Het voorzorgsprincipe is ooit bedacht als een nobele gedachte: als we vermoeden dat een handeling grote schade kan toebrengen aan het milieu of de volksgezondheid, dan moeten we terughoudend zijn, ook als nog niet alles wetenschappelijk bewezen is. Het principe is bedoeld voor situaties met een redelijke verdenking van ernstig gevaar, niet voor elk denkbaar micro-risico. Maar in Nederland is dit principe verworden tot een juridisch zwaard dat elk initiatief kan afsnijden – zelfs als de kans op werkelijke schade praktisch nul is.
Nergens is deze doorgeslagen toepassing zo zichtbaar als in het stikstofbeleid. De rechter, beleidsmakers en milieuorganisaties hanteren het voorzorgsprincipe alsof het een natuurwet is: zolang niet met 100% zekerheid is uitgesloten dat er misschien schade zou kunnen optreden aan een kwetsbaar natuurgebied, mag een activiteit niet doorgaan. Zelfs niet als de toegevoegde stikstofdepositie slechts 0,005 mol/ha/jaar bedraagt – een hoeveelheid die ver beneden elke praktische of meetbare effectgrens ligt.
Dat leidt tot absurde situaties. In plaats van gezonde afwegingen over risico’s, proportionaliteit en effectiviteit, ontstaat een beleid van totale risicomijding, waarbij zelfs de mogelijkheid van een minieme verslechtering voldoende is om vergunningen te weigeren. Dat is niet alleen onwerkbaar, het is ook onrechtvaardig. Want álles wat we doen brengt risico’s met zich mee. Leven betekent keuzes maken ondanks onzekerheid. En juist daarom is het belangrijk om eens stil te staan bij de idiote consequenties van een rigide voorzorgsbenadering. Hieronder tien alledaagse voorbeelden, die op een speelse manier laten zien hoe belachelijk het is om beleid te baseren op de eis dat risico’s tot nul moeten worden gereduceerd.
Tien absurde toepassingen van het voorzorgsprincipe – als we het overal zouden toepassen.
- Als ik de auto van mijn oprit afrijd, kan ik niet uitsluiten dat ik een kindje op een fiets aanrij.Toch doen we het elke dag, en noemen we dat verkeer. We nemen verantwoordelijkheid, gebruiken spiegels en gezond verstand. Maar nul risico? Dat bestaat niet.
- Als ik de dieselmotor van mijn zeilboot aanzet, kan ik niet uitsluiten dat die CO₂-uitstoot bijdraagt aan klimaatverandering.Volgens de logica van het voorzorgsbeginsel zou ik dan nooit meer de haven mogen verlaten – of ik moet overstappen op een zeilboot zonder hulpmotor. En zelfs dan: wat als mijn boot aanspoelt op een zandbank vol vogels?
- Als ik een BBQ aansteek, kan ik niet uitsluiten dat ik kanker krijg van de rook.Polycyclische aromatische koolwaterstoffen zijn immers kankerverwekkend. Maar toch doen we het – omdat het leven niet gaat over risicovrij bestaan, maar over leven met verstandige keuzes.
- Elke keer als je friet eet, consumeer je acrylamide.Dat is een mogelijk carcinogene stof. Moet friet dan verboden worden? Of accepteren we dat een leven met af en toe een frietje onderdeel is van mens-zijn?
- Als ik te lang in bed lig, kan ik niet uitsluiten dat ik doorligplekken krijg.Zeker als ik 85 ben. Dus moeten we preventief iedereen na zes uur slapen uit bed halen?
- Als ik ga hardlopen, kan ik niet uitsluiten dat ik mijn enkel verzwik.Maar niemand stelt voor om rennen te verbieden. Integendeel – we promoten het zelfs, omdat de baten groter zijn dan de risico’s.
- Bij een vliegreis naar Milaan kan niemand uitsluiten dat het vliegtuig neerstort.En toch stappen duizenden mensen elke dag in. Waarom? Omdat we het risico als acceptabel klein beschouwen.
- Als ik seks heb, kan ik niet uitsluiten dat ik een kind krijg.Zelfs met voorbehoedsmiddelen is de kans niet nul. Maar dat is geen reden om intimiteit te verbieden.
- Als ik een kaars aansteek, kan ik niet uitsluiten dat mijn huis afbrandt.Maar we nemen voorzorgsmaatregelen: we laten de kaars niet onbeheerd branden. De kaars blijft welkom in ons leven – met verstand.
- Als ik een hond uitlaat, kan ik niet uitsluiten dat hij iemand bijt.Moeten we dan honden verbieden? Of snappen we dat risico’s contextueel, beheerbaar en onderdeel van onze samenleving zijn?
Van satire naar stikstof – en de absurde realiteit
Wat hierboven speels is bedoeld, gebeurt in het stikstofdossier dagelijks in alle ernst. Door een overstrikte toepassing van het voorzorgsprincipe kunnen zelfs de meest minieme stikstofeffecten leiden tot het weigeren van vergunningen. De juridische drempel ligt bij 0,005 mol/ha/jaar, een hoeveelheid die niet te meten is, geen bewezen schade veroorzaakt, en kleiner is dan de modelonzekerheid zelf.
De Raad van State heeft in uitspraken als NL:RVS:2020:741 en NL:RVS:2019:3094 zelf al erkend dat een bijdrage boven 0,005 mol nog niet betekent dat er daadwerkelijke schade optreedt. Het betekent alleen dat je niet volledig kunt uitsluiten dat er mogelijk iets gebeurt. En dat is precies waar het spaak loopt: beleid en rechters verschuilen zich vervolgens achter het voorzorgsprincipe om niet te hoeven wegen. Ze maken geen afweging meer op basis van ernst, waarschijnlijkheid of proportionaliteit. Elk risico, hoe klein ook, wordt behandeld als een absolute stopreden.
In Duitsland gaat men daar veel rationeler mee om. Ook daar wordt gewerkt met Kritische Depositie Waarden (KDW). Ook daar is er een juridische toets op significante effecten. Maar Duitsland stelt duidelijke drempels: bijdragen onder de 21 mol/ha/jaar hoeven géén passende beoordeling te ondergaan. En voor cumulatieve effecten geldt een drempel van 3% van de KDW per plan of project. Er is wél een voorwaarde: de stikstofdruk moet dalen. Maar zelfs als dat nog niet juridisch ‘geborgd’ is, zegt men: dit is bestuurlijk verantwoord.
Nederland daarentegen heeft via de BIJ12-handreiking (in opdracht van de provincies via het IPO) juist de lijn doorgetrokken naar het absurde: 0,005 mol als grens voor elke projectbijdrage én het cumulatieve effect. Dat is niet bestuurbaar. En zelfs een rekenkundige ondergrens van 1 mol (zoals voorgesteld door sommigen) gaat niet helpen als we de voorzorgsparadox niet doorbreken: zó lang we risico’s willen uitsluiten, blijven we gevangen in stilstand.
Een samenleving zonder risico’s bestaat niet
Het leven zit vol risico’s. We accepteren dat dagelijks. Niet omdat we roekeloos zijn, maar omdat we weten dat er zonder risico geen vooruitgang is. Geen innovatie, geen mobiliteit, geen warmte, geen voedselproductie, geen vrijheid.
Het voorzorgsprincipe is een nuttig instrument als het proportioneel en verstandig wordt toegepast. Maar wat in het stikstofbeleid gebeurt, is geen voorzorg meer – het is beleidsmatige verlamming, verpakt in juridische taal. Het is alsof we niet meer durven te leven, omdat er misschien iets fout zou kunnen gaan.
Vergunningen weigeren op basis van een modelmatige bijdrage van 0,005 mol/ha/jaar – zonder bewijs van werkelijke schade – is geen bescherming van de natuur. Het is politieke lafheid en bestuurlijke traagheid vermomd als zorgvuldigheid. En het is moreel oneerlijk tegenover burgers, boeren en bedrijven die vastlopen op millimolletjes en rekenmodellen.
Conclusie – verbod op leven moet er komen
Het tijdperk van nulrisico-denken moet ten einde komen. Juist als we natuur willen beschermen, moeten we realistische keuzes maken. Dat betekent: afwegen, prioriteren, monitoren – en het durven nemen van acceptabele risico’s. Want wie het voorzorgsprincipe als absolute waarheid hanteert, komt tot de conclusie dat zelfs het leven zelf verboden moet worden.
En dat is misschien wel het grootste risico van allemaal.