Het Nederlandse politieke landschap anno 2025: een analyse van vervreemding, versplintering en verloren achterbannen. #MIDDEN.

Over enkele maanden zijn er opnieuw verkiezingen in Nederland. En opnieuw zal een belangrijk deel van de kiezers zich afvragen: Op wie moet ik in vredesnaam stemmen? Wat ontbreekt, is niet zozeer aanbod, maar vertrouwen. We hebben een overdaad aan partijen, maar een schrijnend tekort aan herkenbare visie, bestuurlijke degelijkheid en daadwerkelijke binding met de werkende en denkende Nederlander van vandaag. De versnippering van het politieke landschap is niet alleen een gevolg van polarisatie of mediafragmentatie, maar vooral van partijen die hun traditionele kiezers zijn kwijtgeraakt – en daar tot op heden geen overtuigend antwoord op hebben gevonden.

De teloorgang van de traditionele volkspartijen

Het politieke landschap is in de afgelopen twintig jaar fundamenteel veranderd. De grote middenpartijen – VVD, CDA, PvdA – waren ooit geworteld in herkenbare doelgroepen. Ze hadden een band met het maatschappelijk middenveld, vakbonden, kerken, boerenorganisaties, of het georganiseerde bedrijfsleven. Maar sinds de jaren 2000 zijn deze partijen losgezongen geraakt van hun fundament. Ze zijn verworden tot vage bestuursclubs met een technocratische uitstraling, die meer gericht lijken op Europese beleidsagenda’s, lobbygroepen of juridische procedures dan op de bezorgdheden van de gewone Nederlander.

In een interview bij De Nieuwe Wereld beschreef journalist en commentator Syb Wynia deze ontwikkeling op kenmerkende wijze: als partijen hun ‘core business’ – hun achterban – verwaarlozen, dan is de leegloop onvermijdelijk. Dat geldt volgens hem voor alle drie de traditionele grote partijen.

  • De VVD had het momentum aan haar zijde. In een geseculariseerd, verstedelijkt Nederland met een brede middenklasse en veel zelfstandigen, kon de partij uitgroeien tot de dominante bestuurspartij. Maar het pragmatisme van Mark Rutte sloeg om in pure opportunistische leegte. De partij verloor haar ideologische ankers en joeg zowel haar klassiek-liberale als conservatief-libertaire achterban voor het blok. Een deel ging naar de PVV, anderen naar Forum, JA21 of de BBB. En nu Rutte vertrokken is, dreigt de partij uiteen te vallen in ideologische richtingen die onderling slecht verenigbaar zijn.
  • Het CDA, ooit de partij van het platteland en de christelijke zuilen, heeft zichzelf al eerder opgeblazen. Door de partij van boeren, gezinnen en lokale gemeenschappen te verruilen voor een progressief, Randstedelijk profiel, sloeg het de plank volledig mis. Leiders als Hugo de Jonge probeerden van het CDA een sociaal-liberale stadspartij te maken, terwijl de partijbasis juist op het platteland en in de regio lag. Ook Pieter Omtzigt, die wél geloofwaardig bleef voor deze achterban, werd jarenlang tegengewerkt. De afrekening kwam in de vorm van electorale implosie.
  • De PvdA, tot slot, verloor haar bestaansreden toen ze haar band met de werkende klasse verloor. De partij werd steeds meer de spreekbuis van hogeropgeleide ambtenaren, academici en beleidsdenkers. Ze raakte verstrikt in abstracte thema’s als klimaat, gendergelijkheid en internationale solidariteit – thema’s die zeker van belang zijn, maar onvoldoende om de sociaal-economische zorgen van haar oorspronkelijke achterban te adresseren. Tegenwoordig is de PvdA meer een klimaatactivistische beleidsclub geworden dan een partij van de bakker, de verpleegkundige of de magazijnmedewerker.

Een gefuseerde elitepartij?

De fusie tussen PvdA en GroenLinks bevestigt die koers. Beide partijen delen een hoogopgeleid, stedelijk electoraat. Ze hebben een sterk moreel kompas, maar dat kompas is in toenemende mate losgezongen van de dagelijkse realiteit van veel burgers. Hun opstelling rond het Israël-Gaza-conflict, het stikstofbeleid en de energietransitie getuigt van ideologische zuiverheid, maar vaak weinig pragmatisme. De focus op abstracte morele waarden kan aanvoelen als een nieuwe vorm van secularistische zendingsdrang, waarbij wie twijfelt, wordt weggezet als ‘onwetend’ of ‘reactionair’.

Veel mensen uit de oude PvdA-achterban – zoals mijn vader en schoonouders – voelen zich dan ook niet langer thuis bij deze partij. Ze kiezen liever voor partijen die hun zorgen serieus nemen over zorg, wonen, veiligheid, energieprijzen en migratie. In plaats van bruggenbouwers zijn de linkse partijen vaak verworden tot moralistische burchten.

Het nieuwe midden en de electorale ontheemding

Waar blijft de Nederlander die zich niet extreem voelt, maar wel zorgen maakt? Die niet per se links of rechts is, maar wel wil dat wonen, voedsel, gezondheidszorg en energie betaalbaar blijven? Die vindt dat boeren en bedrijven moeten verduurzamen, maar ook willen blijven bestaan? Die kritisch is op migratie en oorlogen, maar niet uit haat – eerder uit gezond verstand en een verlangen naar sociale stabiliteit?

Voor deze gemiddelde Nederlander is er op dit moment geen duidelijke thuisbasis. NSC had die positie kunnen innemen, maar stelde teleur door onduidelijk leiderschap en gebrek aan interne samenhang. D66 is nog altijd een partij van kosmopolitische idealen, die amper weet wat er speelt in Zwolle, Helmond of Emmen. De BBB raakt na de piek in 2023 haar glans kwijt. En nieuwkomers als Volt of BIJ1 spreken slechts niches aan.

De PVV daarentegen blijft stabiel groot. Niet alleen vanwege Wilders’ standpunten, maar vooral omdat hij – terecht of onterecht – gezien wordt als iemand die spreekt namens mensen die zich vergeten voelen. Wie zich afgewezen voelt door bestuur, media en instituties, vindt bij Wilders een luisterend oor. Zijn kracht zit niet in zijn oplossingen, maar in zijn positionering: tegen het systeem.

Wat nu?

We bevinden ons in een periode van politieke herverkaveling. De vraag is of er een nieuwe, geloofwaardige middenbeweging kan opstaan die de inhoudelijke zorgen van brede bevolkingsgroepen serieus neemt – zonder te vervallen in opportunisme of ideologie. Een nette, progressieve, realistische middencoalitie zou dat kunnen zijn. Maar zo’n coalitie vereist leiders met visie, moed en gevoel voor de Nederlandse samenleving in haar geheel.

Misschien is het tijd dat politici minder naar zichzelf kijken, en meer luisteren. Niet alleen naar de data, maar ook naar de verhalen. Naar de zorgen van mensen die hard werken, belasting betalen, hun kinderen naar school brengen, hun ouders verzorgen, zich zorgen maken over de toekomst – en verlangen naar een bestuur dat hen ziet.

Voor wie stemmen we deze keer? Misschien weten we het pas als er opnieuw iemand opstaat die wél het gesprek aandurft met het land zoals het echt is – niet zoals het in beleidsnotities staat.

Geef een reactie