1. Inleiding
De Nederlandse natuurgebieden zoals we die vandaag kennen zijn het resultaat van een eeuwenlange wisselwerking tussen mens, dier en landschap. Wat voor veel mensen een onaangetast natuurlijk landschap lijkt, is in werkelijkheid een door mensenhanden gevormd cultuurlandschap met een rijke historie. Binnen deze complexe relatie tussen mens en natuur hebben schapen een bijzondere en vaak onderschatte rol gespeeld. Gedurende meer dan duizend jaar hebben deze dieren niet alleen het landschap van de Veluwe en andere natuurgebieden in Nederland letterlijk vormgegeven, maar ook een cruciale functie vervuld in de nutriëntenkringloop die de basis vormde voor de landbouw op de arme zandgronden.
De Veluwe, een van Nederlands grootste natuurgebieden, was ooit een uitgestrekt boslandschap. Rond het jaar 800 n.Chr. bood dit gebied voldoende voedsel voor zowel wild als vee (De Heij, 2022). In de eeuwen die volgden, transformeerde dit bosrijke gebied geleidelijk tot een open heidelandschap, een verandering die grotendeels werd veroorzaakt door menselijk ingrijpen en de introductie van schaapskuddes. Deze transformatie was geen toevallige ontwikkeling, maar het resultaat van een doordacht landbouwsysteem dat optimaal gebruik maakte van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen.
De potstalcultuur, een landbouwsysteem waarbij schapen fungeerden als transporteurs van nutriënten van de heide naar de akkers, vormde eeuwenlang de ruggengraat van de agrarische economie op de zandgronden. Dit systeem had als neveneffect dat de heidegebieden steeds verder verschraalden, wat uiteindelijk leidde tot een uniek cultuurlandschap met een hoge biodiversiteit. De schapen vervulden hierin een dubbele rol: enerzijds hielden ze door hun graasgedrag de heide open en voorkwamen ze verbossing, anderzijds zorgden ze voor een constante afvoer van nutriënten, met name stikstof, wat essentieel was voor het behoud van de karakteristieke heidevegetatie.
De introductie van kunstmest aan het einde van de 19e eeuw maakte dit ingenieuze systeem overbodig, wat leidde tot een drastische afname van het aantal schapen en een fundamentele verandering in het landgebruik. Veel heidegebieden verdwenen, werden bebost of omgezet in landbouwgrond, en daarmee verdween ook een deel van de biodiversiteit die afhankelijk was van dit landschapstype. Pas in de tweede helft van de 20e eeuw kwam er hernieuwde aandacht voor de ecologische waarde van heidegebieden en de rol die schapen kunnen spelen in het beheer ervan.
In dit artikel wordt de historische en ecologische rol van schapen op de Veluwe en andere Nederlandse natuurgebieden in detail onderzocht. We beginnen met een historische schets van de ontwikkeling van het landschap, gevolgd door een analyse van de ecologische impact van schapenbegrazing. Vervolgens wordt dieper ingegaan op de stikstofkringloop en de kwantificering van stikstofstromen, waarbij we berekenen hoeveel stikstof historisch werd onttrokken per schaap en per hectare. Ook wordt een inschatting gemaakt van het oppervlak van de Veluwe en andere heidegebieden in Nederland, zowel historisch als in de huidige situatie.
Een belangrijk aspect van dit artikel is de berekening van het aantal schapen of andere grote grazers dat nodig zou zijn om de huidige stikstofdepositie van ongeveer 20 kilogram per hectare te compenseren. Deze berekening biedt niet alleen een interessant historisch perspectief, maar kan ook waardevolle inzichten opleveren voor het huidige natuurbeheer en de aanpak van de stikstofproblematiek.
Tot slot worden de implicaties van deze historische en ecologische analyse besproken voor het moderne natuurbeheer, waarbij de lessen uit het verleden worden vertaald naar praktische aanbevelingen voor de toekomst. De centrale vraag hierbij is hoe de historische rol van schapen in het landschapsbeheer ons kan helpen bij het ontwikkelen van duurzame beheermethoden voor de natuurgebieden van vandaag en morgen.
Dit artikel beoogt niet alleen een wetenschappelijke analyse te bieden van de rol van schapen in het Nederlandse landschap, maar ook een eerbetoon te zijn aan een eeuwenoude traditie die heeft bijgedragen aan de vorming van ons culturele en natuurlijke erfgoed. Door het verleden te begrijpen, kunnen we betere keuzes maken voor de toekomst van onze natuurgebieden en de biodiversiteit die zij herbergen.
2. Historische ontwikkeling van de Veluwe en andere natuurgebieden
2.1 De Veluwe rond 800 n.Chr.: een boslandschap
Wanneer we teruggaan naar het jaar 800 n.Chr., zouden we een Veluwe aantreffen die nauwelijks te herkennen is voor de moderne bezoeker. In plaats van de uitgestrekte heidevelden en stuifzanden die lange tijd het beeld van de Veluwe bepaalden, was het gebied destijds voornamelijk bedekt met dichte bossen. “Rond het jaar 800 was de Veluwe een bos-landschap met genoeg eten voor wild en vee,” schrijft Wouter de Heij (2022) in zijn historische analyse van het gebied. Deze bossen bestonden voornamelijk uit eiken, berken en dennen, aangepast aan de relatief arme zandgronden die kenmerkend zijn voor de regio.
De bewoning in deze periode was schaars en geconcentreerd in kleine nederzettingen aan de randen van het gebied, waar de grond vruchtbaarder was en water gemakkelijker toegankelijk. De centrale delen van de Veluwe waren grotendeels onontgonnen en werden voornamelijk gebruikt voor extensieve beweiding van vee en voor de jacht. De impact van de mens op het landschap was in deze periode nog relatief beperkt, hoewel er al wel sprake was van kleinschalige ontginningen voor landbouw en beweiding (Spek, 2004).
Archeologische vondsten tonen aan dat schapen al sinds ongeveer 5000 v.Chr. in Nederland voorkomen, nadat ze rond 7500 v.Chr. in het Midden-Oosten waren gedomesticeerd (Schapenrassen.com, 2024). In de vroege middeleeuwen speelden schapen echter nog geen dominante rol in het landschapsbeheer van de Veluwe. Ze maakten deel uit van een gemengde veestapel, waarbij runderen en varkens vaak een belangrijkere economische functie hadden. Runderen werden gehouden voor melk, vlees en als trekdier, terwijl varkens werden gehoed in de eikenbossen waar ze zich voedden met eikels en andere bosvruchten.
2.2 Middeleeuwse ontginningen en het ontstaan van heidevelden
De grote transformatie van de Veluwe van een bosrijk gebied naar een open heidelandschap begon in de volle middeleeuwen (1000-1300 n.Chr.) en versnelde in de late middeleeuwen (1300-1500 n.Chr.). Deze verandering was het gevolg van een combinatie van factoren, waaronder bevolkingsgroei, toenemende vraag naar landbouwgrond en de ontwikkeling van nieuwe landbouwtechnieken.
De Heij (2022) beschrijft dit proces als volgt: “In de eeuwen erna brandde men stukken bos af en doordat men akkerbouw ging bedrijven werd de grond schraler waardoor meer heide ontstond.” Deze praktijk van het afbranden van bos om ruimte te maken voor landbouw, bekend als slash-and-burn agriculture of zwerflandbouw, was een veelgebruikte methode in deze periode. Na enkele jaren van intensieve landbouw raakte de bodem uitgeput, waarna het gebied werd verlaten en nieuwe stukken bos werden ontgonnen.
De uitgeputte landbouwgronden ontwikkelden zich vervolgens tot heidevelden, die werden beweid door schapen. Deze beweiding voorkwam dat de gebieden opnieuw zouden verbossen en hield het heidelandschap in stand. Naarmate meer bos werd ontgonnen en de bevolking groeide, nam ook het aantal schapen toe. Tegen het einde van de middeleeuwen waren grote delen van de Veluwe getransformeerd van bos naar heide.
Een belangrijke ontwikkeling in deze periode was de opkomst van de wolhandel. De wol van schapen werd een waardevol exportproduct, wat leidde tot een verdere toename van het aantal schapen. Historische bronnen vermelden dat er in 1526 alleen al op de Veluwe meer dan 100.000 schapen rondliepen (Mijn Gelderland, 2024). Deze grote kuddes hadden een significante impact op het landschap, niet alleen door hun graasgedrag maar ook door de toenemende behoefte aan stalruimte en de daarmee samenhangende vraag naar heideplaggen.
2.3 De potstalcultuur en het gebruik van schapenmest
De middeleeuwse landbouw op de zandgronden van de Veluwe en andere delen van Nederland kampte met een fundamenteel probleem: de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem was laag, en zonder bemesting konden er geen goede oogsten worden behaald. De oplossing voor dit probleem werd gevonden in de potstalcultuur, een ingenieus systeem waarbij schapen een centrale rol speelden.
In dit systeem werden schapen overdag geweid op de heide, waar ze zich voedden met de schrale vegetatie. ’s Nachts werden ze ondergebracht in potstallen, waar hun mest werd opgevangen op een bed van heideplaggen. Deze plaggen, dunne plakken organisch materiaal die van de heide werden gestoken, absorbeerden de urine en vermengden zich met de mest. Na verloop van tijd werd dit mengsel van mest en plaggen uit de stal gehaald en over de akkers verspreid als bemesting.
De Schaapskudde Epe-Heerde (2024) beschrijft dit proces als volgt: “De heideplaggen werden in de potstallen gebruikt als strooisel voor het vee. Plaggen vermengd met mest werden daarna als meststof op de akkers gebracht.” Dit systeem zorgde voor een constante afvoer van nutriënten van de heidegebieden naar de akkers, wat resulteerde in een verdere verschraling van de heide en een verrijking van de akkers.
Het belang van deze potstalcultuur voor de landbouw op de zandgronden kan nauwelijks worden overschat. Zonder deze vorm van bemesting zou duurzame landbouw op deze arme gronden vrijwel onmogelijk zijn geweest. De potstallen waren dan ook een essentieel onderdeel van de boerenbedrijven op de Veluwe en andere zandgebieden. “Ook onze schaapskooi is een potstal,” vermeldt de Schaapskudde Epe-Heerde (2024). “We mengen de mest met stro. De bodem ligt een stuk dieper, wat alleen te zien is als alle mest is verwijderd. Dat gebeurt zo eens in de twee, drie jaar.”

2.4 De rol van plaggen in het landschapsbeheer
Het afplaggen van de heide was niet alleen belangrijk voor de potstalcultuur, maar had ook een significante impact op het landschap en de ecologie van de heidegebieden. Door het regelmatig verwijderen van de bovenste laag organisch materiaal werd de bodem verder verschraald, wat gunstig was voor de heidevegetatie die is aangepast aan nutriëntarme omstandigheden.
Onderzoek van Niemeijer et al. (2007) laat zien dat het afplaggen van de organische bovenlaag van de heide (de bovenste A-horizont) jaarlijks ongeveer 1000 tot 1100 kilogram stikstof per hectare verwijderde. Dit is een enorme hoeveelheid, zeker in vergelijking met de huidige stikstofdepositie van ongeveer 20 kilogram per hectare per jaar. Het afplaggen was dus een zeer effectieve methode om de heide te verschralen en de dominantie van heidesoorten te bevorderen ten opzichte van grassen en andere planten die beter gedijen in voedselrijkere omstandigheden.
Het plaggen was echter een arbeidsintensieve activiteit die een aanzienlijke impact had op het landschap. De plaggen werden met speciale werktuigen, zoals de plaggenzicht of plaggenhak, van de heide gestoken. Dit gebeurde meestal in de nazomer of herfst, wanneer de heide in bloei stond en het organisch materiaal het rijkst was aan nutriënten. De plaggen werden vervolgens naar de potstallen gebracht, waar ze als strooisel dienden voor de schapen.
De intensiteit van het plaggen varieerde afhankelijk van de lokale omstandigheden en behoeften. In sommige gebieden werd de heide eens in de 10-20 jaar geplagd, in andere gebieden kon dit oplopen tot eens in de 30-40 jaar. Deze variatie in plagfrequentie droeg bij aan de diversiteit van het heidelandschap, met verschillende successiestadia van heidevegetatie naast elkaar.
2.5 De situatie rond 1860: maximale uitbreiding van de heide
De periode rond 1860 markeert het hoogtepunt van de heide-economie op de Veluwe en andere zandgebieden in Nederland. In deze tijd had de heide haar maximale uitbreiding bereikt, en was het aantal schapen op zijn hoogst. Rond 1860, vóór de opkomst van kunstmest, waren er in Drenthe circa 140.000 schapen, wat neerkomt op een dichtheid van 1,1 schaap per hectare heide (Zom, 2024). Vergelijkbare dichtheden kunnen worden aangenomen voor de Veluwe en andere heidegebieden in Nederland.
Deze grote aantallen schapen waren essentieel voor de landbouweconomie van die tijd. Ze leverden niet alleen mest voor de akkers, maar ook wol voor de textielindustrie en vlees voor consumptie. De schapen werden gehoed door herders, die met hun kuddes over de heide trokken en ervoor zorgden dat de dieren gelijkmatig over het gebied werden verspreid.
Het heidelandschap van die tijd was veel uitgestrekter dan wat we nu kennen. Grote delen van de Veluwe, maar ook van Drenthe, Noord-Brabant en andere zandgebieden in Nederland, bestonden uit open heide met hier en daar wat verspreide bomen en struiken. Deze uitgestrekte heidevelden werden doorsneden door schaapsdriften, paden waarlangs de kuddes zich verplaatsten van de dorpen naar de heide en terug.
De biodiversiteit van deze heidegebieden was hoog, met een mozaïek van verschillende vegetatietypen en successiestadia. Naast de dominante struikheide (Calluna vulgaris) en dopheide (Erica tetralix) kwamen er tal van andere plantensoorten voor, evenals een rijke fauna van insecten, reptielen, vogels en kleine zoogdieren. Deze biodiversiteit was het resultaat van eeuwen van menselijk beheer, waarbij de combinatie van begrazing en plaggen had geleid tot een uniek cultuurlandschap.

2.6 De komst van kunstmest en de verandering van het landschap
De introductie van kunstmest aan het einde van de 19e eeuw leidde tot een revolutie in de landbouw en had verstrekkende gevolgen voor het heidelandschap en de schapenhouderij. Kunstmest maakte de potstalcultuur overbodig, waardoor de economische waarde van schapen als mestleveranciers sterk afnam.
De Schaapskudde Epe-Heerde (2024) beschrijft deze ontwikkeling als volgt: “Door de komst van kunstmest in het begin van de vorige eeuw werden schapen min of meer overbodig als leveranciers van mest. Ze werden vanaf die periode voornamelijk voor de wol en het vlees gehouden.” Deze verschuiving in de economische functie van schapen leidde tot een drastische afname van het aantal dieren op de heide.
Tegelijkertijd werden veel heidegebieden omgezet in andere vormen van landgebruik. Grote delen werden bebost, deels voor de houtproductie en deels om stuifzanden te beteugelen. Andere delen werden ontgonnen voor de landbouw, een proces dat werd vergemakkelijkt door de beschikbaarheid van kunstmest. De Hogeveluwe (2024) beschrijft dit proces als volgt: “Met de komst van kunstmest, werd de heide nauwelijks meer gebruikt voor beweiding en plaggen. Daardoor veranderde het landschap door aanplant van bomen en de natuurlijke bosontwikkeling vanaf het einde van de negentiende eeuw weer langzaam in een bosgebied.”
Deze transformatie van het landschap had grote gevolgen voor de biodiversiteit. Veel soorten die afhankelijk waren van het open heidelandschap raakten bedreigd of verdwenen lokaal. Het Veluws Heideschaap, dat specifiek was aangepast aan de schrale omstandigheden op de heide, verdween halverwege de 19e eeuw nagenoeg toen de noodzaak van stalmest verdween (Mijn Gelderland, 2024).
De bebossing van de heide leidde tot een fundamentele verandering in het karakter van de Veluwe. Van een open heidelandschap transformeerde het gebied geleidelijk weer naar een bosrijk gebied, zij het met een andere samenstelling dan het oorspronkelijke bos. De nieuwe bossen bestonden vaak uit monoculturen van grove den of andere commercieel waardevolle soorten, aangeplant in rechtlijnige percelen voor de houtproductie.
Pas in de tweede helft van de 20e eeuw kwam er hernieuwde aandacht voor de ecologische en cultuurhistorische waarde van heidegebieden. In de jaren vijftig kwam het Veluws Heideschaap weer onder de aandacht om heide te onderhouden voor natuurbehoud (Mijn Gelderland, 2024). Deze hernieuwde interesse in schapenbegrazing als beheermethode markeerde het begin van een nieuwe fase in de relatie tussen schapen en het Nederlandse landschap, waarbij natuurbehoud en cultuurhistorie centraal stonden in plaats van landbouweconomische overwegingen.
3. De ecologische rol van schapen in natuurgebieden
3.1 Schapen als landschapsbeheerders
Schapen hebben eeuwenlang een onmisbare rol gespeeld als landschapsbeheerders op de Veluwe en andere natuurgebieden in Nederland. Hun invloed op het landschap is zo fundamenteel dat we kunnen stellen dat zonder schapen de karakteristieke heidevelden zoals we die kennen nooit zouden hebben bestaan. “Schaapskuddes zijn eeuwenlang een onmisbaar onderdeel geweest van het Nederlandse heidelandschap,” stelt Stikstofinfo.net (2024). Deze stelling wordt ondersteund door talrijke historische bronnen en ecologische studies die de impact van schapenbegrazing op het landschap hebben onderzocht.
De rol van schapen als landschapsbeheerders is tweeledig. Enerzijds hebben ze door hun graasgedrag een directe invloed op de vegetatiestructuur en -samenstelling, anderzijds spelen ze een cruciale rol in de nutriëntenkringloop door de afvoer van stikstof en andere voedingsstoffen van de heide naar de potstallen.
Het graasgedrag van schapen is selectief: ze hebben een voorkeur voor bepaalde plantensoorten en vegetatiestructuren. Op de heide consumeren ze bij voorkeur jonge scheuten van grassen, kruiden en opslag van bomen en struiken, terwijl ze volwassen heidestruiken grotendeels met rust laten. Dit selectieve graasgedrag heeft een belangrijke invloed op de concurrentieverhoudingen tussen verschillende plantensoorten. Door het begrazen van potentieel dominante grassen en kruiden, die in voedselrijkere omstandigheden de heide zouden kunnen verdringen, creëren schapen gunstige omstandigheden voor de heidevegetatie.
Daarnaast zorgen schapen voor een zekere mate van verstoring van de bodem door betreding. Deze verstoring creëert microsites waar zaden kunnen kiemen en nieuwe planten zich kunnen vestigen. Ook dragen schapen bij aan de verspreiding van zaden, die aan hun vacht blijven hangen of via hun mest worden verspreid. Deze processen dragen bij aan de dynamiek en diversiteit van het heidelandschap.
De impact van schapen op het landschap wordt verder versterkt door het traditionele systeem van gescheperde kuddes, waarbij een herder met zijn kudde over de heide trekt. Dit systeem zorgt voor een meer gelijkmatige begrazing van het gebied en voorkomt overbegrazing op bepaalde plekken. De herder stuurt de kudde actief naar delen van de heide die begrazing nodig hebben en houdt de dieren weg van kwetsbare gebieden of gebieden die rust nodig hebben om te herstellen.
In de moderne natuurbeheercontext worden schaapskuddes nog steeds ingezet als beheermaatregel, zij het met een andere primaire doelstelling dan in het verleden. Waar schapen vroeger vooral werden gehouden voor economische doeleinden (mest, wol, vlees), staat nu het behoud van het heidelandschap en de daaraan gebonden biodiversiteit centraal. Desondanks blijft het principe hetzelfde: schapen fungeren als beheerders van het landschap door hun selectieve graasgedrag en hun rol in de nutriëntenkringloop.
3.2 Begrazing en het tegengaan van vergrassing
Een van de belangrijkste ecologische functies van schapen op de heide is het tegengaan van vergrassing. Vergrassing is een proces waarbij grassen zoals pijpenstrootje (Molinia caerulea) en bochtige smele (Deschampsia flexuosa) de overhand krijgen ten koste van de karakteristieke heidevegetatie. Dit proces wordt versterkt door stikstofdepositie uit de lucht, die de concurrentiepositie van grassen verbetert ten opzichte van heidesoorten die zijn aangepast aan nutriëntarme omstandigheden.
Stikstofinfo.net (2024) beschrijft dit proces als volgt: “Schapen begrazen jonge boompjes en grassen en voorkomen zo dat de heide dichtgroeit. Zonder deze natuurlijke begrazing vergrast en verbost het gebied, wat negatieve gevolgen heeft voor de biodiversiteit.” Deze observatie wordt ondersteund door talrijke ecologische studies die hebben aangetoond dat schapenbegrazing een effectieve methode is om vergrassing tegen te gaan en de heidevegetatie te bevorderen.
Het mechanisme hierachter is tweeledig. Ten eerste hebben schapen, zoals eerder vermeld, een voorkeur voor grassen boven volwassen heidestruiken. Door selectief te grazen op grassen, verminderen ze de concurrentiedruk op de heidevegetatie. Ten tweede dragen schapen bij aan de afvoer van stikstof uit het systeem, wat de voedselrijkdom van de bodem vermindert en daarmee de concurrentiepositie van heidesoorten verbetert.
De effectiviteit van schapenbegrazing in het tegengaan van vergrassing hangt af van verschillende factoren, waaronder de begrazingsintensiteit, het begrazingspatroon en de initiële staat van de vegetatie. Een te lage begrazingsdruk kan onvoldoende zijn om vergrassing tegen te gaan, terwijl een te hoge begrazingsdruk kan leiden tot overbegrazing en degradatie van de heidevegetatie. Het vinden van de juiste balans is een belangrijke uitdaging voor natuurbeheerders.
In de traditionele heide-economie werd deze balans gewaarborgd door het systeem van gescheperde kuddes, waarbij de herder de begrazingsintensiteit en het begrazingspatroon actief stuurde. In de moderne natuurbeheercontext wordt vaak gewerkt met een combinatie van gescheperde kuddes en tijdelijke rasters, waarbij delen van de heide tijdelijk intensiever worden begraasd om vergrassing tegen te gaan.
Naast schapenbegrazing worden ook andere beheermaatregelen ingezet om vergrassing tegen te gaan, zoals maaien, branden en plaggen. Deze maatregelen hebben elk hun eigen voor- en nadelen, en de keuze voor een bepaalde beheermethode hangt af van de specifieke omstandigheden en doelstellingen. In veel gevallen wordt gekozen voor een combinatie van verschillende methoden, waarbij schapenbegrazing een belangrijke component is vanwege de relatief lage impact op de bodem en de fauna, en de bijdrage aan het behoud van het cultuurhistorische landschap.
3.3 Biodiversiteit en heidebehoud
De relatie tussen schapenbegrazing en biodiversiteit is complex en multidimensionaal. Aan de ene kant draagt schapenbegrazing bij aan het behoud van het heidelandschap, dat op zich een hoge biodiversiteitswaarde heeft. Aan de andere kant heeft begrazing ook directe effecten op de flora en fauna, die zowel positief als negatief kunnen zijn afhankelijk van de intensiteit en het patroon van begrazing.
Het heidelandschap herbergt een unieke biodiversiteit die is aangepast aan de specifieke omstandigheden van nutriëntarme bodems en een open vegetatiestructuur. Veel van deze soorten zijn zeldzaam geworden of zelfs bedreigd door het verdwijnen van heidegebieden en de verandering van de resterende gebieden door stikstofdepositie en andere factoren. Het behoud van deze biodiversiteit is een belangrijke doelstelling van het moderne natuurbeheer.
Schapenbegrazing draagt op verschillende manieren bij aan het behoud van de biodiversiteit op de heide. Ten eerste helpt het bij het in stand houden van de open vegetatiestructuur die kenmerkend is voor heidegebieden. Deze openheid is essentieel voor veel karakteristieke heidesoorten, zoals de zandhagedis, de levendbarende hagedis, verschillende soorten vlinders en tal van insectensoorten.
Ten tweede creëert schapenbegrazing een mozaïek van verschillende vegetatiestructuren en successiestadia, wat de habitatdiversiteit vergroot. Deze heterogeniteit is gunstig voor de biodiversiteit, omdat verschillende soorten verschillende niches kunnen bezetten binnen het landschap. Een gevarieerd heidelandschap biedt ruimte aan soorten die open zand nodig hebben, soorten die gedijen in jonge heide, soorten die afhankelijk zijn van oudere heidestruiken, en soorten die leven in de overgangszones tussen verschillende vegetatietypen.
Ten derde draagt schapenbegrazing bij aan de verspreiding van zaden en de creatie van kiemingsmogelijkheden voor planten. Zaden kunnen aan de vacht van schapen blijven hangen en zo over grote afstanden worden verspreid. Daarnaast zorgt de betreding door schapen voor kleine verstoringen in de bodem, waar zaden kunnen kiemen en nieuwe planten zich kunnen vestigen. Deze processen dragen bij aan de genetische uitwisseling tussen plantenpopulaties en aan de dynamiek van het heidelandschap.
De impact van schapenbegrazing op de biodiversiteit is echter niet altijd positief. Een te hoge begrazingsdruk kan leiden tot overbegrazing en degradatie van de heidevegetatie, wat negatieve gevolgen heeft voor de biodiversiteit. Ook kunnen bepaalde kwetsbare soorten direct worden beïnvloed door begrazing, bijvoorbeeld doordat hun nesten of leefgebieden worden verstoord. Het is daarom belangrijk om de begrazingsintensiteit en het begrazingspatroon zorgvuldig af te stemmen op de specifieke omstandigheden en doelstellingen.
In de traditionele heide-economie werd de begrazingsdruk gereguleerd door de beschikbaarheid van voedsel en de economische waarde van schapen. In de moderne natuurbeheercontext wordt de begrazingsdruk actief gestuurd door natuurbeheerders, die streven naar een optimale balans tussen het behoud van het heidelandschap en de bescherming van kwetsbare soorten.
3.4 De stikstofcyclus en schapen
De rol van schapen in de stikstofcyclus van heidegebieden is een van de meest fascinerende aspecten van hun ecologische impact. Stikstof is een essentieel nutriënt voor plantengroei, maar in overmaat kan het leiden tot vergrassing en verlies van biodiversiteit in heidegebieden. Schapen spelen een belangrijke rol in het reguleren van de stikstofbalans door de afvoer van stikstof via mest, urine en wol.
In de traditionele heide-economie fungeerden schapen als transporteurs van stikstof van de heide naar de akkers. Overdag graasden ze op de heide, waar ze stikstof opnamen via het consumeren van planten. ’s Nachts werden ze ondergebracht in potstallen, waar hun mest en urine werden opgevangen op een bed van heideplaggen. Dit mengsel van mest, urine en plaggen werd vervolgens gebruikt om de akkers te bemesten. Dit systeem zorgde voor een netto afvoer van stikstof van de heide naar de akkers, wat bijdroeg aan de instandhouding van de nutriëntarme omstandigheden die kenmerkend zijn voor heidevegetaties.
Zom (2024) heeft deze stikstofbalans gekwantificeerd voor een Drents heideschaap. Een schaap van 60 kilogram, met gemiddeld 1,5 lam per ooi en een jaarlijkse productie van 3 kilogram wol, kan ongeveer 2 kilogram stikstof per jaar vastleggen in dierlijk weefsel. Om dit te bereiken, consumeert een schaap jaarlijks ongeveer 580 kilogram droge stof, waarvan 12% ruw eiwit bevat. Dit komt neer op een opname van 69,9 kilogram ruw eiwit, gelijk aan 11,2 kilogram stikstof per schaap per jaar.
Van deze 11,2 kilogram stikstof wordt slechts 7,3 kilogram verteerd en opgenomen door het dier. Hiervan wordt 2 kilogram vastgelegd in weefsels, terwijl de rest wordt uitgescheiden: 5,3 kilogram via urine en 3,9 kilogram via mest. Schapen die in gescheperde kuddes worden gehouden, brengen ongeveer tweederde van hun tijd door in de stal en de rest op de heide. Dit betekent dat er jaarlijks 6,2 kilogram stikstof (urine en mest) van de heide naar de stal wordt overgebracht.
De aanwezigheid van schapen leidt ook tot lokale stikstofbelastingen op de heide, met name door urineren. Onderzoek van Fottner et al. (2007) op de Lüneburger Heide wijst uit dat dit resulteert in een jaarlijkse uitspoeling van ongeveer 2,2 kilogram stikstof per hectare in de vorm van nitraat. Dit nitraatverlies is een belangrijk aspect van de stikstofcyclus, maar tegelijkertijd wordt via schapen jaarlijks gemiddeld 8,2 kilogram stikstof per schaap afgevoerd van de heide.
Naast de stikstof die via schapen wordt afgevoerd, speelde het afplaggen van de heide een essentiële rol in het behoud van het landschap. Plaggen werden gebruikt als strooisel in de potstallen en droegen bij aan de vruchtbaarheid van omliggende akkers. Onderzoek van Niemeijer et al. (2007) laat zien dat het afplaggen van de organische bovenlaag van de heide (de bovenste A-horizont) jaarlijks ongeveer 1000 tot 1100 kilogram stikstof per hectare verwijderde. Omgerekend betekent dit dat per schaap gemiddeld 10 tot 11 kilogram stikstof werd afgevoerd door plaggen.
In totaal werd er rond 1860 per schaap jaarlijks circa 20 kilogram stikstof van de heide verwijderd. Dit is een opmerkelijk getal, aangezien het overeenkomt met de huidige gemiddelde stikstofdepositie uit de lucht. Dit suggereert dat een vergelijkbare dichtheid van schapen, gecombineerd met een plagbeheer, theoretisch in staat zou zijn om de huidige stikstofdepositie te compenseren.
In de moderne natuurbeheercontext is de rol van schapen in de stikstofcyclus veranderd. De potstalcultuur is grotendeels verdwenen, en schapen worden nu primair ingezet voor het behoud van het heidelandschap en de daaraan gebonden biodiversiteit. Desondanks blijven ze een rol spelen in de stikstofcyclus door hun graasgedrag en de afvoer van stikstof via mest, urine en wol. Deze rol is echter minder significant dan in het verleden, omdat de dichtheid van schapen lager is en omdat de mest niet meer systematisch wordt afgevoerd naar de akkers.
4. Kwantificering van stikstofstromen
4.1 Stikstofbalans van een heideschaap
Om de historische en potentiële toekomstige rol van schapen in het beheer van natuurgebieden goed te kunnen begrijpen, is een nauwkeurige kwantificering van de stikstofstromen essentieel. De stikstofbalans van een heideschaap vormt hierbij het uitgangspunt voor verdere berekeningen en analyses.
Ronald Zom (2024) heeft een gedetailleerde analyse gemaakt van de stikstofbalans van een Drents heideschaap. Als uitgangspunt neemt hij een volwassen ooi van 60 kilogram, met een gemiddelde jaarlijkse productie van 1,5 lam en 3 kilogram wol. Deze parameters zijn representatief voor traditionele heideschapen zoals het Drents heideschaap en het Veluws heideschaap, die eeuwenlang op de Nederlandse heidevelden hebben gegraasd.
Een schaap van deze omvang en productiviteit consumeert jaarlijks ongeveer 580 kilogram droge stof aan voedsel. De heidevegetatie waarop deze schapen grazen bevat gemiddeld 12% ruw eiwit, wat overeenkomt met een jaarlijkse opname van 69,9 kilogram ruw eiwit. Aangezien ruw eiwit gemiddeld 16% stikstof bevat, komt dit neer op een totale stikstofopname van 11,2 kilogram per schaap per jaar (Zom, 2024).
Deze berekening is gebaseerd op de aanname dat schapen zich voornamelijk voeden met heidevegetatie. In werkelijkheid is hun dieet meer gevarieerd en omvat het ook grassen, kruiden en jonge scheuten van bomen en struiken. De exacte samenstelling van het dieet varieert afhankelijk van het seizoen, de beschikbaarheid van verschillende voedselplanten en de individuele voorkeuren van de dieren. Deze variatie kan leiden tot kleine verschillen in de totale stikstofopname, maar de orde van grootte blijft vergelijkbaar.
Het is belangrijk op te merken dat deze berekeningen zijn gebaseerd op historische gegevens en moderne metingen aan traditionele schapenrassen. Moderne schapenrassen, die zijn gefokt voor hogere productiviteit, hebben mogelijk een andere stikstofbalans. Voor het doel van dit artikel, dat zich richt op de historische rol van schapen in het landschapsbeheer, zijn de gegevens van traditionele rassen echter het meest relevant.
4.2 Stikstofopname en -uitscheiding
Van de 11,2 kilogram stikstof die een schaap jaarlijks opneemt, wordt niet alles verteerd en opgenomen in het lichaam. Een deel van de stikstof in het voedsel is gebonden in moeilijk verteerbare verbindingen, zoals lignine, en passeert het spijsverteringskanaal zonder te worden opgenomen. Volgens de berekeningen van Zom (2024) wordt slechts 7,3 kilogram van de 11,2 kilogram stikstof daadwerkelijk verteerd en opgenomen door het dier.
Van deze 7,3 kilogram verteerde stikstof wordt ongeveer 2 kilogram vastgelegd in dierlijke weefsels, zoals vlees, wol en, in het geval van drachtige ooien, foetussen. Deze vastlegging vertegenwoordigt de netto groei en productie van het dier en is afhankelijk van factoren zoals leeftijd, geslacht, reproductieve status en genetische aanleg.
De resterende 5,3 kilogram stikstof wordt uitgescheiden door het dier, voornamelijk via urine (3,9 kilogram) en in mindere mate via mest (1,4 kilogram). Deze uitscheiding is een essentieel onderdeel van de stikstofcyclus, omdat het bepaalt hoeveel stikstof wordt teruggegeven aan het ecosysteem en in welke vorm.
De verdeling van stikstof tussen urine en mest heeft belangrijke ecologische implicaties. Stikstof in urine is voornamelijk aanwezig in de vorm van ureum, een oplosbare verbinding die snel wordt omgezet in ammonium en vervolgens in nitraat. Deze vormen van stikstof zijn direct beschikbaar voor planten, maar zijn ook gevoelig voor uitspoeling en vervluchtiging. Stikstof in mest daarentegen is grotendeels gebonden in organische verbindingen, die langzamer worden afgebroken en geleidelijk beschikbaar komen voor planten.
In de context van de traditionele heide-economie is het belangrijk om te begrijpen dat schapen niet continu op de heide verbleven. Ze werden ’s nachts en tijdens perioden van slecht weer ondergebracht in potstallen. Zom (2024) schat dat schapen in gescheperde kuddes ongeveer tweederde van hun tijd doorbrachten in de stal en een derde op de heide. Dit betekent dat van de 5,3 kilogram uitgescheiden stikstof, ongeveer 3,5 kilogram (tweederde) in de stal terechtkwam en 1,8 kilogram (een derde) op de heide.
4.3 Stikstofafvoer via mest en plaggen
De stikstof die via mest en urine in de potstal terechtkwam, werd niet teruggebracht naar de heide maar gebruikt voor de bemesting van akkers. Dit vertegenwoordigt een netto afvoer van stikstof uit het heidesysteem. Gegeven dat tweederde van de uitgescheiden stikstof (3,5 kilogram) in de stal terechtkwam, en dat daarnaast 2 kilogram stikstof werd vastgelegd in dierlijke weefsels die uiteindelijk ook het systeem verlieten (via slacht of verkoop), bedroeg de totale stikstofafvoer via schapen ongeveer 5,5 kilogram per dier per jaar.
Naast deze directe afvoer via schapen was er ook een aanzienlijke afvoer van stikstof via het plaggen van de heide. Heideplaggen werden gebruikt als strooisel in de potstallen, waar ze de urine absorbeerden en zich vermengden met de mest. Na verloop van tijd werd dit mengsel van mest, urine en plaggen uit de stal gehaald en over de akkers verspreid als bemesting.
Onderzoek van Niemeijer et al. (2007) heeft aangetoond dat het afplaggen van de organische bovenlaag van de heide (de bovenste A-horizont) jaarlijks ongeveer 1000 tot 1100 kilogram stikstof per hectare verwijderde. Dit is een enorme hoeveelheid, zeker in vergelijking met de huidige stikstofdepositie van ongeveer 20 kilogram per hectare per jaar.
De intensiteit van het plaggen varieerde afhankelijk van de lokale omstandigheden en behoeften. In sommige gebieden werd de heide eens in de 10-20 jaar geplagd, in andere gebieden kon dit oplopen tot eens in de 30-40 jaar. Als we uitgaan van een gemiddelde plagfrequentie van eens in de 30 jaar, dan betekent dit een jaarlijkse afvoer van ongeveer 33-37 kilogram stikstof per hectare via plaggen.
Bij een dichtheid van 1,1 schaap per hectare, zoals die rond 1860 op de Drentse heide werd aangetroffen (Zom, 2024), komt dit neer op een afvoer van 30-34 kilogram stikstof per schaap via plaggen. Dit is echter een overschatting, omdat niet alle plaggen werden gebruikt in potstallen; een deel werd gebruikt voor andere doeleinden, zoals dakbedekking en brandstof.
Zom (2024) schat dat per schaap gemiddeld 10 tot 11 kilogram stikstof werd afgevoerd door plaggen die werden gebruikt in potstallen. Deze schatting is gebaseerd op historische gegevens over de hoeveelheid plaggen die per schaap werd gebruikt en de stikstofinhoud van deze plaggen.
4.4 Totale stikstofafvoer per schaap en per hectare
Wanneer we de verschillende componenten van de stikstofafvoer combineren, komen we tot een totale afvoer van ongeveer 15,5-16,5 kilogram stikstof per schaap per jaar: 5,5 kilogram via mest, urine en dierlijke productie, en 10-11 kilogram via plaggen. Zom (2024) rondt dit af tot een totale afvoer van ongeveer 20 kilogram stikstof per schaap per jaar.
Bij een dichtheid van 1,1 schaap per hectare betekent dit een totale stikstofafvoer van ongeveer 22 kilogram per hectare per jaar. Dit is een opmerkelijk getal, aangezien het zeer dicht in de buurt komt van de huidige gemiddelde stikstofdepositie uit de lucht, die ongeveer 20 kilogram per hectare per jaar bedraagt.
Deze overeenkomst suggereert dat een vergelijkbare dichtheid van schapen, gecombineerd met een traditioneel plagbeheer, theoretisch in staat zou zijn om de huidige stikstofdepositie te compenseren. Dit is een interessante observatie met potentiële implicaties voor het moderne natuurbeheer, hoewel er belangrijke kanttekeningen bij moeten worden geplaatst.
Ten eerste was het traditionele systeem van schapenbegrazing en plaggen niet ontworpen om stikstof te verwijderen, maar om nutriënten te transporteren van de heide naar de akkers. Het was een economisch systeem, geen natuurbeheermethode. De schaal waarop dit systeem werd toegepast was veel groter dan wat in de moderne context haalbaar of wenselijk zou zijn.
Ten tweede had het traditionele systeem ook nadelen, zoals de verstoring van de bodem en de vegetatie door intensief plaggen. In de moderne natuurbeheercontext wordt plaggen veel selectiever en op kleinere schaal toegepast, om de negatieve effecten op de bodem en de fauna te minimaliseren.
Ten derde is de huidige stikstofdepositie niet gelijkmatig verdeeld over het landschap, maar geconcentreerd rond bronnen zoals intensieve veehouderijen en drukke wegen. In sommige gebieden kan de depositie oplopen tot meer dan 50 kilogram per hectare per jaar, wat ver boven de historische afvoercapaciteit van het heide-schapen-plagsysteem ligt.
Desondanks biedt deze kwantificering van stikstofstromen waardevolle inzichten in de potentiële rol van schapen en plagbeheer in het moderne natuurbeheer. Het laat zien dat deze traditionele methoden, mits aangepast aan de moderne context en gecombineerd met andere maatregelen, kunnen bijdragen aan het beheer van de stikstofproblematiek in natuurgebieden.
5. Huidige situatie van de Veluwe en andere natuurgebieden
5.1 Oppervlakte van de Veluwe en andere heidegebieden in Nederland
De Veluwe is met een oppervlakte van ongeveer 100.000 hectare het grootste aaneengesloten natuurgebied van Nederland (Mouw, 2023). Dit uitgestrekte gebied in de provincie Gelderland wordt gekenmerkt door een gevarieerd landschap van bossen, heidevelden, stuifzanden en agrarische enclaves. Hoewel de Veluwe tegenwoordig vaak wordt geassocieerd met uitgestrekte bossen, was het gebied historisch gezien grotendeels bedekt met heide. De huidige oppervlakte aan heide op de Veluwe is aanzienlijk kleiner dan in het verleden, als gevolg van bebossing, landbouwontginningen en natuurlijke successie.
Naast de Veluwe zijn er in Nederland nog diverse andere gebieden waar heide een belangrijk landschapselement vormt. In Drenthe bevinden zich uitgestrekte heidevelden zoals het Dwingelderveld (ongeveer 1.400 hectare heide), het Drents-Friese Wold en het Balloërveld. In Noord-Brabant zijn de Strabrechtse Heide (ongeveer 1.500 hectare) en de Kampina belangrijke heidegebieden. In Utrecht ligt de Utrechtse Heuvelrug met diverse kleinere heidevelden, en in Overijssel vinden we onder andere de Sallandse Heuvelrug met zijn karakteristieke heidevegetatie.
In totaal beslaat de heide in Nederland tegenwoordig ongeveer 35.000-40.000 hectare, wat slechts een fractie is van de historische oppervlakte. Rond 1850, op het hoogtepunt van de heide-economie, was er naar schatting 600.000-800.000 hectare heide in Nederland (Diemont, 1996). Dit betekent dat er in de afgelopen 170 jaar ongeveer 95% van het Nederlandse heidelandschap is verdwenen of getransformeerd tot andere landschapstypen.
De resterende heidegebieden zijn sterk gefragmenteerd en vaak omringd door bossen, landbouwgebieden of bebouwing. Deze fragmentatie heeft belangrijke ecologische consequenties, omdat het de uitwisseling van soorten tussen verschillende heidegebieden bemoeilijkt en de populaties kwetsbaarder maakt voor lokaal uitsterven. Desondanks herbergen de resterende heidegebieden nog steeds een unieke biodiversiteit en vertegenwoordigen ze een belangrijk deel van het Nederlandse natuurlijke en culturele erfgoed.
5.2 Huidige beheerpraktijken
Het beheer van de resterende heidegebieden in Nederland is tegenwoordig primair gericht op het behoud van de ecologische en cultuurhistorische waarden, in tegenstelling tot het historische beheer dat was ingebed in een agrarisch-economisch systeem. De huidige beheerpraktijken combineren elementen van het traditionele beheer, zoals begrazing en plaggen, met moderne technieken en inzichten.
Begrazing is nog steeds een belangrijke beheermethode voor heidegebieden. Naast schapen worden tegenwoordig ook andere grazers ingezet, zoals runderen (vaak Schotse Hooglanders of Galloway’s), paarden en geiten. Deze verschillende soorten grazers hebben elk hun eigen graasgedrag en impact op het landschap, en worden vaak in combinatie ingezet om een gevarieerd begrazingspatroon te creëren.
De intensiteit en het patroon van begrazing worden zorgvuldig afgestemd op de specifieke omstandigheden en doelstellingen van het gebied. In sommige gebieden wordt gewerkt met gescheperde kuddes, waarbij een herder met zijn kudde over de heide trekt en actief stuurt waar de dieren grazen. In andere gebieden wordt gewerkt met vaste of tijdelijke rasters, waarbinnen de dieren vrij kunnen grazen.
Plaggen, het verwijderen van de bovenste organische laag van de bodem, wordt tegenwoordig veel selectiever en op kleinere schaal toegepast dan in het verleden. Deze methode wordt vooral gebruikt om sterk vergraste delen van de heide te herstellen of om pioniersituaties te creëren voor soorten die afhankelijk zijn van open zand of jonge heide. Vanwege de ingrijpende aard van deze maatregel en de potentiële negatieve effecten op de bodem en de fauna, wordt plaggen vaak beschouwd als een laatste redmiddel wanneer andere beheermethoden onvoldoende effectief zijn.
Naast begrazing en plaggen worden diverse andere beheermethoden ingezet, zoals maaien, chopperen (een minder ingrijpende vorm van plaggen waarbij alleen de vegetatie en een deel van de strooisellaag wordt verwijderd) en gecontroleerd branden. Ook worden soms specifieke maatregelen genomen om bepaalde soorten of habitattypen te bevorderen, zoals het creëren van open zand voor reptielen of het behouden van oude heidestruiken voor insecten.
Een relatief nieuwe ontwikkeling in het heidebeheer is de aandacht voor het herstel van de bodem en het bodemleven. Onderzoek heeft aangetoond dat de biodiversiteit en gezondheid van de bodem essentieel zijn voor een robuust ecosysteem. In sommige gebieden worden daarom maatregelen genomen om het bodemleven te stimuleren, bijvoorbeeld door het toevoegen van organisch materiaal of het enten met bodemorganismen uit gezonde referentiegebieden.
5.3 Stikstofdepositie in de huidige tijd
Een van de grootste uitdagingen voor het behoud van heidegebieden in de huidige tijd is de hoge stikstofdepositie. Stikstof is van nature een beperkende factor in heide-ecosystemen, en veel karakteristieke heidesoorten zijn aangepast aan nutriëntarme omstandigheden. Een overmaat aan stikstof verstoort de ecologische balans en leidt tot vergrassing, waarbij grassen zoals pijpenstrootje en bochtige smele de overhand krijgen ten koste van de heidevegetatie.
De huidige stikstofdepositie in Nederland bedraagt gemiddeld ongeveer 20 kilogram per hectare per jaar (RIVM, 2023), maar kan in sommige gebieden oplopen tot meer dan 50 kilogram per hectare per jaar. Deze depositie is afkomstig uit verschillende bronnen, waaronder landbouw (vooral ammoniak uit dierlijke mest), verkeer en industrie (vooral stikstofoxiden). De kritische depositiewaarde voor droge heide, de maximale hoeveelheid stikstof die het ecosysteem kan verdragen zonder significante schade, ligt rond de 10-15 kilogram per hectare per jaar (Bobbink et al., 2010). Dit betekent dat de huidige stikstofdepositie in veel heidegebieden de kritische waarde overschrijdt, wat leidt tot ecologische problemen.
6. Berekening van het aantal benodigde grazers
6.1 Uitgangspunten voor de berekening
Om te berekenen hoeveel schapen of andere grote grazers nodig zouden zijn om de huidige stikstofdepositie van ongeveer 20 kilogram per hectare te compenseren, moeten we uitgaan van de historische gegevens over stikstofafvoer per dier. Zoals eerder berekend, voerde een traditioneel heideschaap rond 1860 ongeveer 20 kilogram stikstof per jaar af van de heide, waarvan 5,5 kilogram via mest en urine en 10-11 kilogram via plaggen.
In de moderne context is het systeem van potstallen en plaggen grotendeels verdwenen, waardoor de stikstofafvoer per dier aanzienlijk lager is. Een modern schaap dat permanent op de heide graast, voert alleen stikstof af via de productie van vlees en wol, en via de mest en urine die buiten het heidegebied wordt gedeponeerd (bijvoorbeeld wanneer de dieren ’s nachts in stallen worden ondergebracht die buiten het heidegebied liggen).
Voor de berekening gaan we uit van verschillende scenario’s:
- Scenario 1: Traditioneel systeem met potstallen en plaggen – 20 kg N afvoer per schaap per jaar
- Scenario 2: Modern systeem met nachtelijke opstalling buiten het heidegebied – 8 kg N afvoer per schaap per jaar
- Scenario 3: Permanent grazen op de heide zonder afvoer – 2 kg N afvoer per schaap per jaar (alleen via vlees en wol)
6.2 Berekening voor verschillende scenario’s
Scenario 1: Traditioneel systeem
Bij een afvoer van 20 kg stikstof per schaap per jaar zou theoretisch 1 schaap per hectare voldoende zijn om de huidige stikstofdepositie van 20 kg per hectare te compenseren. Dit komt overeen met de historische dichtheid van 1,1 schaap per hectare die rond 1860 op de Drentse heide werd aangetroffen.
Scenario 2: Modern systeem met nachtelijke opstalling
Bij een afvoer van 8 kg stikstof per schaap per jaar zouden 2,5 schapen per hectare nodig zijn om de stikstofdepositie van 20 kg per hectare te compenseren. Deze dichtheid is hoger dan wat ecologisch verantwoord wordt geacht voor de meeste heidegebieden.
Scenario 3: Permanent grazen zonder afvoer
Bij een afvoer van slechts 2 kg stikstof per schaap per jaar zouden 10 schapen per hectare nodig zijn. Deze dichtheid zou leiden tot ernstige overbegrazing en degradatie van de heidevegetatie.
6.3 Alternatieve grazers
Naast schapen kunnen ook andere grote grazers worden ingezet voor het beheer van heidegebieden. Runderen, paarden en geiten hebben elk hun eigen karakteristieken wat betreft stikstofopname en -afvoer:
- Runderen: Een volwassen rund van 500 kg consumeert ongeveer 2900 kg droge stof per jaar en kan ongeveer 40-50 kg stikstof per jaar afvoeren in een traditioneel systeem.
- Paarden: Een volwassen paard van 400 kg consumeert ongeveer 2300 kg droge stof per jaar en kan ongeveer 30-40 kg stikstof per jaar afvoeren.
- Geiten: Een volwassen geit van 50 kg heeft een vergelijkbare stikstofbalans als een schaap, maar met een iets hogere afvoer van ongeveer 25 kg stikstof per jaar in een traditioneel systeem.
6.4 Praktische haalbaarheid en beperkingen
De berekeningen in de voorgaande secties geven een theoretisch kader voor de inzet van grazers als middel om stikstof af te voeren uit heidegebieden. In de praktijk zijn er echter diverse factoren die de haalbaarheid en effectiviteit van deze benadering beperken.
Ten eerste is de draagkracht van heidegebieden beperkt. De historische dichtheid van 1,1 schaap per hectare was het resultaat van een eeuwenlange co-evolutie van heidevegetatie en begrazing, waarbij de vegetatie zich had aangepast aan een bepaalde begrazingsdruk. Een hogere dichtheid zou kunnen leiden tot overbegrazing en degradatie van de vegetatie. Moderne studies naar de draagkracht van heidegebieden suggereren dat een dichtheid van 1-2 schapen per hectare, of het equivalent daarvan in andere grazers, het maximum is wat ecologisch verantwoord is (Wallis de Vries, 2004).
Ten tweede vereist de effectieve afvoer van stikstof via grazers een systeem waarbij de dieren een deel van de tijd buiten het heidegebied doorbrengen en hun mest wordt afgevoerd. In de historische context werd dit bereikt door de schapen ’s nachts in potstallen onder te brengen. In de moderne context zou een vergelijkbaar systeem kunnen worden opgezet, maar dit vereist aanzienlijke investeringen in infrastructuur (stallen, transportfaciliteiten) en arbeid (herders, verzorgers).
Ten derde is de stikstofafvoer via grazers alleen effectief als de afgevoerde stikstof niet elders in het natuurgebied terechtkomt. Als de mest van de grazers wordt gebruikt voor de bemesting van landbouwgronden binnen hetzelfde natuurgebied, of als de stikstof via andere routes (zoals atmosferische depositie) terugkeert naar de heide, is er geen netto afvoer.
Ten vierde is de stikstofafvoer via grazers een langzaam proces dat tijd nodig heeft om effect te sorteren. De huidige stikstofdepositie is het resultaat van decennia van intensieve landbouw, industrie en verkeer, en het zal ook decennia duren voordat de opgebouwde stikstofvoorraad in de bodem is afgenomen tot een niveau dat gunstig is voor heidevegetatie.
Tot slot is het belangrijk om te benadrukken dat begrazing als beheermaatregel niet alleen gericht is op stikstofafvoer, maar ook op andere ecologische doelstellingen, zoals het behoud van een open vegetatiestructuur, het creëren van variatie in het landschap, en het bevorderen van bepaalde plant- en diersoorten. De optimale begrazingsdruk voor deze doelstellingen kan verschillen van wat nodig zou zijn voor maximale stikstofafvoer.
Ondanks deze beperkingen kan begrazing een waardevolle bijdrage leveren aan het beheer van heidegebieden in een context van hoge stikstofdepositie. Door begrazing te combineren met andere beheermaatregelen, zoals selectief plaggen, maaien of branden, en door de begrazing zorgvuldig af te stemmen op de specifieke omstandigheden en doelstellingen van het gebied, kan een effectief beheersysteem worden ontwikkeld dat bijdraagt aan het behoud en herstel van heidevegetaties.

7. Implicaties voor modern natuurbeheer
7.1 Lessen uit het verleden voor hedendaags natuurbeheer
De historische analyse van de rol van schapen op de Veluwe en andere natuurgebieden biedt waardevolle inzichten voor het moderne natuurbeheer. Hoewel de context fundamenteel is veranderd – van een agrarisch-economisch systeem naar een natuurbeheersysteem gericht op biodiversiteit en cultuurhistorie – zijn er belangrijke lessen te trekken uit de eeuwenlange wisselwerking tussen mens, schaap en landschap.
Een eerste belangrijke les is het belang van een systeembenadering. Het traditionele heide-potstal-akkersysteem was een geïntegreerd geheel, waarbij de verschillende componenten (heide, schapen, potstallen, akkers) nauw met elkaar verbonden waren en elkaar in evenwicht hielden. In het moderne natuurbeheer is deze integrale benadering vaak verloren gegaan, met een focus op individuele natuurgebieden of specifieke soorten. Een hernieuwde aandacht voor de onderlinge verbanden tussen verschillende landschapselementen en de stromen van nutriënten, energie en organismen tussen deze elementen kan leiden tot effectiever en duurzamer natuurbeheer.
Een tweede les betreft het belang van menselijk ingrijpen voor het behoud van bepaalde landschapstypen en de daaraan gebonden biodiversiteit. Het heidelandschap is geen natuurlijk ecosysteem in de zin dat het zonder menselijk ingrijpen zou bestaan, maar een cultuurlandschap dat is ontstaan door eeuwenlang menselijk gebruik. Het behoud van dit landschap en de daaraan gebonden biodiversiteit vereist voortdurend menselijk ingrijpen, zij het met andere doelstellingen en methoden dan in het verleden. Dit inzicht staat soms op gespannen voet met een natuurvisie die streeft naar minimale menselijke interventie, maar is essentieel voor het behoud van cultuurlandschappen zoals de heide.
Een derde les is het belang van geleidelijkheid en continuïteit in het beheer. Het traditionele heide-potstal-akkersysteem ontwikkelde zich over eeuwen, waarbij de vegetatie, de bodem en de daaraan gebonden organismen zich konden aanpassen aan de specifieke omstandigheden. Abrupte veranderingen in beheer kunnen leiden tot verstoring van deze delicate balans. In het moderne natuurbeheer is er soms sprake van snelle wisselingen in beheermethoden of -intensiteit, bijvoorbeeld als gevolg van veranderende inzichten, beleidskaders of financieringsmogelijkheden. Een meer geleidelijke en consistente benadering, gebaseerd op langetermijnvisie en -monitoring, zou kunnen bijdragen aan stabielere en veerkrachtigere ecosystemen.
Een vierde les betreft de rol van traditionele kennis en praktijken. De herders en boeren die eeuwenlang het heidelandschap beheerden, hadden een diepgaande kennis van het landschap, de vegetatie, de dieren en de seizoensgebonden dynamiek. Deze kennis, die vaak werd doorgegeven van generatie op generatie, is grotendeels verloren gegaan met het verdwijnen van de traditionele heide-economie. In het moderne natuurbeheer wordt steeds meer erkend dat deze traditionele ecologische kennis waardevolle inzichten kan bieden die complementair zijn aan wetenschappelijke kennis. Het herwaarderen en integreren van deze kennis in het moderne natuurbeheer kan leiden tot meer effectieve en cultureel verankerde beheerpraktijken.
7.2 Integratie van traditionele en moderne beheermethoden
De uitdagingen waarmee het moderne natuurbeheer wordt geconfronteerd, zoals stikstofdepositie, klimaatverandering en fragmentatie van het landschap, vereisen een combinatie van traditionele wijsheid en moderne innovatie. De integratie van traditionele en moderne beheermethoden biedt kansen voor effectiever en duurzamer natuurbeheer.
Een voorbeeld van deze integratie is de hernieuwde aandacht voor gescheperde schaapskuddes. Deze traditionele beheermethode, waarbij een herder met zijn kudde over de heide trekt en actief stuurt waar de dieren grazen, wordt tegenwoordig weer toegepast in diverse natuurgebieden. De herder gebruikt zijn kennis van het landschap en de vegetatie om de begrazing te sturen naar delen van de heide die dat nodig hebben, en houdt de dieren weg van kwetsbare gebieden of gebieden die rust nodig hebben om te herstellen. Deze gerichte begrazing kan effectiever zijn dan niet-gescheperde begrazing in het tegengaan van vergrassing en het bevorderen van biodiversiteit.
Tegelijkertijd worden moderne technologieën en inzichten geïntegreerd in deze traditionele praktijk. GPS-tracking van de kudde, digitale vegetatiekaarten en real-time monitoring van begrazingseffecten stellen herders en natuurbeheerders in staat om de begrazing nauwkeuriger te sturen en de effecten beter te evalueren. Ook worden wetenschappelijke inzichten in de ecologie van heidegebieden, de nutriëntenkringloop en de effecten van verschillende beheermethoden gebruikt om de begrazing te optimaliseren.
Een ander voorbeeld van integratie is de combinatie van traditionele beheermethoden zoals plaggen met moderne technieken zoals chopperen (een minder ingrijpende vorm van plaggen waarbij alleen de vegetatie en een deel van de strooisellaag wordt verwijderd) en bekalking (om verzuring tegen te gaan). Deze combinatie kan effectiever zijn in het herstellen van vergraste heide dan elk van deze methoden afzonderlijk, en kan worden afgestemd op de specifieke omstandigheden en doelstellingen van het gebied.
Ook in het bredere landschapsbeheer is er ruimte voor integratie van traditionele en moderne benaderingen. Het concept van het ‘heidelandschap’ kan worden verbreed van een focus op pure heidevegetatie naar een meer gevarieerd landschap met gradiënten tussen heide, bos, stuifzand en agrarisch gebied. Dit sluit aan bij het historische landgebruik, waarbij er geen scherpe grenzen waren tussen deze verschillende landschapstypen, en biedt kansen voor een rijkere biodiversiteit en een veerkrachtiger ecosysteem.
8. Conclusie
De historische analyse van de rol van schapen op de Veluwe en andere Nederlandse natuurgebieden onthult een fascinerend verhaal van eeuwenlange wisselwerking tussen mens, dier en landschap. Dit verhaal biedt niet alleen inzicht in het ontstaan en de ontwikkeling van een van Nederland’s meest karakteristieke landschapstypen, maar ook waardevolle lessen voor het moderne natuurbeheer.
De transformatie van de Veluwe van een bosrijk gebied rond 800 n.Chr. naar een uitgestrekt heidelandschap in de 19e eeuw was geen natuurlijk proces, maar het resultaat van doordacht menselijk handelen. Het ingenieuze systeem van potstalcultuur, waarbij schapen fungeerden als transporteurs van nutriënten van de heide naar de akkers, vormde de basis van een duurzame landbouweconomie op de arme zandgronden. Dit systeem had als bijeffect de creatie van een uniek cultuurlandschap met een hoge biodiversiteit.
De kwantificering van stikstofstromen in dit historische systeem levert opmerkelijke inzichten op. Een traditioneel heideschaap voerde rond 1860 ongeveer 20 kilogram stikstof per jaar af van de heide, wat overeenkomt met de huidige gemiddelde stikstofdepositie uit de lucht. Deze overeenkomst suggereert dat traditionele beheermethoden, mits aangepast aan de moderne context, kunnen bijdragen aan het beheer van de huidige stikstofproblematiek.
De berekeningen tonen echter ook de beperkingen van begrazing als oplossing voor de stikstofproblematiek. In de moderne context, zonder het systeem van potstallen en plaggen, is de stikstofafvoer per dier aanzienlijk lager. Bovendien zou een begrazingsdruk die voldoende is om de huidige stikstofdepositie te compenseren in veel gevallen leiden tot overbegrazing en degradatie van de heidevegetatie.
Desondanks biedt de historische analyse waardevolle inzichten voor het moderne natuurbeheer. De systeembenadering van het traditionele heide-potstal-akkersysteem, waarbij verschillende landschapselementen nauw met elkaar verbonden waren, kan inspiratie bieden voor een meer integrale benadering van natuurbeheer. De rol van traditionele ecologische kennis, de betekenis van geleidelijkheid en continuïteit in beheer, en het belang van menselijk ingrijpen voor het behoud van cultuurlandschappen zijn lessen die direct toepasbaar zijn in de moderne context.
De integratie van traditionele en moderne beheermethoden biedt kansen voor effectiever en duurzamer natuurbeheer. Gescheperde schaapskuddes, gecombineerd met moderne technologieën en wetenschappelijke inzichten, kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan het behoud van heidegebieden. Ook de combinatie van verschillende beheermethoden, afgestemd op de specifieke omstandigheden en doelstellingen van het gebied, kan effectiever zijn dan het toepassen van individuele methoden.
De economische aspecten van schapenbegrazing als beheermethode vormen een belangrijke uitdaging. Waar in het verleden schapen primair een economische functie hadden, zijn ze nu afhankelijk van externe financiering voor hun rol in het natuurbeheer. Het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen en het verhogen van de maatschappelijke waardering voor natuurbeheer zijn essentieel voor de duurzaamheid van deze beheermethode.
Tot slot benadrukt deze analyse het belang van een langetermijnvisie voor het beheer van heidegebieden. Het heidelandschap is het product van eeuwen van menselijk beheer, en het behoud ervan vereist een vergelijkbare langetermijncommitment. Dit vereist niet alleen financiële middelen en technische expertise, maar ook maatschappelijke steun en politieke wil.
Het verhaal van schapen op de Veluwe is uiteindelijk een verhaal over de mogelijkheden en beperkingen van de wisselwerking tussen mens en natuur. Het toont aan dat duurzame relaties tussen mens en landschap mogelijk zijn, maar dat deze relaties voortdurende aandacht, zorg en aanpassing vereisen. In een tijd van klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en toenemende druk op het landschap, biedt dit historische perspectief waardevolle inzichten voor het vormgeven van een duurzame toekomst voor onze natuurgebieden.
De lessen uit duizend jaar landschapsvorming en stikstofbeheer door schapen op de Veluwe zijn niet alleen van historisch belang, maar bieden concrete handvatten voor het natuurbeheer van vandaag en morgen. Door het verleden te begrijpen, kunnen we betere keuzes maken voor de toekomst van onze natuurgebieden en de biodiversiteit die zij herbergen.
Referenties
- Bobbink, R., Hicks, K., Galloway, J., Spranger, T., Alkemade, R., Ashmore, M., … & De Vries, W. (2010). Global assessment of nitrogen deposition effects on terrestrial plant communities. Ecological Applications, 20(1), 30-59.
- De Heij, W. (2022). Historische ontwikkeling van de Veluwe. Persoonlijke communicatie.
- Diemont, W. H. (1996). Survival of Dutch heathlands. Journal of Vegetation Science, 7(5), 619-626.
- Fottner, S., Hardtle, W., Niemeyer, M., Niemeyer, T., Oheimb, G. V., & Meyer, H. (2007). Impact of sheep grazing on nutrient budgets of dry heathlands. Applied Vegetation Science, 10(3), 391-398.
- Mijn Gelderland. (2024). Het Veluws Heideschaap. Geraadpleegd van https://www.mijngelderland.nl/verhaal/het-veluws-heideschaap
- RIVM. (2023). Stikstofdepositie in Nederland: Stand van zaken 2023. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven.
- Schaapskudde Epe-Heerde. (2024). Potstalcultuur en heidebeheer. Geraadpleegd van https://www.schaapskudde-epe-heerde.nl
- Schapenrassen.com. (2024). Geschiedenis van de schapenhouderij in Nederland. Geraadpleegd van https://schapenrassen.com/herkomst-en-geschiedenis/
- Spek, T. (2006). Het Drentse esdorpenlandschap: Een historisch-geografische studie. Matrijs, Utrecht.
- Stikstofinfo.net. (2024). De rol van schapen in het heidelandschap. Geraadpleegd van https://stikstofinfo.net
- The Hogeveluwe. (2024). Landschapsgeschiedenis van De Hoge Veluwe. Geraadpleegd van https://www.hogeveluwe.nl
- Wallis de Vries, M. F. (1998). Grazing and conservation management. Kluwer Academic Publishers, Dordrecht.
Heidebeheer, stikstof en fosfaat: waarom roofbouw met schapen eeuwenlang werkte (en waar de grens lag)
In het hedendaagse stikstofbeleid worden schapen op de heide vaak als duurzame bondgenoten gezien. Ze houden de begroeiing kort, vertragen de successie naar bos, en — niet onbelangrijk — voeren stikstof af in de vorm van mest die elders wordt uitgescheiden. Maar een scherpe vraag kwam recent bovendrijven: als schapen stikstof afvoeren, dan voeren ze toch ook fosfaat af? En is dat geen probleem? Is fosfaatgebrek misschien wel een grotere bedreiging voor de heide dan het huidige stikstofoverschot?
Deze vraag is niet triviaal. Wie de geschiedenis van het Nederlandse heidelandschap kent, weet dat deze landschappen geen natuur zijn in de zin van ‘onaangetast’. Integendeel: het zijn cultuurlandschappen, gevormd en in stand gehouden door duizenden jaren van menselijke activiteit. Schapenbegrazing was daar een essentieel onderdeel van — maar geen vanzelfsprekend evenwichtig systeem. Het kende zijn grenzen. En juist door die grenzen te begrijpen, begrijpen we ook waarom het systeem met schapen in de 19e eeuw instortte en hoe kunstmest de zandgronden redde van hun ecologische en agrarische dood.
De wortels van de heide: zure strategieën
Heideplanten, zoals de bekende struikheide (Calluna vulgaris), hebben zich aangepast aan voedselarme zandgronden. Hun wortels scheiden organische zuren uit die fosfaat kunnen losmaken uit zandkorrels. Daarmee kunnen ze overleven in gebieden waar andere planten zouden verhongeren. Maar deze strategie kent een prijs: het is roofbouw. De fosfaat die wordt vrijgemaakt, wordt via de plant opgenomen, en bij begrazing (en mestafvoer) definitief uit het systeem gehaald.
In een gesloten systeem, zonder menselijke ingreep, zou de heide kunnen overleven door een interne cyclus van bladval, verrotting, en heropname van nutriënten. Maar dat was niet het systeem op de Veluwe en andere heidegebieden in Nederland. Daar werd geplagd, geoogst, gemaaid en begraasd. Strooisel ging naar de stal, mest ging naar het land. De heide verloor daarmee permanent nutriënten — zowel stikstof als fosfaat.
De cyclus van uitputting en herstel
Door langdurige exploitatie raakte de bovenste zandlaag van de heide uitgeput. Boeren wisten dat goed: het zogeheten loodzand was waardeloos op stal. Het “vreet mest”, zo zeiden ze — mest verdween er als het ware in zonder effect. Dat loodzand had nauwelijks nog fosfaat en andere voedingselementen. De oplossing? Heide maaien vlak boven de grond, de bovenlaag laten verstuiven, en wachten op hernieuwde kolonisatie.
Dat klinkt als een hardvochtige aanpak, maar het werkte: windverstuiving zorgde voor een verjonging van de bodem. De kale plekken werden eerst bevolkt door algen en korstmossen, later door heide. In zekere zin was zandverstuiving een noodzakelijke fase in het eeuwenoude systeem van kringlooplandbouw. Maar het systeem had een achilleshiel: het duurde steeds langer om een uitgeputte plek te herstellen. De benodigde oppervlakte voor actieve heide nam toe, maar er was minder personeel, minder schapen, en minder tijd. Tegelijkertijd begonnen akkers te stuiven, raakten wegen en sloten verstopt, en daalde de beschikbaarheid van heideplaggen voor op stal.
Wat deden de boeren?
Ze brachten zand naar de stal. Niet van de heide, maar van graslanden langs beken en in de beemden. Dat zand werd vermengd met strooisel en mest, en zo keerde een deel van de bodemvruchtbaarheid terug op de akkers. De oude akkers werden daarmee letterlijk opgehoogd: op sommige plekken wel met een meter aan zandrijke mest. Die oude akkers zijn vandaag nog herkenbaar als esgronden.
Zonder dat zand, zo wisten boeren, verteerde heidestrooisel niet goed. Het vergiste niet, het rotte te traag, het leverde te weinig. De boerenpraktijk was dus een uitgekiend samenspel van heidebeheer, mesthuishouding en zandmanagement. Maar het systeem zat op het randje. De balans was fragiel. En vanaf de 19e eeuw werd dat zichtbaar.
De rol van stikstof en fosfaat
Stikstof, vaak als nitraat of ammonium, is vluchtig. Het spoelt uit, verdampt als ammoniak, of wordt via denitrificatie omgezet in gasvormige stikstofoxiden of stikstofgas. In een natuurgebied zonder intensief menselijk gebruik gaat stikstof niet volledig verloren, maar een groot deel verdwijnt uit het systeem. Fosfaat daarentegen is immobiel. Het bindt zich stevig aan bodemdeeltjes en spoelt nauwelijks uit. Wie fosfaat afvoert — via mest of biomassa — verarmt de bodem snel. In zekere zin is fosfaat een fundamenteler beperkende factor in droge zandgronden dan stikstof.
Dat betekent: wie jarenlang begraast met schapen en de mest afvoert, voert ook fosfaat af. De stikstof kan deels worden vervangen door atmosferische depositie, of via stikstofbindende vlinderbloemigen, maar fosfaat moet ergens vandaan komen. In het oude systeem kwam dat via de cyclus van zandverstuiving en spontane herbebossing, algen, en langzame bodemvorming. Maar het ging steeds trager.
Kunstmest als redding
De komst van kunstmest — vanaf pakweg 1850, met de introductie van superfosfaat en later stikstofmeststoffen — veranderde alles. Ineens was het niet meer nodig om hectares heide te beheren voor een beetje strooisel. De mestproductie kon efficiënter. Zand hoefde niet meer van ver gehaald te worden. De bemesting van akkers werd productiever. De economische waarde van de heide daalde, en veel heidegronden werden omgezet in bos, akker of grasland.
Zonder kunstmest zou het systeem waarschijnlijk zijn ingestort. De heide was haar nut kwijt, de draagkracht van het systeem was te klein geworden. Wat vandaag als ‘natuur’ wordt gekoesterd, was toen een stervende cultuurvorm.
En vandaag?
Vandaag de dag zien we een herwaardering van heide, maar met een ander doel: biodiversiteit, recreatie, cultuurhistorie. In dat kader worden schapen opnieuw ingezet. Niet om mest te produceren, maar om heide open te houden en stikstof te verwijderen. Maar wie dat doet, moet zich bewust zijn van het complete plaatje. De afvoer van fosfaat kan na verloop van tijd leiden tot verarming van de bodem. En die verarming kan, op de lange termijn, de heide opnieuw onder druk zetten.
In beleidstermen betekent dit: schapenbegrazing is geen permanente oplossing. Het is een tijdelijke maatregel, die alleen werkt in samenhang met slim bodembeheer, monitoring van nutriënten, en eventueel gerichte aanvulling van schaarse mineralen. Anders herhalen we de geschiedenis, maar dit keer zonder herstelmechanismen als zandverstuiving of plaggen.
Conclusie
Schapen hebben eeuwenlang het Nederlandse heidelandschap mede vormgegeven. Ze maakten het mogelijk om stikstof en fosfaat van de heide naar de akkers te transporteren. Maar het systeem was gebaseerd op roofbouw, waarbij bodemverarming slechts kon worden tegengegaan door grootschalige arbeid, zandtransport en natuurlijke verstuiving. Vandaag denken we opnieuw na over het nut van schapen, nu als instrument om stikstof uit natuurgebieden te halen. Maar wie alleen naar stikstof kijkt en de fosfaatbalans vergeet, loopt opnieuw het risico op uitputting.
De geschiedenis van de heide is daarmee een les in systeemdenken. Stikstof, fosfaat, bodem, menselijk gebruik, cultuurgeschiedenis — het is één geheel. Eenvoudige oplossingen bestaan niet. Maar als we het verleden goed begrijpen, kunnen we betere keuzes maken voor de toekomst.