Inleiding: De Echo van Wagner en de Schaduw van de Toekomst
In de annalen van het Nederlandse economische beleidsdebat zijn er momenten van diepe introspectie, vaak ingegeven door een sluimerend gevoel van crisis. Het recente rapport “De Route naar Toekomstige Welvaart”, onder leiding van voormalig ASML-topman Peter Wennink, is zo’n moment [8]. Het document, dat een routekaart moet bieden voor het toekomstige verdienvermogen van Nederland, heeft een golf van discussies teweeggebracht. Het wordt geprezen om zijn scherpe diagnose en de urgentie die het uitstraalt, maar tegelijkertijd bekritiseerd om zijn technocratische inslag en vermeende blinde vlekken. Deze management samenvatting, een synthese van elf diepgravende artikelen gepubliceerd op www.food4innovations.blog [1-11], poogt verder te gaan dan de initiële reacties. Het biedt een integrale analyse voor beleidsmakers en hoger management die de fundamentele aannames, de historische context en de strategische implicaties van het Rapport Wennink willen doorgronden.
De centrale these van deze synthese is tweeledig. Enerzijds wordt de diagnose van Wennink als pijnlijk accuraat en noodzakelijk erkend: Nederland teert in op zijn industriële basis en verliest strategische relevantie [1, 8]. Anderzijds wordt de voorgestelde remedie als fundamenteel gebrekkig beschouwd. De aanbevelingen, zo wordt betoogd, lijden aan een ‘technocratische illusie’ [3], negeren de cruciale rol van de ondernemende mens [4, 6], en maken een strategische keuze voor efficiëntie die ten koste gaat van de broodnodige veerkracht [11].
Om de diepte van deze kritiek te begrijpen, wordt het rapport niet als een opzichzelfstaand document behandeld, maar geplaatst in een bredere context. Het wordt vergeleken met zijn historische voorganger, het Rapport Wagner uit 1981 [1], geanalyseerd door de lens van moderne innovatietheorieën zoals die van Mariana Mazzucato [2] en de lange-golfcycli van Kondratieff [5], en getoetst aan de weerbarstige realiteit van de Nederlandse bestuurs- en ondernemerscultuur [7, 9]. Het resultaat is een genuanceerd, maar kritisch oordeel: het Rapport Wennink is een goede diagnose van het verleden, maar een inadequate gids voor de toekomst. Het identificeert de symptomen, maar schrijft het verkeerde medicijn voor.
Deze longread volgt een logische argumentatiestroom. We beginnen met een waardering van de diagnose (Deel 1), gevolgd door een diepgaande analyse van de fundamentele kritiekpunten (Deel 2). Vervolgens schetsen we de contouren van een alternatieve visie die in de geanalyseerde artikelen naar voren komt (Deel 3), en sluiten af met een conclusie die de implicaties voor beleidsmakers op scherp stelt (Deel 4).

Deel 1: De Onmiskenbare Kracht van de Diagnose
Voordat we de kritiekpunten uiteenzetten, is het essentieel om de merites van het Rapport Wennink te erkennen. De brede waardering voor de analyse van het rapport is geen toeval. Wennink en zijn commissie leggen de vinger op een aantal zeer zere plekken in de Nederlandse economie en bestuurscultuur. De kracht van de diagnose rust op drie pijlers: de historische parallel, de omarming van een nieuwe staatsrol, en de concrete benoeming van de knelpunten.
Een Echo van 1981: De Constante Noodzaak van Industrieel Elan
Het eerste artikel in de reeks trekt een verhelderende parallel tussen het Rapport Wennink en het rapport “Een nieuw industrieel elan” van de commissie-Wagner uit 1981 [1]. Beide rapporten werden geschreven in een tijd van economische onzekerheid en een gevoel van nationaal verval. Wagner schreef te midden van stagflatie en massawerkloosheid; Wennink in een tijd van ‘polycrisis’, gekenmerkt door geopolitieke spanningen, klimaatverandering en technologische disruptie. Ondanks de verschillende contexten is de kernboodschap opvallend gelijkaardig: de industrie is de motor van de welvaart, en zonder een krachtig en vernieuwend industriebeleid staat de toekomst op het spel.
Beide rapporten waarschuwen tegen de verschuiving naar een diensten- of handelseconomie en benadrukken het belang van een hoogproductieve maakindustrie. Wagner pleitte voor “herindustrialisatie” om de neerwaartse spiraal te doorbreken [1]. Wennink stelt dat een sterke maakindustrie onmisbaar is om de grote maatschappelijke transities te financieren en strategische autonomie te behouden [8]. Deze echo door de decennia heen toont aan dat de discussie over het verdienvermogen geen luxe is, maar een terugkerende, existentiële vraag voor een land als Nederland.
Voorbij de Marktmeester: De Omarming van de Ondernemende Staat
Een tweede kracht van het rapport is de conceptuele breuk met het neoliberale paradigma van de ‘terugtredende overheid’. Het rapport omarmt, zoals geanalyseerd in het tweede artikel, de visie van de ‘ondernemende staat’ zoals gepopulariseerd door econoom Mariana Mazzucato [2]. Decennialang werd de rol van de overheid beperkt tot die van een passieve ‘marktmeester’ die slechts ingrijpt bij marktfalen. Wennink stelt een veel actievere rol voor: een staat die niet alleen de randvoorwaarden op orde brengt, maar ook richting geeft, missies definieert en als ‘investor of first resort’ optreedt in strategische domeinen.
“De staat is geen simpele subsidieverstrekker, maar een ‘investor of first resort’ die de onzekere, kapitaalintensieve beginfases van technologische revoluties financiert, lang voordat private durfkapitalisten het aandurven.” [2]
Deze visie vertaalt zich in concrete voorstellen zoals een Nationale Investeringsbank (NIB) en een Nationaal Agentschap voor Baanbrekende Innovatie (NABI). Deze instituties zijn niet bedoeld als defensieve steunloketten voor falende bedrijven – een kritiek op het beleid in de tijd van Wagner – maar als offensieve instrumenten om markten te creëren en de economie van de toekomst vorm te geven. Dit is een fundamentele en moedige modernisering van het denken over industriebeleid, die aansluit bij een internationale trend [2].
De Diagnose: Tien Pijnpunten Blootgelegd
Het meest concrete bewijs van de kracht van de analyse wordt geleverd in het achtste artikel, dat tien punten opsomt waarin Wennink “de spijker op de kop slaat” [8]. Deze punten vormen de kern van de diagnose en worden breed gedeeld door critici en voorstanders:
| Punt | Analyse van Wennink (volgens artikel [8]) |
| 1. Regelgeving | Nederland verstikt in een web van trage, risicomijdende regelgeving die innovatie blokkeert. |
| 2. Stikstof | Het stikstofslot is een acute en cruciale blokkade voor economische ontwikkeling. |
| 3. Energiekosten | De energieprijzen zijn significant hoger dan in buurlanden, wat de concurrentiepositie ondermijnt. |
| 4. Productiviteit | De zorgwekkend lage productiviteitsgroei vormt een structureel risico voor de welvaart. |
| 5. Private Investeringen | De overheid kan faciliteren, maar duurzame groei moet primair door private investeringen worden gedragen. |
| 6. Kapitaal | Er is geen gebrek aan kapitaal, maar het wordt niet gemobiliseerd voor productieve investeringen in Nederland. |
| 7. Vertrouwen | Herstel van vertrouwen tussen overheid en bedrijfsleven is een absolute voorwaarde voor investeringen. |
| 8. Urgentie | “Donkere wolken pakken zich samen”; de noodzaak voor onmiddellijke actie is reëel. |
| 9. Communicatie | De boodschap is prikkelend en effectief, zoals het adagium: “Wie niet aan tafel zit, staat op het menu.” |
| 10. Planning | Nederland kan niet langer afwachten, maar moet een toekomstvisie hebben en strategisch plannen. |
Deze tien punten vormen een onweerlegbaar en waardevol fundament. Ze tonen aan dat het Rapport Wennink niet zomaar een lobbydocument is, maar een serieuze en goed onderbouwde analyse van de reële problemen die de Nederlandse economie en samenleving blokkeren. De waardering voor het rapport is dus terecht, maar, zoals we zullen zien, is een juiste diagnose slechts de helft van het werk.
Deel 2: De Fundamentele Tekortkomingen van de Remedie
Ondanks de scherpe diagnose, schiet de door Wennink voorgestelde remedie op een aantal fundamentele punten tekort. De kritiek, zoals verwoord in de geanalyseerde artikelen, richt zich niet op de details van de investeringsvoorstellen, maar op de onderliggende aannames en de filosofie van het rapport. Vier fundamentele tekortkomingen komen naar voren: de technocratische illusie, de amputatie van de ziel, de strategische timing, en de politieke naïviteit.
De Technocratische Illusie: Innovatie als Planbaar Proces
Het meest fundamentele kritiekpunt is dat het rapport lijdt aan een ‘technocratische illusie’: het geloof dat innovatie een maakbaar en planbaar proces is dat vanuit een centrale autoriteit kan worden gestuurd [3]. Het rapport identificeert vier ‘strategische domeinen’ (Digitalisering & AI, Veiligheid, Klimaattechnologie, en Life Sciences) en stelt voor hier massaal in te investeren. Dit is, zoals artikel [3] betoogt, een herhaling van de denkfout die ook ten grondslag lag aan het eerdere topsectorenbeleid.
Deze benadering miskent de organische, chaotische en onvoorspelbare aard van baanbrekende innovatie. Grote technologische doorbraken worden zelden voorspeld door commissies. Ze ontstaan uit een samenspel van toeval, ondernemerschap en onverwachte combinaties van bestaande technologieën. Door te focussen op een beperkt aantal vooraf gekozen domeinen, legt de overheid al haar eieren in een paar mandjes, gebaseerd op de consensus van vandaag. Dit is geen strategie, maar een gok [3, 5].
“De vraag is niet: ‘Welke technologieën worden belangrijk?’, maar: ‘Hoe creëren we een systeem dat veerkrachtig en adaptief genoeg is om te profiteren van de technologieën die belangrijk worden, ongeacht welke dat zijn?’” [3]
Deze technocratische benadering marginaliseert de ware motor van innovatie: de ondernemer. In het model van Wennink wordt de ondernemer gereduceerd tot een passieve ‘gebruiker’ van de door de overheid gecreëerde instituties, in plaats van de centrale, risiconemende actor die hij in werkelijkheid is [3, 6].
De Amputatie van de Ziel: De Afwezige Mens
In het verlengde van de technocratische kritiek ligt een dieper, meer filosofisch bezwaar: het rapport mist een ‘ziel’ [4]. Het is een document vol systemen, structuren, euro’s en technologieën, maar de mens – de ondernemer, de ingenieur, de vakman – is de grote afwezige. Het rapport spreekt de taal van ‘vinken’ (KPI’s, roadmaps, deliverables), maar negeert de ‘vonken’ van creativiteit, passie en intrinsieke motivatie die nodig zijn voor echte doorbraken.
Artikel [4] introduceert een krachtige metafoor: de Nederlandse bestuurscultuur lijdt aan een ‘amputatie van de ziel’. Een obsessie met controle, risicomijding en procesfetisjisme heeft een klimaat gecreëerd waarin moed en integriteit worden bestraft en lafheid wordt beloond. Dit leidt tot een ‘fail-safe’ cultuur, waarin alles erop gericht is om falen te voorkomen, met als gevolg dat er niets nieuws meer wordt gecreëerd. De auteur pleit voor een ‘safe-fail’ cultuur, waarin het veilig is om te experimenteren en te falen, zolang er maar van wordt geleerd. Dit is de mentaliteit van de ingenieur als ‘bouwmeester’, die lijnrecht staat tegenover de papieren werkelijkheid van de manager of de jurist [4, 7].
Deze kritiek wordt versterkt door de feedback uit de media, waarin wordt opgemerkt dat het rapport een vorm van “technologisch, technocratisch darwinisme” propageert [6]. De focus op hoogproductieve sectoren impliceert een verdringing van laaggeschoolde arbeid, zonder dat de maatschappelijke consequenties hiervan adequaat worden geadresseerd. De menselijke dimensie van de transitie – omscholing, sociale zekerheid, regionale impact – blijft onderbelicht [6].
De Verkeerde Timing: Investeren op de Top van de Golf
Een derde, zeer strategische kritiek betreft de timing van de voorgestelde investeringen. Artikel [5] analyseert het Rapport Wennink door de lens van de Kondratieff-cycli, de lange economische golven van 40-60 jaar die worden aangedreven door technologische revoluties. De stelling is dat we ons momenteel niet aan het begin van een nieuwe technologische ‘lente’ bevinden, maar op het hoogtepunt van de ‘herfst’ van de huidige, zesde golf (gedreven door data, gezondheid en duurzaamheid).
Deze herfstfase wordt gekenmerkt door marktverzadiging, afnemende productiviteitswinsten en, cruciaal, speculatieve bubbels. De huidige hype rondom AI wordt gezien als een klassieke herfst-bubbel, vergelijkbaar met de dot-com bubbel van eind jaren ’90. De enorme kapitaalstromen worden niet gedreven door bewezen businessmodellen, maar door de angst om de boot te missen (‘FOMO’).
“De cruciale fout die Wennink maakt, is dat hij deze speculatieve bubbel aanziet voor de lente van de zevende golf. Hij pleit voor publieke investeringen in een markt die al oververhit is en op het punt staat te corrigeren. Dit is alsof je in 1999 staatssteun zou geven aan World Online.” [5]
De implicatie is dat de strategie van Wennink fundamenteel verkeerd getimed is. Het dreigt publiek geld te verspillen aan een bubbel die op barsten staat. Een wijzere strategie zou zijn om te anticiperen op de komende ‘economische winter’ – een periode van crisis en herstructurering – en de zaden te planten voor de zevende golf, die naar verwachting gedreven zal worden door een symbiose van biologie en technologie, gedecentraliseerde systemen en een ‘nature-centric’ economie [5].
De Politieke Blinde Vlek: Het Verstopte Verhaal van Krimp
Ten slotte wordt het rapport een zekere politieke naïviteit of strategische verhulling verweten [6, 9]. Het rapport identificeert correct dat de Nederlandse economie verschuift naar laagproductieve sectoren. De impliciete, maar onvermijdelijke conclusie is dat er een verschuiving moet plaatsvinden, wat betekent dat sommige sectoren moeten krimpen. Dit pijnlijke politieke verhaal wordt in het rapport echter zorgvuldig verstopt.
“Kiezen voor een paar sectoren betekent ook dat iets anders van tafel valt. […] Dat is het politieke verhaal dat heel gevoelig ligt, en dat hier niet zo instaat. Dat verstopt Wennink in een bijzin.” (citaat van Joe van Burik in artikel [6])
In interviews is Wennink zelf veel directer en noemt hij expliciet sectoren als slachthuizen en de papierindustrie. Het feit dat deze eerlijkheid het uiteindelijke rapport niet heeft gehaald, suggereert dat het document een politiek compromis is, ontworpen om de onvermijdelijke maatschappelijke weerstand te omzeilen [9]. Dit ondermijnt de geloofwaardigheid en de uitvoerbaarheid van de voorstellen. Een strategie zonder een eerlijk verhaal over de kosten en de pijn is gedoemd te stranden in de politieke arena.
Deel 3: Contouren van een Alternatieve Visie
De kritiek op het Rapport Wennink is fundamenteel, maar niet louter destructief. In de geanalyseerde artikelen worden de contouren van een alternatieve visie zichtbaar. Deze visie is niet gebaseerd op een nieuw, centraal plan, maar op een ander paradigma: een paradigma dat veerkracht boven efficiëntie stelt, en dat de ‘Romeinse’ bouwer centraal stelt in plaats van de ‘Griekse’ denker.
Van Efficiëntie naar Veerkracht
De meest fundamentele keuze die een economie moet maken, zo wordt betoogd in artikel [11], is die tussen efficiëntie en veerkracht. Het Rapport Wennink kiest impliciet voor een strategie van efficiëntie: specialisatie in een beperkt aantal hoogproductieve, technologisch geavanceerde sectoren. Dit is de klassieke strategie van comparatief voordeel, die op korte termijn de hoogste groei kan opleveren.
Echter, deze strategie creëert ook kwetsbaarheid. Een economie die leunt op een paar sectoren is als een monocultuur in de landbouw: zeer efficiënt onder stabiele omstandigheden, maar extreem kwetsbaar voor schokken, ziektes of veranderende markten. De COVID-19-pandemie en de oorlog in Oekraïne hebben de risico’s van hyper-efficiënte, geglobaliseerde waardeketens pijnlijk blootgelegd.
Een alternatieve strategie, gebaseerd op veerkracht, streeft niet naar maximale groei, maar naar stabiliteit en aanpassingsvermogen. Een veerkrachtige economie wordt gekenmerkt door:
- Diversiteit: Een breed scala aan sectoren, zowel hoog- als laagproductief, die elkaar kunnen opvangen bij crises.
- Redundantie: Bewuste ‘overcapaciteit’ in strategische sectoren (zoals energie, voedsel en medicijnen) die in noodsituaties kan worden geactiveerd.
- Decentralisatie: Een verschuiving van gecentraliseerde, kwetsbare systemen naar gedistribueerde, robuuste netwerken [11].
Dit pleidooi voor veerkracht betekent niet dat de ‘oude’ economie moet worden geconserveerd. Het betekent dat de focus niet moet liggen op het afschrijven van sectoren, maar op het innovatiever en productiever maken van álle sectoren, inclusief de zogenaamd ‘laagproductieve’ zoals de landbouw, de bouw en de logistiek. Deze grondgebonden sectoren vormen de ruggengraat van de samenleving en bieden brede werkgelegenheid [10].
Van Grieken naar Romeinen: Een Pleidooi voor de Bouwer
De tweede pijler van de alternatieve visie is een cultuurverandering van ‘Grieken naar Romeinen’ [7]. Nederland, zo is de stelling, excelleert in ‘Grieks’ denken: analyseren, onderzoeken, plannen en debatteren. We hebben een overvloed aan kennis en ideeën. Waar het aan ontbreekt, is ‘Romeinse’ daadkracht: bouwen, implementeren, en de handen vuilmaken. Het Rapport Wennink, met zijn focus op kennis, R&D en strategische plannen, is in essentie een ‘Grieks’ rapport.
Een ‘Romeinse’ agenda zou er fundamenteel anders uitzien. De focus zou niet liggen op het injecteren van meer geld in het kennissysteem, maar op het wegnemen van de concrete, praktische barrières die de bouwers in de weg staan. Dit wordt de ‘implementatie-paradox’ genoemd: de grootste obstakels voor innovatie zijn niet financieel of technologisch, maar bureaucratisch en juridisch [3, 7]. Een Romeinse agenda omvat:
- Radicale versnelling van vergunningverlening: Het huidige systeem van eindeloze procedures en bezwaarmogelijkheden is een moeras waarin elk initiatief verzandt.
- Een einde aan ‘procesfetisjisme’: De bestuurscultuur moet verschuiven van een focus op het volgen van procedures naar een focus op het bereiken van doelen.
- Herwaardering van technisch en beroepsonderwijs: Een samenleving die wil bouwen, heeft bouwers nodig. De status en kwaliteit van het technisch onderwijs moeten drastisch omhoog.
- Investeren in grote, fysieke projecten: Een hernieuwde ambitie voor generatie-overstijgende infrastructuurprojecten (zoals de Deltawerken) die de fysieke basis van de economie versterken [10].
Deze agenda vraagt niet om meer commissies of rapporten, maar om politieke moed en een fundamentele verandering in de bestuurscultuur. Het is een pleidooi om de ingenieur en de vakman weer centraal te stellen, ten koste van de manager, de jurist en de consultant [4, 7].
Conclusie: Implicaties voor Beleidsmakers
Het Rapport Wennink is een document van grote waarde, niet vanwege de oplossingen die het aandraagt, maar vanwege de vragen die het oproept en de discussie die het heeft aangezwengeld. Het heeft de mythe van een probleemloze Nederlandse economie doorgeprikt en de noodzaak van een langetermijnvisie onontkoombaar op de agenda gezet. De diagnose is scherp, de urgentie is reëel.
Echter, voor beleidsmakers en hoger management zou het een strategische fout zijn om de aanbevelingen van het rapport als een blauwdruk voor de toekomst te omarmen. De voorgestelde remedie is gebaseerd op een aantal fundamenteel wankele aannames: de maakbaarheid van innovatie, de superioriteit van efficiëntie boven veerkracht, en een geloof in technocratische planning dat de menselijke en politieke realiteit negeert.
Wat zijn dan de concrete implicaties voor beleid? De synthese van de elf kritische artikelen leidt tot een aantal duidelijke aanbevelingen:
- Omarm de diagnose, maar verwerp de remedie: Gebruik de urgentie en de analyse van het rapport als een hefboom voor verandering, maar wees uiterst kritisch op de voorgestelde top-down investeringsplannen. Trap niet in de val van het ‘kiezen van winnaars’.
- Verschuif de focus van ‘wat’ naar ‘hoe’: De kern van het probleem is niet een gebrek aan geld of ideeën, maar een verstikkend ondernemings- en vestigingsklimaat. Prioriteer een ‘Romeinse agenda’ gericht op het radicaal versimpelen en versnellen van regelgeving en procedures.
- Maak een strategische keuze voor veerkracht: Stuur niet eenzijdig op het versterken van een paar hoogproductieve ‘topsectoren’, maar op het vergroten van de diversiteit en het aanpassingsvermogen van de gehele economie. Dit betekent ook het koesteren en innoveren van de ‘traditionele’ sectoren die de ruggengraat van de samenleving vormen.
- Stel de ondernemer centraal, niet de instituties: Het doel van beleid moet niet zijn om nieuwe, grote instituties op te tuigen, maar om de condities te creëren waarin ondernemers – groot en klein – kunnen floreren. Dit vereist een cultuur van vertrouwen, vrijheid en het accepteren van risico’s.
- Wees eerlijk over de pijn: Echte transities vereisen pijnlijke keuzes. Wees transparant over welke sectoren zullen krimpen en welke banen zullen verdwijnen, en ontwikkel een robuust sociaal beleid om deze transitie in goede banen te leiden. Een strategie zonder een eerlijk verhaal over de kosten is een illusie.
De uiteindelijke waarde van het Rapport Wennink zal niet worden afgemeten aan de miljarden die worden geïnvesteerd, maar aan de mate waarin het ons dwingt om fundamentele keuzes te maken. De keuze tussen een planeconomie en een ondernemerseconomie. De keuze tussen efficiëntie en veerkracht. En de keuze tussen de ‘Griekse’ illusie van controle en de ‘Romeinse’ moed om te bouwen. De toekomst van de Nederlandse welvaart hangt af van de wijsheid om die keuzes correct te maken.