en Jobs waren autodidacten, en Wells’ bijdragen aan de wetenschap waren marginaal. Deze discrepantie werpt de vraag op of universiteiten werkelijk zo cruciaal zijn voor baanbrekende ideeën als vaak wordt beweerd. Creativiteit is immers niet exclusief aan een academische context gebonden.
Tegelijkertijd stelde Dijkgraaf dat “kunstenaars de toekomst verbeelden, niet gehinderd door gezond verstand of technische kennis.” Hieruit blijkt een paradox: universiteiten, die zich presenteren als instituten van ratio en methodologie, zouden volgens Dijkgraaf juist moeten investeren in ongebreidelde verbeelding. Maar waarom zou daarvoor een miljard extra belastinggeld nodig zijn? Kunstenaars en dromers hebben eeuwenlang baanbrekend werk geleverd zonder dergelijke middelen.
De grenzen van het academische systeem
Het academische landschap heeft zich in de afgelopen decennia ontwikkeld tot een complex ecosysteem waarin publicatiedruk, top-down beleid en bureaucratie domineren. Dijkgraaf wees in zijn speech op de nadelen van deze factoren, maar ging voorbij aan de rol die de universiteiten zelf spelen in het reproduceren van deze structuren. Innovatie wordt vaak geassocieerd met het losbreken uit vastgeroeste systemen, maar universiteiten lijken juist steeds meer gebonden aan voorspelbare resultaten en beperkte denkkaders.
De kritiek op het huidige systeem gaat verder. Zoals ik eerder heb betoogd, worden universiteiten vaak geconfronteerd met een fundamenteel probleem: het verschil tussen kenniscreatie en waardecreatie (niet te (her)kennen). Hoewel kennis intrinsieke waarde heeft, wordt steeds vaker gevraagd naar de praktische impact van onderzoek. En terecht. De maatschappij investeert miljarden in universiteiten, maar die investering zou niet zonder wederkerigheid mogen zijn. Er moet meer aandacht komen voor de vraag welke faculteiten en onderzoeksgebieden daadwerkelijk bijdragen aan maatschappelijke vooruitgang. Bijvoorbeeld, wat is de concrete meerwaarde van sociale wetenschappen als politicologie of genderstudies ten opzichte van disciplines als techniek, geneeskunde of milieuwetenschappen?
Vrije wetenschap en maatschappelijke verantwoordelijkheid
Een ander belangrijk punt in Dijkgraafs toespraak was zijn pleidooi voor het vrije verkeer van ideeën en mensen. Dit klonk nobel, maar zijn stelling dat dit “door de eeuwen heen alleen maar winst heeft opgeleverd” is historisch discutabel. Migratie en culturele uitwisseling hebben zeker bijgedragen aan vooruitgang, maar ook aan conflicten en verlies van kennis, zoals de Mongoolse invasies of de val van het Romeinse Rijk illustreren. Het is gevaarlijk om historische complexiteit te reduceren tot simplistische slogans, vooral als die dienen om meer publieke middelen te rechtvaardigen.
Daarom is het van cruciaal belang dat de wetenschap niet alleen vrij, maar ook verantwoordelijk is. Dat betekent dat wetenschappers en universiteiten zichzelf moeten afvragen hoe hun werk bijdraagt aan de bredere samenleving. Creatieve doorbraken – als deze er al zijn – zijn waardevol, maar die ontstaan niet door alleen maar meer geld in een systeem te pompen zonder dat er een duidelijke visie is op de bestemming ervan.
Een andere benadering is dus nodig
Wat zou er gebeuren als we Dijkgraafs pleidooi echt creatief interpreteren? Stel dat universiteiten niet langer om meer geld vragen, maar zich richten op interne hervormingen. Hoe kunnen ze efficiënter werken, beter samenwerken met de maatschappij en zich sterker richten op gebieden die tastbare resultaten opleveren? Denk aan multidisciplinair onderzoek naar duurzame landbouw, milieubeheer of nieuwe energiebronnen. Dit soort initiatieven kan direct bijdragen aan maatschappelijke uitdagingen zonder te verzanden in abstracte beloftes.
Een model dat ik eerder heb genoemd, ‘Natuurlijk Agrarisch Beheer‘, is hier een voorbeeld van. Dit combineert wetenschap en praktijk om duurzame landbouw in balans te brengen met natuurbeheer. Zulke projecten tonen aan dat universiteiten veel kunnen bijdragen als ze zich richten op praktische, lokale en multidisciplinaire oplossingen. Dit vraagt echter niet alleen om geld, maar ook om een cultuuromslag binnen de academische wereld.
Niet meer belastinggeld, maar wel een betere visie
Robbert Dijkgraaf’s pleidooi voor meer investeringen in de wetenschap was goedbedoeld, maar mistte diepgang en zelfkritiek. Creativiteit kan inderdaad veel opleveren, maar universiteiten moeten eerst naar binnen kijken om te zien hoe ze effectiever kunnen werken binnen de middelen die ze al hebben. Alleen dan kunnen ze hun rol als drijvende kracht achter maatschappelijke vooruitgang waarmaken. Een betere zelf, zoals Dijkgraaf beloofde, begint niet met meer belastinggeld, maar met een betere visie.