WENNINK 5 – Op het Hoogtepunt van de Golf: Waarom Wennink’s Domeinenkeuzes Precies Verkeerd Getimed Zouden Kunnen Zijn?!

Dit is het vijfde en laatste deel van een serie longreads die de rapporten van Wagner (1981) en Wennink (2025) analyseert. Deel 1 vergeleek beide rapporten. Deel 2 plaatste ze in het kader van Mariana Mazzucato’s ‘Entrepreneurial State’. Deel 3 bood een fundamentele kritiek op de technocratische aannames van beide rapporten. Deel 4 stelde dat de ultieme bottleneck voor vernieuwing een gebrek aan moed en leiderschap is. Dit slotartikel gebruikt de theorie van de Kondratieff-cycli om te betogen dat de door Wennink voorgestelde domeinenkeuzes niet alleen technocratisch arrogant zijn, maar ook fundamenteel verkeerd getimed. We staan niet aan het begin van een nieuwe technologische lente, maar op het hoogtepunt van de huidige cyclus, aan de vooravond van een economische winter.

De Ritmes van de Geschiedenis – Kondratieff’s Lange Golven

De geschiedenis herhaalt zichzelf niet, maar ze rijmt. Dit adagium is nergens zo treffend als in de economische theorie van de lange golven, voor het eerst beschreven door de Russische econoom Nikolai Kondratieff in de jaren 1920. Kondratieff observeerde dat kapitalistische economieën zich niet lineair ontwikkelen, maar in lange cycli van ongeveer 40 tot 60 jaar. Elke cyclus, of ‘K-golf’, wordt aangedreven door een cluster van radicale technologische innovaties die de productiviteit verhogen, nieuwe industrieën creëren en de samenleving transformeren. Joseph Schumpeter bouwde hierop voort met zijn concept van ‘creatieve destructie’: het proces waarbij elke golf van innovatie de voorgaande vernietigt en vervangt.

Deze golven volgen een voorspelbaar patroon van seizoenen: een technologische ‘lente’ van experimentatie, een ‘zomer’ van explosieve groei, een ‘herfst’ van verzadiging en speculatie, en een ‘winter’ van crisis, herstructurering en neergang. Het begrijpen van deze seizoenen is cruciaal voor elke vorm van langetermijnstrategie, zowel voor bedrijven als voor overheden. Een strategie die werkt in de zomer, kan desastreus zijn in de winter.

Dit vijfde en laatste artikel in de serie over het Nederlandse innovatiebeleid past deze lens toe op het heden. De centrale stelling is dat het Rapport Wennink, ondanks zijn moderne en ambitieuze toon, een fundamentele misvatting maakt over het seizoen waarin we ons bevinden. Wennink’s pleidooi voor grootschalige investeringen in domeinen als AI en Quantum Computing is gebaseerd op de aanname dat we aan de vooravond staan van een nieuwe technologische lente. Een analyse van de K-golven suggereert echter het tegenovergestelde: we bevinden ons op het hoogtepunt van de herfst van de zesde golf. We staan niet aan het begin van een nieuwe boom, maar aan de vooravond van een economische winter. Wennink’s strategie is daarmee niet alleen technocratisch, zoals betoogd in deel 3, maar ook gevaarlijk anachronistisch.

Voorspellingen uit 2009, zie blog hierover – ir. Wouter de Heij (zie ook Slideshare uit 2009).

De Zesde Golf op haar Hoogtepunt (2008-2027): Gezondheid, Data en de Zoektocht naar Zingeving

De zesde Kondratieff-golf begon rond 2008, op de puinhopen van de financiële crisis die het einde van de vijfde (ICT & Globalisering) markeerde. Deze zesde golf wordt gekenmerkt door een cluster van technologieën en maatschappelijke trends rondom gezondheid, duurzaamheid, dataficering en persoonlijke technologie. Denk aan de opkomst van de smartphone als afstandsbediening van ons leven, de doorbraak van gepersonaliseerde geneeskunde (epigenetica), de obsessie met gezondheid en welzijn (wearables, quantified self), de opkomst van ‘verse’ en ‘lokale’ voeding, en de toenemende maatschappelijke druk rondom duurzaamheid en klimaatverandering.

Maatschappelijk zien we een verschuiving van het egocentrische individualisme van de vijfde golf naar een meer ’tribaal-centrische’ oriëntatie: de zoektocht naar gemeenschap, zingeving en verbinding, vaak gefaciliteerd door sociale media. De economie wordt gedomineerd door platformen die data gebruiken om vraag en aanbod te koppelen, en door de opkomst van ‘Big Data’ als de centrale productiefactor.

Volgens de cyclus-theorie duurt een golf ongeveer 40-60 jaar, met een piek na circa 20-25 jaar. Als we 2008 als startpunt nemen, bereiken we het hoogtepunt van de zesde golf rond 2025-2030. Dit is de ‘herfst’ van de cyclus. De kerntechnologieën zijn volwassen geworden, de markten raken verzadigd, en de groei vertraagt. De productiviteitswinsten van de nieuwe technologieën nemen af, terwijl de negatieve externaliteiten (sociale media verslaving, privacy-erosie, platformmonopolies) steeds duidelijker worden. Dit is precies de fase waarin we ons nu bevinden. De grote technologische doorbraken van de zesde golf liggen achter ons; we zijn nu in de fase van incrementele verbetering en marktpenetratie. De lage rente en overvloed aan kapitaal in de afgelopen jaren hebben geleid tot een zoektocht naar rendement, wat onvermijdelijk leidt tot speculatieve bubbels in de ‘volgende grote technologieën’.

De AI-Bubble – Een Echo van de Dot-Com Crash

De huidige hype rondom Artificiële Intelligentie (AI) is het schoolvoorbeeld van een herfst-bubbel. De enorme kapitaalstromen die naar AI-startups en de bouw van datacenters vloeien, worden niet gedreven door bewezen businessmodellen, maar door de angst om de volgende technologische revolutie te missen. Economen en analisten waarschuwen steeds luider voor de parallellen met de dot-com bubbel van eind jaren ’90. Ook toen werden miljarden geïnvesteerd in bedrijven zonder winst, gebaseerd op de vage belofte van een ‘nieuwe economie’. Toen de bubbel in 2000 barstte, verdampte er een enorme hoeveelheid kapitaal en volgde er een pijnlijke economische crisis.

De AI-bubbel vertoont alle klassieke kenmerken van speculatie. Ten eerste zien we exponentiële marktwaarderingen waarbij AI-bedrijven worden gewaardeerd op basis van toekomstige beloften, niet op basis van huidige winstgevendheid. Ten tweede zien we massale kapitaalinjecties: in de eerste helft van 2025 ging bijna twee-derde van de venture capital-investeringen in de VS naar AI en Machine Learning. Ten derde concentreren de investeringen zich op de ‘picks and shovels’ van de revolutie (chips, datacenters), niet op de applicaties met een bewezen businessmodel. En ten slotte zien we schuldfinanciering waarbij een aanzienlijk deel van de investeringen wordt gefinancierd met schuld, wat het systeem kwetsbaar maakt voor rentestijgingen en tegenvallende groei.

De cruciale fout die Wennink maakt, is dat hij deze speculatieve bubbel aanziet voor de lente van de zevende golf. Hij pleit voor publieke investeringen in een markt die al oververhit is en op het punt staat te corrigeren. Dit is alsof je in 1999 staatssteun zou geven aan World Online. Het is een strategie die gedoemd is om publiek geld te vernietigen.

De Economische Winter en de Geboorte van de Zevende Golf (2030-2040)

Wat gebeurt er na de herfst? De winter. Volgens de Kondratieff-cyclus zal de periode van 2027 tot 2035 gekenmerkt worden door economische neergang, crisis en herstructurering. De AI-bubbel zal barsten, wat leidt tot faillissementen, consolidatie en een pijnlijke ‘shake-out’ in de tech-sector. De overinvesteringen in de zesde golf moeten worden afgeschreven. Dit zal gepaard gaan met maatschappelijke onrust, geopolitieke spanningen en een diepe crisis in het vertrouwen in de bestaande instituties.

Maar de winter is ook het seizoen van creatieve destructie. Juist in de diepte van de crisis worden de zaden geplant voor de volgende lente. Ondernemers die de crash overleven, of nieuwe ondernemers die juist dan instappen, zullen de technologische doorbraken van de zesde golf op een nieuwe, duurzame manier gaan combineren. Uit de as van de AI-bubbel zullen de échte, levensvatbare toepassingen van AI verrijzen. De focus zal verschuiven van speculatieve modellen naar het oplossen van reële problemen.

Welke thema’s zullen de zevende golf (ca. 2040-2070) dan aandrijven? Het is per definitie onmogelijk om dit met zekerheid te voorspellen, omdat innovatie een emergent proces is. Maar op basis van de onderstroom van de huidige ontwikkelingen kunnen we een aantal contouren schetsen.

Ten eerste zullen we een symbiose van biologie en technologie zien. De convergentie van biotechnologie, nanotechnologie en AI zal leiden tot een fundamentele herdefinitie van leven en gezondheid. Denk aan ‘living technology’, het 3D-printen van biologische materialen, en de volledige integratie van technologie in het menselijk lichaam (bionica). Dit gaat veel verder dan de huidige medische toepassingen; het betreft een fundamentele fusie van het biologische en het technologische.

Ten tweede zullen we een verschuiving zien naar gedecentraliseerde en duurzame systemen. De crisis van de gecentraliseerde systemen (energie, voedsel, financiën) zal leiden tot een verschuiving naar gedistribueerde, veerkrachtige netwerken. Denk aan duurzame, lokale energienetten, cellulaire landbouw en een ‘physical internet’ voor logistiek. Dit is niet alleen een technische verschuiving, maar een fundamentele herziening van hoe we energie, voedsel en informatie organiseren.

Ten derde zal een ‘nature-centric’ economie ontstaan. De ecologische crisis zal een economisch model afdwingen dat niet langer gebaseerd is op extractie, maar op symbiose met de natuur. Dit gaat verder dan duurzaamheid; het gaat om regeneratieve landbouw, ‘nature rights’ en technologie die de natuur niet vervangt, maar versterkt. Dit is een radicale breuk met het extractivistische model van de vorige golven.

Ten slotte zullen we het einde van bezit zien. De verschuiving naar ‘Everything-as-a-Service’ zal doorzetten, waarbij de waarde niet langer in het product zit, maar in de toegang tot de functionaliteit. Dit heeft radicale implicaties voor ons concept van eigendom en consumptie. De economie zal minder gericht zijn op het produceren van dingen, en meer op het leveren van diensten en ervaringen.

Deze thema’s zijn fundamenteel anders dan de enge, technologische domeinen die Wennink definieert. Ze zijn systemisch, maatschappelijk en diep verweven met de grote uitdagingen van onze tijd. Ze kunnen niet worden geplanned door een commissie; ze zullen organisch ontstaan uit de creativiteit van duizenden ondernemers die de kansen van de crisis zien.

Epiloog: De Moed om te Wachten en de Wijsheid om te Zien

De analyse van de Kondratieff-cycli leidt tot een ongemakkelijke maar onontkoombare conclusie: de strategie van het Rapport Wennink is fundamenteel verkeerd getimed. Door nu vol in te zetten op de speculatieve technologieën van de zevende golf, dreigt Nederland publiek geld te verspillen aan een bubbel die op barsten staat, terwijl de kansen van de huidige, zesde golf worden verwaarloosd.

Wat is dan het alternatief? Het is een strategie die veel meer moed en geduld vereist dan het simpelweg uitschrijven van een cheque. Het is een strategie die gebaseerd is op de wijsheid om de seizoenen van de economie te herkennen en daarnaar te handelen.

Ten eerste moet Nederland de zesde golf uitmelken. In plaats van te speculeren op de toekomst, moet Nederland zich richten op het maximaliseren van de waarde van de huidige golf. Versterk de concurrentiekracht in gezondheidstechnologie, duurzame energie-oplossingen en datagedreven diensten. Dit zijn de sectoren waar nu het geld wordt verdiend en waar de Nederlandse kennisbasis sterk is. Dit is geen glamoureus voorstel, maar het is realistisch en winstgevend.

Ten tweede moet Nederland zich voorbereiding op de winter. Accepteer dat er een economische neergang aankomt. Bouw financiële buffers op, zowel publiek als privaat. Creëer een sociaal vangnet dat de klappen van de herstructurering kan opvangen. En, cruciaal, creëer een ‘safe-fail’ omgeving waarin ondernemers kunnen experimenteren met de technologieën die de kern van de zevende golf zullen vormen. Dit is niet het moment voor grote, risicovolle investeringen, maar voor voorzichtige experimenten.

Ten derde moet Nederland ondernemerschap faciliteren, niet domeinen sturen. De overheid moet stoppen met de arrogante poging om de winnaars van morgen te voorspellen. De zevende golf zal niet ontstaan uit een plan van een commissie, maar uit de creativiteit en het doorzettingsvermogen van duizenden ondernemers. De rol van de overheid is niet om te sturen, maar om te faciliteren: door het wegnemen van bureaucratische barrières, het investeren in fundamenteel onderwijs en onderzoek, en het creëren van een cultuur waarin risico nemen wordt beloond.

Dit is een strategie van nederigheid en realisme. Het erkent dat de toekomst niet kan worden gepland, maar alleen kan worden ontdekt. Het vereist leiders die niet de waan van de dag volgen, maar die de diepe, onderliggende ritmes van de geschiedenis begrijpen. Het vereist de moed om te wachten als de tijd niet rijp is, en de wijsheid om te zien waar de échte kansen liggen als de lente van de zevende golf eindelijk aanbreekt.

Referenties

[1] Kondratieff, N. D. (1925). The Major Economic Cycles. Archiv für Sozialwissenschaft und Sozialpolitik.

[2] Schumpeter, J. A. (1942). Capitalism, Socialism and Democracy. Harper & Brothers.

[3] De Heij, W. (2009). Innovatie Management deel 1: Kondratiev. Blogspot. https://wdeheij.blogspot.com/2009/11/innovatie-management-deel-1-kondratiev.html

[4] De Heij, W. (2016). Food4Innovations Blog Januari 2016. Food4Innovations. https://food4innovations.blog/2016/01/

[5] De Heij, W. (2015). Slides Kondratieff Cycles – The Future of Food. SlideShare. https://www.slideshare.net/slideshow/slides-kondratieff-cycles-the-future-of-food-v1/56595311#3

[6] The Bulletin of the Atomic Scientists. (2025). When it all comes crashing down: The aftermath of the AI boomhttps://thebulletin.org/2025/12/when-it-all-comes-crashing-down-the-aftermath-of-the-ai-boom/

[7] Yale Insights. (2025). This Is How the AI Bubble Burstshttps://insights.som.yale.edu/insights/this-is-how-the-ai-bubble-bursts

[8] NPR. (2025). Here’s why concerns about an AI bubble are bigger than everhttps://www.npr.org/2025/11/23/nx-s1-5615410/ai-bubble-nvidia-openai-revenue-bust-data-centers

[9] De Heij, W. (2025). WENNINK 1 – Twee Tijdperken, Één Dringende Oproep: Een Vergelijkende Analyse van de Rapporten Wagner (1981) en Wennink (2025). Food4Innovations. https://food4innovations.blog/2025/12/13/wennink-1-twee-tijdperken-een-dringende-oproep-een-vergelijkende-analyse-van-de-rapporten-wagner-1981-en-wennink-2025/

[10] De Heij, W. (2025). WENNINK 2 – Voorbij de Marktmeester: Wagner, Wennink en de Ondernemende Staat van Mazzucato. Food4Innovations. https://food4innovations.blog/2025/12/13/wennink2-voorbij-de-marktmeester-wagner-wennink-en-de-ondernemende-staat-van-mazzucato/

[11] De Heij, W. (2025). WENNINK 3 – Van Industrieel Elan naar Technocratische Illusie: Waarom Nederland Innovatie Niet Kan Plannen en Dus ook Niet Moet Gaan Doen. Food4Innovations. https://food4innovations.blog/2025/12/13/wennink-3-van-industrieel-elan-naar-technocratische-illusie-waarom-nederland-innovatie-niet-kan-plannen-en-dus-ook-niet-moet-gaan-doen/

[12] De Heij, W. (2025). WENNINK 4 – De Amputatie van de Ziel: Een Pleidooi voor Moed, Integriteit en de Ingenieur als Bouwmeester. Food4Innovations. https://food4innovations.blog/2025/12/13/wennink-4-de-amputatie-van-de-ziel-een-pleidooi-voor-moed-integriteit-en-de-ingenieur-als-bouwmeester/

WENNINK 4 – De Amputatie van de Ziel: Een Pleidooi voor Moed, Integriteit en de Ingenieur als Bouwmeester. Terug naar ‘Vonken’ en zo snel mogelijk stoppen met ‘Vinken’.

Dit is het vierde en een na laatste deel van een serie longreads die de rapporten van Wagner (1981) en Wennink (2025) analyseert. Deel 1 vergeleek beide rapporten. Deel 2 plaatste ze in het kader van Mariana Mazzucato’s ‘Entrepreneurial State’. Deel 3 bood een fundamentele kritiek op de technocratische aannames van beide rapporten. Dit slotartikel stelt dat de ultieme bottleneck voor vernieuwing niet institutioneel of financieel is, maar een diepgaand gebrek aan een specifiek soort leiderschap: een combinatie van morele moed, intellectuele integriteit en de pragmatische bouwersmentaliteit van de ingenieur.

De Amputatie van de Ziel – Een Moreel Manifest

In de iconische film Scent of a Woman (1992) houdt de blinde, verbitterde luitenant-kolonel Frank Slade, gespeeld door Al Pacino, een vlammend betoog ter verdediging van een jonge, integere student. De speech is meer dan een verdediging; het is een moreel manifest tegen een systeem dat lafheid beloont en integriteit bestraft. Slade beschrijft hoe hij keer op keer de juiste weg zag, maar deze nooit nam omdat die “te verdomd moeilijk” was. Hij spreekt over leiders die hun ziel hebben geamputeerd om hun carrière te redden, die kiezen voor de duisternis omdat het licht een te groot gewetensbezwaar met zich meebrengt. “En dat, mijn vrienden,” zo dondert hij, “is de dood van de ziel.”

Deze scène is een krachtige metafoor voor de diepere crisis die ten grondslag ligt aan de stagnatie die de rapporten van Wagner en Wennink proberen te adresseren. De vorige artikelen in deze serie hebben de institutionele en economische aspecten van het Nederlandse innovatieprobleem geanalyseerd. We zagen hoe de focus verschoof van industrieel elan naar technocratische planning, hoe de staat een steeds grotere rol kreeg toebedeeld, en hoe de cruciale rol van de ondernemer werd gemarginaliseerd. Maar de ultieme bottleneck is niet het gebrek aan geld, instituties of plannen. Het is een gebrek aan moed. Een gebrek aan leiders die, in de woorden van Slade, de moeilijke maar juiste weg durven te kiezen.

We leven in een tijd van morele luiheid, waarin leiderschap te vaak wordt verward met management. Waar integriteit wordt ingeruild voor opportunisme en waar de angst om te falen groter is dan de wil om te creëren. Dit artikel is een pleidooi voor een ander soort leiderschap. Een leiderschap dat geworteld is in de moed om tegen de stroom in te gaan, de integriteit om de waarheid te spreken (ook als die ongemakkelijk is), en de pragmatische, bouwende mentaliteit van de ingenieur. Want het zijn niet de juristen, de economen of de managers die onze toekomst creëren. Het zijn de bouwers.

De Managementziekte – Van Controle naar Vertrouwen

De crisis van moed en integriteit manifesteert zich het duidelijkst in de manier waarop we onze organisaties besturen. Zoals hoogleraar Mathieu Weggeman scherp analyseert, zijn veel organisaties nog steeds gebouwd op de 19e-eeuwse principes van Scientific Management: een model van planning, controle en hiërarchie. Dit systeem, ontworpen voor voorspelbare, industriële processen, is funest voor de moderne kenniswerker. Het creëert een cultuur van wantrouwen, waarin professionals worden gereduceerd tot uitvoerders en hun creativiteit en autonomie systematisch worden ondermijnd. Het resultaat is een managementziekte die zich uit in een obsessie met regels, protocollen en Key Performance Indicators (KPI’s). We zijn beland in een cultuur van ‘vinken’ in plaats van ‘vonken’.

Weggeman pleit voor een radicale verschuiving van controle naar vertrouwen, van managen naar faciliteren. De moderne leider is geen baas die opdrachten geeft, maar een coach die de condities creëert waarin professionals kunnen excelleren. Dit vereist het loslaten van de illusie van controle en het omarmen van ‘flow’: de staat van diepe concentratie en intrinsieke motivatie waarin mensen hun beste werk leveren. Dit is geen ‘softe’ benadering, maar een strategische noodzaak. Onderzoek toont aan dat autonomie, meesterschap en zingeving de belangrijkste drijfveren zijn voor kenniswerkers. Een leider die deze elementen faciliteert, ontsluit een enorm potentieel aan productiviteit en innovatie.

Deze visie wordt versterkt door de komst van nieuwe generaties op de werkvloer. ‘Werknemer 2.0’ is niet langer loyaal aan een organisatie, maar aan een vak, een missie en een netwerk. Zij verlangen naar flexibiliteit, zingeving en een leider die hen coacht in plaats van controleert. Het onvermogen van traditionele organisaties om deze generatie aan te trekken en te behouden, is een tikkende tijdbom onder onze economische toekomst. De ‘generatie-stilte’ – de communicatiekloof tussen de hiërarchisch denkende babyboomers en de netwerk-georiënteerde millennials – moet worden doorbroken. Dit vraagt om leiders die de rol van culturele vertaler op zich durven nemen en een omgeving van psychologische veiligheid creëren waarin verschillende perspectieven worden gewaardeerd.

De Ingenieur als Bouwmeester – Een Pleidooi voor ‘Safe-Fail’

De managementziekte is niet alleen een probleem van ‘softe’ cultuur; het heeft een diepe, methodologische wortel. Onze samenleving wordt gedomineerd door wat ik het ‘juridisch-economische complex’ noem: een denkwijze die de werkelijkheid probeert te vangen in modellen, contracten en risicoanalyses. Dit leidt tot een ‘fail-safe’ cultuur, waarin alles erop gericht is om falen te voorkomen. Grote, rigide plannen worden opgesteld, risico’s worden tot in het absurde geanalyseerd en elke stap wordt ingedekt. Het resultaat is verlamming. Niemand durft meer een beslissing te nemen, omdat de angst om een fout te maken groter is dan de wil om iets te bereiken.

Hier staat de mentaliteit van de ingenieur lijnrecht tegenover. De ingenieur is geen planner, maar een ontwerper. Een ontwerper weet dat de werkelijkheid te complex is om volledig te voorspellen. De enige manier om vooruit te komen is door te bouwen, te testen en te leren. Dit is de essentie van de ‘safe-fail’ aanpak: het creëren van een omgeving waarin het veilig is om te falen, zolang je er maar van leert. In plaats van één groot, perfect plan, voer je een serie van kleine, gecontroleerde experimenten uit in de praktijk. Mislukking is geen afgang, maar een waardevolle bron van data.

Dit is de praktische vertaling van moed. Het is de moed om de onvoorspelbaarheid van de werkelijkheid te omarmen. Het is de moed om te zeggen: “We weten het niet precies, dus laten we het proberen.” Dit is de kern van de implementatie-paradox: grote transities falen niet omdat de plannen slecht zijn, maar omdat de lineaire, ‘fail-safe’ aanpak fundamenteel botst met de dynamiek van een complexe wereld. Echte verandering is geen project dat je uitrolt, maar een evolutionair proces dat je faciliteert. Het vereist leiders die niet langer als architecten van een blauwdruk opereren, maar als tuiniers die een vruchtbare bodem creëren waarin nieuwe ideeën kunnen ontkiemen.

De Corrosie van het Kennisfundament

Leiderschap vereist niet alleen moed, maar ook een betrouwbaar kompas. Dat kompas zou de wetenschap moeten zijn: een objectieve, kritische bron van kennis die ons helpt de juiste beslissingen te nemen. Maar wat als dat kompas zelf gecorrumpeerd raakt? De ‘amputatie van de ziel’ treft niet alleen individuele leiders, maar heeft zich ook diep genesteld in onze kennisinstituties.

In mijn kritiek op het Nederlandse universitaire stelsel heb ik betoogd dat de academische vrijheid niet primair van buitenaf wordt bedreigd, maar van binnenuit wordt uitgehold. Een cultuur van conformisme, de jacht op publicaties en subsidies, en een angst voor tegenspraak hebben de wetenschappelijke methode onder druk gezet. Falsificatie – de kern van wetenschappelijke vooruitgang – wordt steeds vaker gezien als een bedreiging in plaats van een noodzakelijk onderdeel van het proces. Wetenschap is geen democratie waar de meerderheid bepaalt wat waar is; het is een meedogenloze zoektocht naar de argumenten die het best bestand zijn tegen kritiek. Wanneer consensus belangrijker wordt dan het kritische debat, verliest de wetenschap haar ziel en haar maatschappelijke legitimiteit.

De waarschuwing van energieprofessor David Smeulders over de risico’s van ‘wiebelstroom’ is een pijnlijk voorbeeld van wat er gebeurt als de ingenieursrealiteit wordt genegeerd ten gunste van ideologische wensdromen. Jarenlang werd de betaalbaarheid en betrouwbaarheid van onze energievoorziening verwaarloosd in de haast om te ‘vergroenen’. Het vergt moed om de ongemakkelijke waarheid te vertellen dat een stabiel energienet niet alleen op zon en wind kan draaien. Het vergt integriteit om te erkennen dat de technische en economische realiteit zich niet laat buigen door politieke wil. Wanneer leiders en hun adviseurs deze moed en integriteit missen, varen we als samenleving blind op een ramp af.

De metafoor van de Amerikaanse ‘muscle car’ (brute kracht, inefficiënt) versus de elegante Duitse sportauto (slim, efficiënt) is hier van toepassing. Onze huidige aanpak van complexe problemen, of het nu gaat om energie, stikstof of innovatie, is te vaak die van de muscle car: we proberen problemen op te lossen door er met brute kracht (geld, regels, instituties) tegenaan te gooien. Wat we nodig hebben, is de elegantie van de ingenieur: een slim, systeemgericht ontwerp dat de onderliggende principes begrijpt en met minimale inspanning maximaal resultaat boekt.

Epiloog: Een Oproep tot Moed

De rapporten van Wagner en Wennink, hoe verschillend ook in hun tijd en context, delen een fundamentele blinde vlek. Ze zoeken de oplossing in het systeem, in de structuur, in het geld. Ze gaan voorbij aan de essentie: dat elke grote sprong voorwaarts in de geschiedenis werd gedragen door individuen met een onredelijke hoeveelheid moed. Moed om de status quo uit te dagen, moed om te bouwen wat nog niet bestaat, en de moed om te falen en opnieuw te beginnen.

Nederland heeft geen nieuw industrieel elan nodig dat van bovenaf wordt opgelegd. Het heeft geen Nationale Investeringsbank nodig om te bepalen welke technologieën de toekomst hebben. Het heeft geen technocratische plannen nodig die de illusie van controle bieden.

Wat Nederland nodig heeft, is een amputatie van de angst. Een herontdekking van de ziel. We hebben leiders nodig die de moeilijke weg kiezen. Leiders die vertrouwen geven in plaats van controle eisen. Leiders die de moed hebben om te zeggen: “We weten het niet, dus laten we het proberen.” We hebben ingenieurs nodig die weer mogen bouwen, ondernemers die weer mogen dromen, en wetenschappers die weer vrij mogen denken.

De toekomst van Nederland wordt niet bepaald in de vergaderzalen van Den Haag of in de directiekamers van de Zuidas. Hij wordt gebouwd in de werkplaatsen, de laboratoria en de garages van degenen die de moed hebben om hun handen vuil te maken. De weg vooruit is geen kwestie van meer geld of meer instituties. Het is een kwestie van meer moed, meer integriteit en meer ruimte voor de bouwers.

Referenties

[1] Weggeman, M. (2025). De Essentie van Modern Leiderschap: Van Controle naar Vertrouwen en Flow. Food4Innovations.

[2] Weggeman, M. (2025 ). De Generatie-Stilte Doorbreken: Leiderschap voor Werknemer 2.0. Food4Innovations.

[3] Csikszentmihalyi, M. (1990 ). Flow: The Psychology of Optimal Experience. Harper & Row.

[4] Groothengel, P. (2020). Leiderschap: Kies juist nu voor vertrouwen en autonomie. Boom Management.

[5] De Heij, W. (2025). Het Ontwerpvraagstuk Nederland: Waarom Modern Leiderschap Ingenieurskunst Nodig Heeft. Niet Fail-Save, maar Safe-Fail. Food4Innovations.

[6] De Heij, W. (2025 ). De Implementatie-Paradox: Waarom Goede Intenties Falen en Hoe We Echte Verandering Bewerkstelligen. Food4Innovations.

[7] Schumpeter, J. (1942 ). Capitalism, Socialism and Democracy. Harper & Brothers.

[8] De Heij, W. (2025). Het Echte Gevaar voor de Academische Vrijheid: Zelfdestructie van Binnenuit. Food4Innovations.

[9] De Heij, W. (2025 ). Wetenschap is geen Democratie: De Kracht van Argumenten Boven Consensus. Food4Innovations.

[10] Hossenfelder, S. (2024 ). Science is Not a Democracy. YouTube.

[11] De Heij, W. (2025). De Waarschuwing van de Energieprofessor: David Smeulders over Blackoutrisico’s, “Wiebelstroom,” en de Noodzaak van Realisme. Food4Innovations.

[12] Smeulders, D. (2025 ). Nederland op weg naar een Black-out? Hoogleraar slaat alarm over stroomnet. NPO Radio 1 / Op z’n Kop.

[13] De Heij, W. (2025 ). De Competitie Tussen ChatGPT en DeepSeek: Een Metafoor van Spierkracht versus Elegantie. Food4Innovations.

[14] De Heij, W. (2024 ). De Toekomst van Gezondheidsdata: Ingestible Sensors en de Impact op Voeding en Gezondheid. Food4Innovations.

[15] Brest, M. (1992 ). Scent of a Woman [Film]. Universal Pictures.

WENNINK 3 – Van Industrieel Elan naar Technocratische Illusie: Waarom Nederland Innovatie Niet Kan Plannen (en dus ook niet moet gaan doen).

Waarom Dit Artikel – Twee Rapporten, Één Denkfout

In de annalen van het Nederlandse industriebeleid staan twee rapporten als monumenten van hun tijd. Het eerste, Een nieuw industrieel elan (1981) van de Adviescommissie-Wagner, was een noodkreet, geboren uit de diepe economische crisis van de late jaren zeventig, gekenmerkt door massawerkloosheid, een imploderende maakindustrie en een algeheel gevoel van nationaal defaitisme [1]. Het was een oproep tot actie, een pleidooi om de industriële motor van Nederland weer aan te zwengelen. Vierendertig jaar later, in 2025, verschijnt het rapport De Route naar Toekomstige Welvaart van de commissie-Wennink [2]. Ditmaal is de context anders, maar de urgentie niet minder. Het rapport is geboren uit een gevoel van stagnatie, geopolitieke onzekerheid en het knagende besef dat Nederland, ondanks zijn welvaart en kennisinfrastructuur, de boot van de mondiale technologische voorhoede dreigt te missen.

Twee momentopnamen, gescheiden door bijna een halve eeuw, maar met een opvallend vergelijkbare reflex. Beide rapporten, hoe verschillend ook in hun specifieke aanbevelingen, delen een diepgeworteld geloof in de maakbaarheid van innovatie vanuit een centrale, sturende overheid. De focus ligt op de staat als regisseur, op het ontwerpen van slimme instituties (de Maatschappij voor Industriële Projecten (MIP) in 1981, de Nationale Investeringsbank (NIB) en het Nationaal Agentschap voor Baanbrekende Innovatie (NABI) in 2025), en op het identificeren van ‘sleuteltechnologieën’ of ‘strategische domeinen’ waarin geïnvesteerd moet worden. Met alle respect voor de gedegen analyses en de onmiskenbare noodzaak die beide rapporten adresseren, zit hier iets fundamenteel scheef.

Dit artikel betoogt dat de kern van het Nederlandse innovatieprobleem niet ligt in een gebrek aan geld, kennis of institutioneel ontwerp, maar in een 44-jarige erosie van de factoren die écht aan de basis van vernieuwing staan: ondernemerschap, een praktische bouwcultuur en de institutionele ruimte om te mogen falen. De rapporten Wagner en Wennink, elk op hun eigen manier, zijn symptomen van een diepere trend: de verschuiving van een ondernemende, bouwende samenleving naar een technocratisch gemanagede kenniseconomie. Dit is geen nostalgisch betoog voor een geïdealiseerd verleden, maar een structurele kritiek op een denkfout die ons al decennia lang in zijn greep houdt.

De Afwezige Actor: Ondernemerschap

Het meest veelzeggende aspect van zowel het rapport-Wagner als het rapport-Wennink is niet wat erin staat, maar wie er grotendeels in ontbreekt: de ondernemer. Niet als abstract concept of als ontvanger van beleid, maar als de centrale, drijvende kracht achter het innovatieproces. Beide rapporten behandelen de ondernemer als een afgeleide variabele in een technocratisch model, in plaats van de onvoorspelbare, risiconemende actor die hij in werkelijkheid is.

Het rapport-Wagner stelt weliswaar dat de “zelfwerkzaamheid van bedrijven voorop staat”, maar werkt dit nergens uit als een fundamentele systeemfactor. Het rapport spreekt over sectoren, projecten en kapitaal, maar de dynamiek van start-ups, de moed die nodig is voor het nemen van kapitaalrisico, en de cruciale rol van falen als leerproces blijven onderbelicht. De voorgestelde MIP was een instrument voor het grootbedrijf en de staat, niet voor de pionierende MKB’er in een garage.

Het rapport-Wennink, vier decennia later, herhaalt deze omissie in een modern jasje. Het spreekt de taal van ecosystemen, kennisvalorisatie en publiek-private samenwerking, maar de ondernemer blijft een passieve ‘gebruiker’ van de voorgestelde instituties. Hij kan aankloppen bij de NIB voor financiering of samenwerken in een door de overheid gedefinieerd ‘strategisch domein’, maar hij staat niet aan het roer. Innovatie wordt in deze visie iets dat je kunt managen, sturen en organiseren vanuit commissies, roadmaps en calls for proposals.

Dit staat haaks op de realiteit van hoe baanbrekende vernieuwing tot stand komt. Innovatie ontstaat niet in de vergaderzalen van ministeries of in de ivoren torens van universiteiten. Het ontstaat bij individuen en kleine teams die, gedreven door een visie, een frustratie of een briljant idee, bereid zijn om alles op het spel te zetten. Ze nemen risico’s die geen enkele ambtenaar of grootbedrijf-manager zou durven nemen. Ze bouwen, ze experimenteren, ze falen, en ze beginnen opnieuw. Dit proces is per definitie chaotisch, onvoorspelbaar en niet te plannen. Zoals al in 2011 werd betoogd in de ‘Blueprint voor Innovatiebeleid’: “Grand designs werken niet – ze reduceren ondernemerschap tot een uitvoeringsmechanisme” [3].

De gevolgen van dit ‘ondernemerschap-deficit’ in het beleidsdenken zijn zichtbaar. Nederland heeft, met uitzondering van ASML en enkele spin-offs, de afgelopen decennia nauwelijks nieuwe industriële zwaartepunten van wereldformaat voortgebracht. Sterker nog, we zien een uittocht van onze kroonjuwelen. Unilever en Shell verplaatsten hun hoofdkantoor naar Londen, en DSM fuseerde met een Zwitsers bedrijf. We zijn beter in het exporteren van onze succesvolle bedrijven dan in het creëren van nieuwe. De rapporten Wagner en Wennink bieden geen overtuigend antwoord op de vraag waarom dit gebeurt, omdat ze de culturele en systemische wortels van ondernemerschap negeren.

Technologie Voorspellen: De Technocratische Verleiding

Een tweede, diepgewortelde denkfout die beide rapporten delen, is de technocratische verleiding om de toekomst te willen voorspellen. Zowel Wagner als Wennink proberen, met de beste bedoelingen, een lijst op te stellen van ‘belangrijke technologiegebieden’ die de economie van morgen zullen domineren. Wagner richtte zijn pijlen op onder meer micro-elektronica, biotechnologie en nieuwe materialen. Wennink benoemt AI, quantumcomputing, life sciences en de energietransitie als de strategische domeinen waar Nederland op moet inzetten. De impliciete aanname is dat technologische ontwikkeling een planbaar proces is en dat de overheid, als een alwetende schaakmeester, de juiste velden kan kiezen om op te spelen.

Deze aanname is niet alleen arrogant, maar ook historisch onjuist. Het verwart het bestaan van een technologie met het ontstaan van een markt, een cultuur en een geopolitieke realiteit. De geschiedenis van de innovatie wordt niet geschreven door commissies die technologieën selecteren, maar door onvoorspelbare, lange golven van sociaal-technische verandering, zoals beschreven door de econoom Nikolai Kondratieff 4. Een Kondratieff-cyclus, die typisch 40 tot 60 jaar duurt, beschrijft hoe een radicale basistechnologie (zoals de stoommachine, de verbrandingsmotor of de microchip) zich door de economie verspreidt. Deze cyclus kent verschillende fasen: een lange, onzekere aanloopperiode van experimentatie, een explosieve groeifase waarin nieuwe markten en bedrijven ontstaan, een fase van volwassenheid en consolidatie, en uiteindelijk een periode van stagnatie, waarna een nieuwe golf begint.

De cruciale les van Kondratieff is dat aan het begin van een cyclus niemand kan voorspellen welke technologie de volgende golf zal aandrijven, en nog minder welke bedrijven zullen domineren. In 1990 voorspelde geen enkel overheidsrapport de opkomst van het World Wide Web. In 2005 voorzag geen enkele ‘strategische roadmap’ de dominantie van de smartphone. En in 2015 had geen enkele commissie de explosieve doorbraak van generatieve AI op haar lijst staan. Deze revoluties werden niet gepland; ze ontstonden uit een samenspel van militair onderzoek, academische nieuwsgierigheid en, bovenal, ondernemers (en hun klanten) die een commerciële toepassing zagen die niemand anders zag.

De technocratische benadering van Wagner en Wennink stelt de verkeerde vraag. De vraag is niet: “Welke technologieën worden belangrijk?”, maar: “Hoe creëren we een systeem dat veerkrachtig en adaptief genoeg is om te profiteren van de technologieën die belangrijk worden, ongeacht welke dat zijn?” Door te focussen op een beperkt aantal vooraf gekozen domeinen, legt de overheid al haar eieren in een paar mandjes, gebaseerd op de consensus van vandaag, niet op de realiteit van morgen. Dit is geen strategie, maar een gok.

Van Belofte naar Oligopolie – en Dan?

Het denken in Kondratieff-cycli legt nog een ander fundamenteel probleem bloot in de logica van de rapporten. De levenscyclus van een succesvolle technologie eindigt vrijwel altijd in een oligopolie. De explosieve, creatieve fase van een nieuwe markt, met honderden startups en concurrenten, maakt na verloop van tijd plaats voor een consolidatieslag. Schaalvoordelen, netwerkeffecten en patenten zorgen ervoor dat slechts een handvol bedrijven overblijft die de markt domineren. De chemische industrie wordt gedomineerd door giganten als BASF en Dow. De halfgeleiderindustrie wordt bepaald door TSMC, Samsung en Intel. De wereld van software en internet is in handen van een handvol Amerikaanse ‘Big Tech’-bedrijven.

De cruciale vraag die de rapporten Wagner en Wennink niet stellen, is deze: gegeven de structuur van de Nederlandse economie, waarom zouden de winnende oligopolies van de volgende technologische golf in Nederland landen? De historische en huidige realiteit is ontnuchterend. Nederland heeft een kleine thuismarkt, hoge kosten voor arbeid en energie, een extreem gejuridiseerde samenleving en een geografische positie die ver verwijderd is van de technologische zwaartepunten in de VS en Azië. Het is dan ook geen verrassing dat we onze eigen multinationals zien vertrekken, in plaats van dat we nieuwe zien ontstaan.

De strategie om vol in te zetten op een paar ‘kansrijke’ domeinen, zoals Wennink voorstelt, is daarom strategisch extreem risicovol. Zelfs áls Nederland erin slaagt om een leidende kennispositie op te bouwen in bijvoorbeeld quantumcomputing, is de kans groot dat de uiteindelijke commerciële dominantie en de productie neerslaan in landen met een grotere thuismarkt, lagere kosten en een gunstiger ondernemersklimaat. De Nederlandse staat heeft dan de initiële, meest risicovolle investeringen gefinancierd, terwijl de uiteindelijke economische baten (winsten, banen in productie, belastinginkomsten) grotendeels elders terechtkomen. We socialiseren de risico’s, maar privatiseren de beloningen – en die privatisering vindt niet eens plaats binnen onze eigen landsgrenzen.

Een veel robuustere strategie zou zijn om niet te streven naar dominantie in een paar specifieke domeinen, maar naar economische veerkracht door maximale spreiding. Dit betekent het creëren van een vruchtbare bodem waarop duizenden verschillende bloemen kunnen bloeien, in de wetenschap dat de meeste het niet zullen redden, maar dat de diversiteit zelf het systeem stabiel en adaptief maakt. Het betekent het stimuleren van een breed en gevarieerd MKB, in plaats van het najagen van de volgende ASML. Het betekent, kortom, het omarmen van onzekerheid in plaats van het najagen van de illusie van controle.

De Verstikkende Context: Regelgeving, Juridisering en Stilstand

Misschien wel de grootste blinde vlek in het rapport-Wennink is de onderkenning van de diepgewortelde institutionele en juridische barrières die innovatie in Nederland verlammen. Het rapport stipt weliswaar aan dat er “te veel regelgeving” is, maar het durft de analyse niet door te trekken naar de verwoestende gevolgen ervan. Het probleem is niet een gebrek aan geld of slimme ideeën, maar een overheid die haar eigen economie verstikt in een web van procedures, protocollen en voorzorgsprincipes. Geen investeringsbank ter wereld kan een ondernemer helpen als hij jaren moet wachten op een vergunning of vastloopt in een juridisch moeras.

Deze ‘regelzucht’ is geen nieuw fenomeen. Al in 1981 signaleerde de commissie-Wagner de “trage en omslachtige vergunningsprocedures” en een “veto-mentaliteit” in de samenleving als belangrijke obstakels voor industrieel elan. Wat in 44 jaar is veranderd, is dat deze problemen niet zijn opgelost, maar geëscaleerd tot een systeem van geïnstitutionaliseerde stilstand. Nederland is veranderd van een rule-based economie, waarin duidelijke en voorspelbare regels het speelveld markeren, naar een rule-obsessed economie, waarin juridische precisie en het uitsluiten van elk denkbaar risico de primaire doelen zijn geworden. Bestuurlijke afweging en gezond verstand hebben plaatsgemaakt voor een juridische uitputtingsslag.

De voorbeelden zijn legio en pijnlijk herkenbaar. De stikstofcrisis, een direct gevolg van decennialang juridisch en bestuurlijk falen, heeft geleid tot een de facto bouwstop voor fabrieken, woningen en infrastructuur. Het verkrijgen van een milieuvergunning voor een industriële installatie is een proces van jaren geworden, met een hoge kans op juridische procedures van belangengroepen. In de voedselinnovatie, een sector waar Nederland van oudsher in uitblinkt, duurt de Europese Novel Food-procedure gemiddeld 2,56 jaar, een bureaucratische marathon die elke startup de nek omdraait [5]. Zoals treffend beschreven in het blog ‘Europa’s Innovatiedilemma’, zijn we gevangen geraakt tussen voorzorg en verstarring [6]. We bestuderen liever de pier dan dat we de boot bouwen.

Het rapport-Wennink stelt als oplossing een ‘Commissaris voor Toekomstige Welvaart’ voor, die moet helpen om knelpunten te doorbreken. Dit is een klassieke technocratische reflex: als het systeem vastloopt, creëren we een nieuwe institutionele laag om het vlot te trekken. Maar dit is symptoombestrijding. Het echte probleem is de onderliggende complexiteit en de risico-aversie van het systeem zelf. Wat nodig is, is niet een nieuwe commissaris, maar een radicale vereenvoudiging en deregulering. Een overheid die durft te zeggen: “We accepteren een bepaald risico in ruil voor snelheid en innovatie.” Zonder die fundamentele cultuuromslag blijft elke investering, hoe groot ook, steken in de modder van de Nederlandse regelzucht.

Innovatie Zonder Bouwen is een Contradictie

Een high-tech economie is uiteindelijk een economie die fysieke dingen maakt. Het vereist fabrieken, testfaciliteiten, laboratoria, en een cultuur van ingenieurs en technici die met hun voeten in de klei staan. Innovatie is niet alleen een intellectuele exercitie; het is een ambacht. Het is het pijnlijke, iteratieve proces van ontwerpen, bouwen, testen, falen en verbeteren. Zoals in 2014 al werd betoogd: “Bedenken en maken horen bij elkaar” [7]. Een land dat het ‘maken’ verleert, verliest onvermijdelijk ook het vermogen om te ‘bedenken’.

Als we de voorstellen van Wennink langs deze meetlat leggen, valt een verontrustend patroon op. De strategische domeinen en de voorgestelde projecten zijn grotendeels ‘niet-grondgebonden’. Ze focussen op software (AI), abstracte wetenschap (quantum, biotech) en data. Dit zijn ongetwijfeld belangrijke velden, maar ze reflecteren een dieper ongemak in de Nederlandse cultuur: een voorkeur voor het schone, het abstracte en het digitale, en een afkeer van het vuile, het fysieke en het industriële. We zijn een land geworden dat uitblinkt in PowerPoints, maar terugdeinst voor beton, staal en installaties.

Deze culturele verschuiving heeft reële gevolgen. We leiden steeds minder technici en ingenieurs op die in staat zijn om complexe productielijnen te ontwerpen en te beheren. De ‘bouwcultuur’ die Nederland na de oorlog groot maakte, is verdampt. De norm is niet langer de fabriekshal, maar het thuiskantoor. We zijn een natie van consultants, analisten en managers geworden, die de fysieke productie liever uitbesteden aan lagelonenlanden. Het succes van ASML, een bedrijf dat juist uitblinkt in het bouwen van extreem complexe fysieke machines, wordt bewonderd, maar niet meer geëmuleerd. Maar het is ook een relict uit een ander tijdperk (een toevalstreffer), en dus geen blauwdruk voor de toekomst.

Het rapport-Wennink erkent dit probleem niet, en verergert het mogelijk zelfs door de focus op niet-grondgebonden technologieën. Het creëert de illusie dat we een leidende kenniseconomie kunnen zijn zonder een bijbehorende maakindustrie. Dit is een gevaarlijke contradictie. Een land dat niet meer bouwt, verliest de praktische kennis en de ‘tacit knowledge’ die essentieel zijn voor het volgende niveau van innovatie. Het wordt een land van bedenkers zonder handen, dat uiteindelijk afhankelijk wordt van de landen die nog wel durven te bouwen.

Van Focus naar Veerkracht: Een Alternatief Kader

Als de technocratische, top-down benadering van zowel Wagner als Wennink fundamenteel gebrekkig is, wat is dan het alternatief? Het antwoord ligt niet in een nóg slimmer institutioneel ontwerp of een nóg beter gekozen lijst van technologieën. Het antwoord ligt in een radicale omkering van de filosofie: van een beleid gericht op focus en controle naar een beleid gericht op diversiteit en veerkracht. De blauwdruk hiervoor werd al in 2011 geschetst: een innovatiebeleid dat niet probeert de toekomst te voorspellen, maar een ecosysteem creëert waarin de toekomst zichzelf kan uitvinden [3].

De kern van dit alternatieve kader is het loslaten van de pretentie van centrale planning. Geen nationale ‘topsectoren-bingo’, geen door de staat gesanctioneerde technologielijsten. In plaats daarvan moet de overheid zich richten op het creëren van de randvoorwaarden waarbinnen ondernemerschap kan floreren, in welke vorm dan ook. Dit betekent:

  1. Een ‘Safe-Fail’ Aanpak: In plaats van enkele, grootschalige ‘moonshot’-projecten te financieren, moet de overheid een omgeving creëren die duizenden kleine experimenten faciliteert. Dit vereist een cultuur waarin falen niet wordt bestraft, maar wordt gezien als een essentieel onderdeel van het leerproces. Het betekent snelle en eenvoudige toegang tot startkapitaal, testfaciliteiten en mentorschap, zonder de bureaucratische rompslomp van traditionele subsidieprogramma’s.
  2. Open Innovatieprogramma’s: De overheid kan en moet wel richting geven, maar niet door specifieke technologieën te dicteren. In plaats van calls voor ‘quantumcomputing-projecten’, zou de overheid brede maatschappelijke missies moeten formuleren (bijvoorbeeld: “halveer het materiaalgebruik in de bouw” of “creëer een volledig circulair voedselsysteem”). Binnen deze missies krijgen ondernemers de vrijheid om met hun eigen, onorthodoxe oplossingen te komen. De beoordeling moet niet gebaseerd zijn op technologische hypes, maar op de potentie van het businessmodel, de creativiteit van de oplossing en de gedrevenheid van het team.
  3. Diversiteit Zaaien: Economische veerkracht ontstaat uit diversiteit. De overheid moet daarom niet streven naar de creatie van enkele nationale kampioenen, maar naar een rijk en gevarieerd ecosysteem van MKB-bedrijven, regionale clusters en nichespelers. Dit betekent een verschuiving van de aandacht van de Randstad naar de regio, van de grote technologie-instituten naar de lokale maakbedrijven, en van de gevestigde orde naar de disruptieve nieuwkomers.
  4. Radicale Deregulering: Dit is het meest cruciale en tegelijkertijd het moeilijkste onderdeel. Het echte innovatiebeleid is geen investeringsbeleid, maar een dereguleringsbeleid. Het betekent het drastisch versnellen van vergunningsprocedures, het vereenvoudigen van het arbeidsrecht voor startups, en het vervangen van het voorzorgsprincipe door een meer pragmatisch ‘proportionaliteitsbeginsel’. De overheid moet zichzelf niet zien als de bewaker van alle risico’s, maar als de facilitator van gecontroleerde risiconeming.

In dit model is de rol van kennisinstellingen en universiteiten ondersteunend, niet leidend. Zij leveren het talent en de fundamentele kennis, maar de agenda wordt bepaald door de ondernemers die een probleem in de markt zien en daar een oplossing voor willen bouwen. Het is een model dat de piramide omdraait: niet de staat aan de top, maar de ondernemer.

Epiloog: Wat We Opnieuw Moeten Durven

De rapporten van de commissies-Wagner en -Wennink zijn waardevolle documenten, niet zozeer vanwege hun aanbevelingen, maar als spiegels van hun tijd. Wagner had gelijk over de urgentie van industrieel herstel in 1981. Wennink heeft gelijk over de dreigende stagnatie en het verlies van technologische soevereiniteit in 2025. Maar beiden trappen in dezelfde valkuil: het geloof dat innovatie een planbaar, maakbaar en centraal te sturen proces is. Ze missen het hart van de zaak: innovatie is geen functie van geld of instituties, maar van cultuur, moed en vrijheid.

De afgelopen 44 jaar hebben we in Nederland een systeem geperfectioneerd dat risico’s minimaliseert, processen juridiseert en de status quo beschermt. We hebben de chaotische, onvoorspelbare energie van het ondernemerschap ingeruild voor de geordende, maar steriele wereld van de technocratie. We zijn vergeten hoe we moeten bouwen, hoe we moeten falen, en hoe we opnieuw moeten beginnen.

Een nieuw industrieel elan zal dan ook niet ontstaan uit een nieuw rapport, een nieuwe commissaris of een nieuwe investeringsbank. Het zal ontstaan uit ruimte. Ruimte om te bouwen zonder jarenlange vergunningstrajecten. Ruimte om te falen zonder sociaal of financieel stigma. En ruimte om opnieuw te beginnen, wijzer geworden door de praktijk. Dit vereist niet meer geld, maar minder regelgeving. Niet meer instituties, maar meer ondernemerschap. Niet meer planning, maar meer vrijheid.

Referenties

[1] Adviescommissie inzake het Industriebeleid (1981). Een nieuw industrieel elan. Staatsuitgeverij.

[2] Wennink, P. (2025). De Route naar Toekomstige Welvaart: Een sterk Nederland in een relevant Europa.

[3] De Heij, W. (2011, 27 februari). De grote oplossing van alles (en dat terwijl grand designs niet werken). Food4Innovations.

[4] Kondratieff, N. D., & Stolper, W. F. (1935). The Long Waves in Economic Life. The Review of Economics and Statistics, 17(6), 105–115.

[5] Le Bloch, J., et al. (2025). The novel food evaluation process delays access to food innovation in the European Union. npj Science of Food, 9(117).

[6] De Heij, W. (2025, 16 november). EUROPA’S INNOVATIEDILEMMA: GEVANGEN TUSSEN VOORZORG EN VERSTARRING. EUROPA EN NEDERLAND LOPEN ACHTER EN DAT IS ZORGELIJK! Food4Innovations.

[7] De Heij, W. (2014, 26 januari). Innoveren is #doen in de #praktijk – Bedenken en realiseren (=maken) horen heel dicht bij elkaar. Food4Innovations.

WENNINK 2 – Voorbij de Marktmeester: Wagner, Wennink en de Ondernemende Staat van Mazzucato

De Staat als Ondernemer?

In de decennia tussen het Rapport Wagner (1981) en het Rapport Wennink (2025) is het denken over de economische rol van de overheid fundamenteel veranderd. Waar de staat lang werd gezien als een passieve ‘marktmeester’ die slechts ingrijpt om marktfalen te corrigeren, is er een groeiende erkenning voor haar actieve, ondernemende rol in het hart van het innovatieproces. Deze paradigmaverschuiving wordt wellicht het meest treffend verwoord door econoom Mariana Mazzucato in haar invloedrijke werk The Entrepreneurial State [1].

Mazzucato stelt de conventionele wijsheid ter discussie dat innovatie primair voortkomt uit de dynamiek van de private sector, met de overheid in een faciliterende, maar ondergeschikte rol. Zij toont aan dat achter vrijwel elke radicale, baanbrekende technologie – van het internet en GPS tot biotechnologie en nanotechnologie – een geduldige, risiconemende en missie-gedreven overheid schuilgaat. De staat is geen simpele subsidieverstrekker, maar een ‘investor of first resort’ die de onzekere, kapitaalintensieve beginfases van technologische revoluties financiert, lang voordat private durfkapitalisten het aandurven [2].

Deze longread analyseert de rapporten van Wagner en Wennink door de lens van Mazzucato’s theorie. We onderzoeken in hoeverre hun voorstellen voor publiek-private samenwerking (PPS) passen binnen het traditionele ‘marktfalen’-paradigma, versus het modernere paradigma van de ‘ondernemende staat’. De analyse toont een duidelijke evolutie: van een staat die de markt wil repareren en aanzwengelen (Wagner) naar een staat die markten actief wil creëren en richting wil geven (Wennink).

Het Marktfalen-Paradigma: De Staat als Reparatiefonds

Het traditionele economische argument voor overheidsingrijpen in innovatie is gebaseerd op het concept van marktfalen. Omdat de baten van fundamenteel onderzoek (kennis) voor een groot deel ‘weglekken’ naar de samenleving (positieve externaliteiten), hebben private bedrijven onvoldoende prikkels om hierin te investeren. De staat moet dit gat vullen door fundamenteel onderzoek aan universiteiten te financieren en subsidies te verstrekken [3]. In deze visie is de rol van de staat beperkt tot het corrigeren van een suboptimale uitkomst, waarna de markt het overneemt.

“The market failure view of government funding has a particular understanding of returns. While private enterprises deserve the ‘profit’ created, public organizations can gain by focusing on spillovers that emerge from wealth creation.” – Laplane & Mazzucato (2020) [4]

Deze visie impliceert een strikte scheiding tussen de publieke en private rol. De staat neemt het ‘onrendabele’ risico in de vroege fase, de private sector neemt het over zodra de commerciële potentie duidelijk wordt en plukt de vruchten. De maatschappelijke winst voor de staat komt indirect, via belastingen op de gecreëerde werkgelegenheid en bedrijfswinsten.

Wagner (1981): Een Stap Richting Ondernemerschap, Geworteld in Marktfalen

Het Rapport Wagner, geschreven in een tijd van economische crisis en de-industrialisatie, kan worden gezien als een poging om voorbij het passieve marktfalen-denken te komen. De voorgestelde Maatschappij voor Industriële Projecten (MIP) was geen generiek subsidieloket, maar een actieve, projectontwikkelende entiteit die risicodragend kapitaal zou verstrekken aan nieuwe industriële initiatieven [5].

In Mazzucato’s termen was de MIP een duidelijke stap richting een meer ondernemende rol. De staat zou niet alleen fundamenteel onderzoek financieren, maar ook direct participeren in commerciële projecten, en daarmee een deel van het ondernemersrisico op zich nemen. Het doel was offensief en selectief: het aanjagen van een ‘herindustrialisatie’ in veelbelovende sectoren. De nadruk op een professioneel bestuur op afstand van de politiek en de katalyserende rol om privaat kapitaal aan te trekken, zijn elementen die ook in moderne visies op staatsinvesteringsbanken centraal staan.

Toch bleef de onderliggende legitimering van de MIP grotendeels geworteld in het marktfalen-paradigma. De MIP moest ingrijpen omdat de kapitaalmarkt faalde in het voorzien van voldoende risicodragend vermogen voor grootschalige industriële projecten. Het doel was het repareren van een haperende markt en het aanzwengelen van private investeringen. De MIP was een instrument om de industriële motor weer op gang te krijgen, niet primair om geheel nieuwe technologische paden te creëren of maatschappelijke missies te volbrengen. Het was een ‘developmental state’ instrument, maar nog geen volwaardige ‘entrepreneurial state’ in de zin van Mazzucato.

Wennink (2025): De Volledige Omarming van de Ondernemende en Missie-Gedreven Staat

Het Rapport Wennink, veertig jaar later, ademt een fundamenteel andere geest. De wereld is veranderd: globalisering, digitale transformatie, klimaatverandering en geopolitieke spanningen vragen om een ander soort overheidsoptreden. Wennink’s voorstellen zijn een bijna schoolvoorbeeld van Mazzucato’s ‘ondernemende staat’ en haar latere werk over ‘missie-georiënteerd beleid’ [6] [7].

Mazzucato’s PrincipeImplementatie in Rapport Wennink (2025)
1. De Staat als Risiconemer & Markt-CreatorDe staat moet niet alleen markten ‘repareren’ maar actief markten co-creëren. Dit gebeurt door te investeren in de gehele innovatieketen, van fundamenteel onderzoek tot opschaling.
2. Missie-Georiënteerd BeleidDe staat moet grote maatschappelijke uitdagingen (‘missies’) definiëren (bv. klimaat, gezondheid) en innovatiebeleid inzetten om deze missies te volbrengen. Dit geeft richting en creëert nieuwe markten.
3. Socialiseren van Risico’s én BatenAls de staat de hoogste risico’s neemt, moet zij ook kunnen delen in de opbrengsten. Dit creëert een revolverend fonds (successen betalen voor de mislukkingen) en legitimeert de rol van de staat.
4. Dynamische Publiek-Private SamenwerkingDe relatie is geen statische subsidierelatie, maar een symbiotisch ecosysteem waarin publieke en private partijen samenwerken, van elkaar leren en waarde co-creëren.

De voorstellen van Wennink gaan fundamenteel verder dan die van Wagner. Waar Wagner’s MIP een reactie was op een falende markt, zijn Wennink’s NIB en NABI proactieve instrumenten om de markt te vormen en te sturen in een gewenste richting. De legitimering is niet langer alleen economisch (het repareren van marktfalen), maar ook maatschappelijk en strategisch: het versnellen van transities en het borgen van strategische autonomie. Dit is de kern van Mazzucato’s denken: de staat niet als ‘lender of last resort’, maar als ‘investor of first resort’ en ‘shaper of what is to come’.

Van Reparateur naar Regisseur ?

De vergelijking tussen de rapporten Wagner en Wennink door de lens van Mariana Mazzucato’s The Entrepreneurial State illustreert een diepgaande evolutie in het Nederlandse industrie- en innovatiebeleid. Wagner’s MIP was een moedige en noodzakelijke stap voorbij het passieve beleid van de jaren zeventig, een eerste erkenning dat de staat een actieve, risiconemende rol moest spelen. Het bleef echter conceptueel verankerd in het idee van de staat als reparateur van een falende (kapitaal)markt.

Wennink’s voorstellen, vier decennia later, representeren de volledige omarming van de staat als ondernemer en regisseur (deze stelling vraagt natuurlijk om een vervolgartikel, over de vraag “is dat wel zo’n goed idee?”).

De voorgestelde institutionele architectuur (NIB/NABI), de focus op missie-gedreven strategische domeinen, en de ambitie om de gehele innovatieketen te bestrijken, zijn een directe vertaling van de principes die Mazzucato propageert. Het doel is niet langer simpelweg ‘herindustrialisatie’, maar het actief vormgeven van een hoogproductieve, duurzame en strategisch autonome economie.

De reis van de MIP naar de NIB is daarmee meer dan een institutionele update; het is een conceptuele revolutie. Het markeert de overgang van een staat die de economie probeert te repareren, naar een staat die het vertrouwen heeft om de economie van de toekomst mede te creëren.

Referenties

[1] Mazzucato, M. (2013). The Entrepreneurial State: Debunking Public vs. Private Sector Myths. Anthem Press.

[2] Mazzucato, M. (2015). The Innovative State. Foreign Affairs, 94(1), 15.

[3] Arrow, K. J. (1962). Economic Welfare and the Allocation of Resources for Invention. In R. R. Nelson (Ed.), The Rate and Direction of Inventive Activity: Economic and Social Factors (pp. 609–625). Princeton University Press.

[4] Laplane, A., & Mazzucato, M. (2020). Socializing the risks and rewards of public investments: Economic, policy, and legal issues. Research Policy: X, 2(1), 100008.

[5] Adviescommissie inzake het Industriebeleid (1981). Een nieuw industrieel elan. Staatsuitgeverij.

[6] Mazzucato, M. (2018). Mission-oriented innovation policies: challenges and opportunities. Industrial and Corporate Change, 27(5), 803–815.

[7] Kattel, R., & Mazzucato, M. (2018). Mission-oriented innovation policy and dynamic capabilities in the public sector. Industrial and Corporate Change, 27(5), 787–801.

[8] Wennink, P. (2025). De Route naar Toekomstige Welvaart: Een sterk Nederland in een relevant Europa.

WENNINK 1 – Twee Tijdperken, Eén Dringende Oproep: Een Vergelijkende Analyse van de Rapporten Wagner (1981) en Wennink (2025)

De Cyclische Roep om Industrieel Elan

De Nederlandse economische geschiedenis wordt gekenmerkt door periodieke momenten van introspectie, waarin de natie haar verdienvermogen en toekomstperspectief onder de loep neemt. Vaak gebeurt dit in tijden van crisis, wanneer de fundamenten van de welvaart lijken te wankelen. Twee rapporten, gepubliceerd met een tussenpoos van meer dan vier decennia, springen in het oog als cruciale ijkpunten in dit debat: het rapport van de Adviescommissie inzake het Industriebeleid onder voorzitterschap van G.A. Wagner, “Een nieuw industrieel elan” (1981), en het recente rapport van Peter Wennink, “De Route naar Toekomstige Welvaart” (2025). 

Beide documenten, geschreven door vooraanstaande figuren uit het bedrijfsleven, werden gelanceerd in een periode van diepe economische en maatschappelijke onzekerheid. Ze delen een fundamentele boodschap: de Nederlandse industrie is de motor van de welvaart, en zonder een krachtig en vernieuwend industriebeleid staat de toekomst van het land op het spel. Deze longread duikt diep in beide rapporten. Wat zijn de opvallende overeenkomsten in hun diagnose en aanbevelingen? En, misschien nog wel belangrijker, waarin verschillen ze fundamenteel, en wat vertellen die verschillen ons over de veranderde wereld en de evolutie van het denken over industrie- en innovatiebeleid in Nederland?

De Context: Twee Tijdperken, Twee Crises

Om de rapporten op waarde te schatten, moeten we de context waarin ze ontstonden begrijpen. Het Rapport Wagner verscheen in 1981, op het dieptepunt van een economische crisis die we nu kennen als stagflatie. De jaren zeventig werden gekenmerkt door twee olieschokken, exploderende werkloosheid, hoge inflatie en een stagnerende productie. De naoorlogse periode van onafgebroken groei was ten einde. De industrie, ooit de trotse motor van de wederopbouw, zuchtte onder hoge loonkosten, een sterke gulden en een uitdijende collectieve sector die middelen wegtrok bij de private sector. Er heerste een diep pessimisme over de toekomst van de Nederlandse industrie, die in een “neerwaartse spiraal” leek te zijn beland. De centrale vraag voor de commissie-Wagner was dan ook: hoe doorbreken we deze stagnatie en blazen we de industrie nieuw leven in?

Ruim veertig jaar later, in 2025, schetst het Rapport Wennink een al even urgent, maar complexer beeld. Nederland bevindt zich niet in een enkelvoudige economische crisis, maar in wat vaak een ‘polycrisis’ wordt genoemd. De geopolitieke spanningen, met name de technologische rivaliteit tussen de Verenigde Staten en China, hebben de mondiale waardeketens onzeker gemaakt. De klimaatcrisis dwingt tot een ongekende energietransitie. Demografische verschuivingen, zoals de vergrijzing, zetten de publieke financiën onder druk. En de digitale revolutie, aangejaagd door kunstmatige intelligentie (AI), verandert de economie in een tempo dat zijn weerga niet kent.

De zorg van Wennink is niet zozeer de acute werkloosheid, maar de structurele uitholling van het Nederlandse verdienvermogen en het verlies van strategische relevantie op het wereldtoneel. De vraag is niet langer alleen hoe we groeien, maar waarin we moeten groeien om onze welvaart en autonomie veilig te stellen.

De Grote Overeenkomsten: Een Echo door de Decennia

Ondanks de verschillende contexten, is het opvallend hoe de rapporten Wagner en Wennink op fundamentele punten met elkaar resoneren. Het lezen van beide documenten voelt soms als een echo door de tijd, wat suggereert dat bepaalde economische waarheden en beleidsdilemma’s een hardnekkig karakter hebben.

1. De Industrie als Onmisbare Motor

Beide rapporten verdedigen met verve de centrale rol van de industrie. Wagner stelt onomwonden dat de “enorme betekenis van de industrie voor onze welvaart in het algemeen en voor de werkgelegenheid, de economische groei en de betalingsbalans in het bijzonder” wordt miskend [1]. Het rapport keert zich tegen de destijds populaire gedachte dat Nederland kon transformeren naar een pure diensten- of handelseconomie. Een “nieuw industrieel elan” en “herindustrialisatie” zijn essentieel.

Wennink bouwt hierop voort, maar met een 21e-eeuwse focus. Voor hem is een hoogproductieve, technologisch geavanceerde industrie de sleutel tot toekomstige welvaart. Hij waarschuwt dat de Nederlandse economie de afgelopen decennia is verschoven naar laagproductieve sectoren, wat de algehele productiviteitsgroei drukt. Zonder een sterke, innoverende maakindustrie, zo is de boodschap, verliest Nederland de basis om de grote maatschappelijke transities te financieren en zijn internationale positie te handhaven. Beide rapporten zien de industrie dus niet als een relict uit het verleden, maar als de onmisbare motor voor de toekomst.

2. De Noodzaak van Investeringen en Innovatie

De kern van de diagnose in beide rapporten is een tekort aan productieve investeringen. Wagner pleit voor een “herallocatie van consumptieve bestedingen naar investeringen” [1]. De focus lag in de jaren zeventig te veel op de verdeling van de welvaart en te weinig op het creëren ervan. De collectieve lastendruk moest omlaag en de winstgevendheid van bedrijven moest hersteld worden om private investeringen in modernisering en vernieuwing aan te jagen.

Wennink kwantificeert dit probleem met een alarmerende precisie. Hij becijfert dat Nederland een investeringsgat heeft van €151 tot €187 miljard over de komende tien jaar om de benodigde productiviteitsgroei te realiseren [2]. Hij laat zien dat Nederland, in vergelijking met de VS, relatief te veel investeert in vastgoed en te weinig in machines, apparatuur en intellectueel eigendom – de kapitaalgoederen die de productiviteit daadwerkelijk verhogen. Beide rapporten zien het stimuleren van R&D, technologische vernieuwing en het moderniseren van het kapitaalapparaat als de primaire route naar een hogere productiviteit en duurzame groei.

3. De Overheid als Facilitator, Niet als Directeur

Een derde opvallende parallel is de visie op de rol van de overheid. Beide rapporten wijzen een model van een centraal sturende, interventionistische staat af. De “zelfwerkzaamheid van individuele bedrijven staat voorop”, aldus Wagner [1]. De rol van de overheid is “constituerend en stimulerend”. Het rapport pleit voor een fundamentele omslag van een defensief “steunbeleid”, gericht op het overeind houden van zieltogende bedrijven, naar een proactief “stimuleringsbeleid”, gericht op het creëren van kansen voor de toekomst.

Wennink spreekt in vergelijkbare termen over het op orde brengen van de “randvoorwaarden”. De overheid moet niet kiezen welke bedrijven winnen, maar moet zorgen voor een excellent vestigingsklimaat: snelle vergunningen, een betrouwbaar en betaalbaar energienet, een goed opgeleide beroepsbevolking en een sterke (kennis)infrastructuur. De overheid creëert het speelveld, maar de bedrijven moeten het spel spelen.

Deze visie vertaalt zich ook in opmerkelijk vergelijkbare institutionele voorstellen. Wagner adviseert de oprichting van een Maatschappij voor Industriële Projecten (MIP), die op commerciële basis risicodragend kapitaal moest verstrekken voor nieuwe, grotere projecten. Dit moest een aanvulling zijn op de bestaande Nationale Investeringsbank (NIB), die zich meer op bestaande bedrijven richtte. Wennink stelt eveneens een Nationale Investeringsbank nieuwe stijl voor, naast een Nationaal Agentschap voor Baanbrekende Innovatie. De gedachte van een op afstand van de politiek geplaatste, professioneel geleide entiteit die publiek-private investeringen in strategische projecten aanjaagt, is in veertig jaar tijd dus een constante gebleven.

De Fundamentele Verschillen: Een Veranderde Wereld

Ondanks de echo’s zijn de verschillen tussen de rapporten misschien nog wel leerzamer. Ze tonen een wereld die fundamenteel is veranderd en een denken over industriebeleid dat mee is geëvolueerd.

1. Van Concurrentiekracht naar Strategische Autonomie

Het meest fundamentele verschil is de geopolitieke lens. De wereld van Wagner was overzichtelijk. De Koude Oorlog verdeelde de wereld in twee blokken, en de economische strijd speelde zich voornamelijk af binnen het Westen, tussen de OESO-landen. Het sleutelwoord was concurrentiekracht. Het ging erom de loonkosten in de hand te houden en de exportpositie ten opzichte van landen als Duitsland en Japan te verbeteren. Geopolitiek was een achtergrondvariabele, geen directe factor in het industriebeleid.

De wereld van Wennink is multipolair en onvoorspelbaar. De technologische rivaliteit tussen de VS en China is de bepalende factor geworden. Toegang tot technologie is een machtsmiddel. Het sleutelwoord is niet langer alleen concurrentiekracht, maar strategische relevantie en technologische soevereiniteit. Wennink’s analyse is doordrenkt van dit geopolitieke besef. Hij waarschuwt dat Europa en Nederland technologisch afhankelijk dreigen te worden, een ‘afnemer’ in plaats van een ‘vormgever’ van technologie. Zijn beroemde adagium vat deze nieuwe realiteit perfect samen: “Wie technologisch niet meetelt, zit niet aan tafel – en wie niet aan tafel zit, staat op het menu” [2]. Deze geopolitieke urgentie, de noodzaak om als land en continent een speler te blijven in de mondiale technologische machtsstrijd, is de belangrijkste nieuwe dimensie die Wennink toevoegt aan het debat.

2. Van Sectorale Focus naar Technologische Ecosystemen

Het verschil in technologische focus is eveneens groot. Wagner’s rapport spreekt over “hoofdaandachtsgebieden” en “activiteitenvelden”, maar blijft relatief abstract. De technologische vernieuwing van de vroege jaren ’80, zoals micro-elektronica en automatisering, was vaak gericht op het verbeteren van processen binnen bestaande industrieën. Het beleid was nog sterk sectoraal georiënteerd.

Wennink denkt in termen van diepe, fundamentele technologieën die de basis vormen voor compleet nieuwe industrieën en waardeketens. Hij identificeert vier strategische domeinen: Digitalisering & AI, Veiligheid & Weerbaarheid, Energie- & Klimaattechnologie, en Life Sciences & Biotechnologie. Binnen deze domeinen gaat het om sleuteltechnologieën als geavanceerde halfgeleiders, quantum computing, fotonica, en synthetische biologie. De focus ligt niet op het ondersteunen van losse sectoren, maar op het versterken van de technologische ecosystemen waarin universiteiten, startups, gevestigde bedrijven en investeerders samenwerken om deze complexe technologieën te ontwikkelen en naar de markt te brengen. Dit weerspiegelt een veel geavanceerder begrip van hoe moderne innovatie tot stand komt.

3. Van Kostenpost naar Innovatiebron: De Rol van Duurzaamheid

De positie van het milieubeleid is misschien wel de meest symbolische verschuiving in denken. In het rapport Wagner worden “milieukosten” primair gezien als een last, een factor die de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie kan schaden [1]. Het rapport pleit ervoor dat het milieubeleid de concurrentiepositie “in aanmerking moet nemen”. Duurzaamheid als concept of als kans voor innovatie is volledig afwezig.

In het rapport Wennink is de energietransitie en de klimaatcrisis juist een van de centrale drijfveren voor het nieuwe industriebeleid. Energie- & Klimaattechnologie is een van de vier strategische domeinen. Het rapport ziet de noodzaak om te verduurzamen niet als een bedreiging, maar als een enorme economische kans. Het ontwikkelen van technologieën voor duurzame energie, circulaire economie en energie-efficiëntie wordt gezien als een manier om nieuwe markten aan te boren, hoogwaardige werkgelegenheid te creëren en tegelijkertijd de strategische afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen. De transitie van ‘milieu als kostenpost’ naar ‘duurzaamheid als innovatiebron’ is compleet.

Een Blijvende Agenda voor Nederland

De vergelijking tussen het Rapport Wagner (1981) en het Rapport Wennink (2025) is een fascinerende reis door de tijd. Het laat zien dat de roep om een sterk industriebeleid, gedreven door investeringen en innovatie, een constante is in de Nederlandse economische geschiedenis. De fundamentele overtuiging dat een land dat dingen maakt en bedenkt, een veerkrachtiger en welvarender land is, heeft de decennia overleefd. De nadruk op de rol van de overheid als facilitator en de noodzaak van publiek-private samenwerking is eveneens een blijvende les.

De verschillen zijn echter minstens zo veelzeggend. Ze tonen een Nederland dat zich bewust is geworden van zijn plaats in een complexere, meer gepolariseerde wereld. De naïviteit van de jaren ’80 heeft plaatsgemaakt voor een hard geopolitiek realisme. De focus is verschoven van sectorale concurrentiekracht naar technologische soevereiniteit. En de maatschappelijke uitdagingen van klimaat en duurzaamheid zijn getransformeerd van een last tot een centrale pijler van de nieuwe economische strategie.

Samen vormen de rapporten een krachtig pleidooi. Wagner’s oproep voor “een nieuw industrieel elan” leidde in de jaren ’80 tot een beleidsomslag die, samen met het Akkoord van Wassenaar, de basis legde voor economisch herstel. De vraag is of de even dringende oproep van Wennink in 2025 een vergelijkbaar effect zal hebben. Zijn analyse is scherp, zijn routekaart is helder. Het is, net als in 1981, aan de politiek, het bedrijfsleven en de sociale partners om de urgentie te voelen en de moed te tonen om te handelen. De toekomst van de Nederlandse welvaart hangt er, opnieuw, vanaf.

Referenties

[1] Adviescommissie inzake het Industriebeleid (1981). Een nieuw industrieel elan. Staatsuitgeverij.
[2] Wennink, P. (2025).De Route naar Toekomstige Welvaart: Een sterk Nederland in een relevant Europa.https://www.rapportwennink.nl/downloads/rapport_wennink_12december2025.pdf

De Minister Femke Wiersma als Sisyphus: Waarom het Stempel ‘Koppig’ of ‘Onkundig’ Zelden het Hele Verhaal Vertelt. Een ministerie en instituties die hun “eigen” beleid blijven doorduwen en een minister als voorbijganger zien.

Zie ook dit korte stukje op www.stikstofinfo.net

De recente media-aandacht rondom landbouwminister Femke Wiersma biedt een fascinerende casus voor een diepere analyse van de processen en krachtenvelden waarbinnen een minister in Nederland moet opereren. Waar media als het NRC de minister al snel bestempelen als ‘koppig’, ‘onervaren’ en een ‘blokkade’ voor vooruitgang [1], toont een meer systemische benadering een complexer en genuanceerder beeld. De vraag is niet zozeer óf de minister haar werk goed doet, maar veeleer welke onzichtbare stromen en structuren haar effectiviteit bepalen. Deze analyse met een wetenschappelijke en licht theoretische inslag, onthult dat de minister vaak meer weg heeft van een moderne Sisyphus dan van een almachtige bestuurder.

De Minister in het Krachtenveld: Een Bestuurskundig Perspectief

Om de positie van een minister te begrijpen, moeten we verder kijken dan de persoon en de politieke partij. Een minister is een actor in een complex, gelaagd systeem, waarin verschillende krachten en logica’s met elkaar in conflict zijn. De bestuurskunde biedt een aantal nuttige concepten om dit krachtenveld te duiden. In de context van de casus-Wiersma, zoals geanalyseerd in een lezenswaardig Substack-artikel [2], springen er drie in het oog: bureaucratic entrenchment, coalitional drift en institutionele blokkade.

BegripDefinitieToepassing op de casus-Wiersma
Bureaucratic EntrenchmentHet fenomeen waarbij een ambtelijk apparaat niet alleen beleid uitvoert, maar ook het bestaande beleidsregime verdedigt, reproduceert en voortzet, zelfs tegen de wens van de politieke leiding in.Het ministerie van LNV presenteerde het bestaande stikstofbeleid als een voldongen feit en werkte de alternatieve voorstellen van de minister niet of nauwelijks uit.
Coalitional DriftHet verschijnsel dat coalitiepartners op papier instemmen met een koerswijziging, maar in de praktijk weinig energie en steun leveren om die verandering daadwerkelijk te realiseren.VVD en NSC stemden in met het regeerakkoord, maar toonden in de praktijk weinig enthousiasme voor de BBB-lijn en boden onvoldoende rugdekking.
Institutionele BlokkadeDe situatie waarin een beleidsdossier zo sterk is verankerd in wet- en regelgeving, jurisprudentie en internationale verdragen, dat een koerswijziging vrijwel onmogelijk wordt.Het stikstofdossier is dermate verjuridiseerd (o.a. door de Habitatrichtlijn) dat elke afwijking van het bestaande pad direct op juridische bezwaren stuit.

Deze drie factoren creëren een omgeving waarin een minister, ondanks een democratisch mandaat voor verandering, nauwelijks bewegingsruimte heeft. De ambtelijke top, de coalitiepartners en het juridische kader vormen een drie-eenheid die de status quo bewaakt en vernieuwing frustreert.

De Casus-Wiersma: Een Illustratie van Systemische Weerstand

De NRC-reconstructie [1] beschrijft hoe minister Wiersma op diverse momenten beleidsprocessen “blokkeerde”. Ze schrapte het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG), hield de publicatie van bedrijfsadressen van veehouderijen tegen en weigerde het bestaande stikstofbeleid onverkort voort te zetten. Vanuit het perspectief van het bestaande beleidsregime zijn dit inderdaad blokkades. Vanuit het perspectief van het nieuwe, door de kiezer gelegitimeerde beleid van de BBB, zijn dit echter logische en noodzakelijke interventies.

Het Substack-artikel [2] werpt hier een ander licht op. Het beschrijft hoe de minister vanaf haar aantreden werd geconfronteerd met een ambtelijk apparaat dat haar niet zozeer informeerde over de beleidsopties, maar haar vooral instrueerde over de onvermijdelijkheid van het bestaande beleid. Dit is een klassiek voorbeeld van bureaucratic entrenchment. Het ministerie, dat jarenlang heeft geïnvesteerd in een bepaalde beleidslijn, is niet geneigd om die lijn zomaar te verlaten. Het presenteert het beleid als een quasi-natuurwet, in plaats van als een politieke keuze die voor herziening vatbaar is.

Daar komt de coalitional drift bij. De VVD en NSC, die in de formatie akkoord gingen met de nieuwe koers, bleken in de praktijk huiverig voor een harde confrontatie met Brussel en voor nieuwe juridische procedures. Ze boden de minister onvoldoende steun om de ambtelijke en juridische weerstand te doorbreken. Zoals het Substack-artikel het treffend verwoordt: “op papier was voldoende steun om een kabinet te vormen; in de praktijk was er voldoende scepticisme om beleidsdoorbraken te blokkeren.”

De institutionele blokkade is in het stikstofdossier evident. De Europese Habitat- en Nitraatrichtlijnen, in combinatie met de uitspraken van de Raad van State, hebben een juridisch harnas gesmeed dat nauwelijks ruimte laat voor alternatieve benaderingen. Elke poging om de rekenkundige ondergrens in het AERIUS-model aan te passen, wordt onmiddellijk geconfronteerd met een muur van juridische bezwaren. De minister wordt zo gedwongen om te opereren binnen een zeer beperkte bandbreedte, die grotendeels wordt gedefinieerd door het beleidsregime dat ze juist wil veranderen.

Onbedoelde Sabotage: De Schaduw van het ‘Simple Sabotage Field Manual’

De processen die hier worden beschreven, vertonen een opvallende gelijkenis met de tactieken die worden beschreven in het ‘Simple Sabotage Field Manual’ [3], een handboek dat de Amerikaanse OSS (de voorloper van de CIA) in de Tweede Wereldoorlog opstelde om burgers in bezette gebieden te instrueren hoe ze op subtiele wijze de vijandelijke bureaucratie konden ondermijnen. Het handboek beschrijft technieken als:

  • “Insist on doing everything through ‘channels’. Never permit short-cuts to be taken in order to expedite decisions.”
  • “Haggle over precise wordings of communications, minutes, resolutions.”
  • “Refer back to matters decided upon at the last meeting and attempt to re-open the question of the advisability of that decision.”
  • “Advocate ‘caution’. Be ‘reasonable’ and urge your fellow-conferees to be ‘reasonable’ and avoid haste which might result in embarrassments or difficulties later on.”

Hoewel er in het geval van de Nederlandse overheid geen sprake is van opzettelijke sabotage (waarschijnlijk …), zijn de effecten van de bureaucratische, politieke en juridische processen vergelijkbaar. De overmatige regulering, de risico-averse cultuur, de eindeloze vergadercycli en de politieke terughoudendheid leiden tot een systeem dat zichzelf effectief saboteert. Het resultaat is een beleidsomgeving die, zoals Foodlog het omschrijft, “dubbeldwars op stikstof is vastgelopen” [4].

Voorbij het Persoonlijke Frame

De casus-Wiersma is meer dan een verhaal over een individuele minister. Het is een symptoom van een dieperliggend, systemisch probleem in het Nederlandse openbaar bestuur. De neiging om een minister die een nieuwe koers voorstaat te framen als ‘koppig’ of ‘onkundig’, miskent de enorme krachten van continuïteit die in het systeem zijn ingebakken. De ambtelijke cultuur, de coalitiedynamiek en de juridische verankering van beleid vormen een bijna ondoordringbaar bastion voor politieke vernieuwing.

Een minister die met een nieuw mandaat aantreedt, wordt geconfronteerd met een Sisyphus-arbeid: het voortdurend omhoog duwen van een rotsblok van verandering, dat telkens weer door de zwaartekracht van het bestaande systeem naar beneden wordt getrokken. Het is een strijd die niet gewonnen kan worden met alleen daadkracht of politieke wil. Het vereist een diepgaand begrip van de systeemdynamiek en een strategie om de onzichtbare weerstanden te overwinnen.

De discussie zou daarom niet alleen moeten gaan over de prestaties van individuele ministers, maar vooral over de vraag hoe we ons bestuurlijke systeem kunnen hervormen, zodat het weer in staat is om democratisch gewenste koerswijzigingen daadwerkelijk uit te voeren. Zolang we dat niet doen, zal elke nieuwe minister die het waagt om tegen de stroom in te zwemmen, onvermijdelijk worden geconfronteerd met het verwijt dat hij of zij het proces ‘blokkeert’. En zal de Sisyphus-mythe in de polder keer op keer worden herhaald.

Referenties

[1] NRC (2025, 5 december). Schrappen, vertragen, blokkeren; hoe een onervaren minister krimp van de veestapel tegenhield. 
[2] Blokland, K. (2025, december). De casus landbouwminister Femke Wiersma. 
[3] Food4Innovations. (2025, 2 maart). Historische Context en Relevantie van het “Simple Sabotage Field Manual” – over de OSS (voorloper CIA). 
[4] Foodlog. (2025, 6 december). Gespot op zaterdag 6 december 2025.