Zeemeerminnen en Zeemannen – De Naakte Aap komt uit het Water, terug naar de zee dus!

Lang geleden hoorde ik de theorie van de Naakte (zwemmende) Aap, ook wel de mens genoemd, volgens mij heb ik mijn ouders tijdens mijn tienerjaren hierover horen praten. Zeker weet ik het niet meer. Deze theorie past echter naadloos in de jager-verzamelaars theorie en het feit dat we als ‘diersoort’ oorspronkelijk langs de kust leefde en door o.a. de consumptie van schaal en schelpdieren zo slim zijn geworden (zie gezonde voeding en pinterest). Deze week op het blog van Melchior Meijer het volgende stuk (@Melchior, ik heb je geen toestemming gevraagd, mocht je het niet prettig vinden, haal ik dit stuk weg). Mijn vriendin zei na het lezen : “dus we zijn eigenlijk oorspronkelijk zeemeerminnen en zeemannen”. Een gedachte die haar wel aansprak; ze is gek op de zee.



Melchior Meijer – Terug naar de Kust.

Steeds meer vondsten duiden erop dat wij niet op de kurkdroge savanne mens zijn geworden, maar in een kustlandschap en deels zelfs in het water. Ons verstand danken we aan onze speklaag. Dat heeft verregaande consequenties!

Zeebioloog Alister Hardy kreeg in 1929 een briljante ingeving toen een bevriende arts zich in de kroeg afvroeg waarom mensen, in tegenstelling tot andere apen, veel onderhuids vet hebben. Hardy had genoeg robben en dolfijnen opengesneden om te weten dat een onderhuidse vetlaag kenmerkend is voor zeezoogdieren. Weer nuchter bedacht hij meer menselijke kenmerken die een verleden als ‘wateraap’ suggereren. Hij veronderstelde dat we ergens in onze geschiedenis vrijwillig of noodgedwongen aan het strand waren gaan leven. Het evolutionaire product van die confrontatie tussen aap en zee: Homo sapiens. Hardy hield zijn hypothese ruim dertig jaar voor zich, vermoedend dat hij zijn carrière kon vergeten als hij er ook maar over zou beginnen. De heersende opvatting was immers dat wij afstammen van apen die het oerwoud verruilden voor het open grasland, de savanne. Pas na zijn pensionering durfde hij zijn gewaagde ideeën naar buiten te brengen. Zijn intuïtie bleek te hebben geklopt. Na de presentatie van zijn voordracht (Was man more aquatic in the past?) buitelden alle vooraanstaande antropologen over hem heen. Hij zet de wetenschap voor gek!

Maar was Hardy’s idee echt zo extravagant? Moderne wetenschappers vinden steeds meer aanwijzingen dat hij het wel eens bij het rechte kan hebben gehad. Zo schreef de Canadese antropoloog en vetzuurdeskundige Dr Stephen Cunnane onlangs de bestseller The Survival of The Fattest; The Key to Human Brain Evolution. Daarin legt hij overtuigend uit dat onze grote, slimme hersenen alleen konden ontstaan in een kustlandschap. Waarom ben jij een zeemeermin?

Je hebt ‘idioot’ grote hersens
“Onze extreem grote hersens konden uitsluitend ontstaan in een milieu met plenty omega-3 vetzuren, choline en jodium, ofwel in een kust- of waddenlandschap,” aldus Stephen Cunnane. “En vrijwel alle vroege mensachtigen werden gevonden tussen even oude resten van krabben en zeeschildpadden, in gebieden die miljoenen jaren geleden aan zee lagen.”

Je bent relatief ‘vet’
Niet schrikken! Mensen worden, in tegenstelling tot chimpansees, ‘moddervet’ geboren. In de laatste weken van de zwangerschap bouwt de foetus een dikke speklaag op. Volgens Dr Cunnane maakt dat vet ons mens. “Zonder die reserve is het onmogelijk om het enorme, energie-vretende mensenbrein te kunnen laten groeien,” zegt hij. “De soort mens heeft massief geinvesteerd in zijn kwetsbare hersenen. Gedurende onze evolutie gold daarom: hoe vetter het kind, hoe beter zijn kansen. Naarmate we ouder worden neemt ons vetpercentage af, maar zelfs de magersten onder ons hebben veel meer onderhuids vet dan andere apen. Ook Elaine Morgan, Hardy’s belangrijkste geestverwant en schrijfster van ondermeer Scars of Evolution, ziet duidelijk mariene verklaringen. “Vet isoleert en geeft drijfvermogen.”

Je kunt zwemmen bij de geboorte
Een mensenbaby is volkomen thuis onder water, een chimpanseebaby verdrinkt onmiddellijk. Veel traditionele volkeren bevallen bij voorkeur in het water. Kinderen tuimelen uit de baarmoeder, zwemmen dicht tegen de moeder aan naar de oppervlakte en nemen dan pas hun eerste ademteug. Wetenschappers stelden verbijsterd vast dat zuigelingen in water van een graad of 20 niet onderkoeld raken, ondanks hun relatief grote huidoppervlak. Mensen zijn de enige landzoogdieren die bij de geboorte zijn overdekt met een laag wasachtige smurrie: het vernix. Overigens kan een enkele mensenbaby zijn oren afsluiten. En met een zekere regelmaat komt er een ter wereld met vliezen tussen tenen en vingers.

Je loopt op twee benen
De heersende Savanne Theorie dicteert dat we rechtop gingen lopen toen we de bomen verruilden voor het open savannelandschap. Dit om verder te kunnen kijken, sneller te kunnen lopen en overtollige warmte makkelijker kwijt te raken. Elaine Morgan voert echter aan dat de noodzaak tot waden de sterkst denkbare prikkel is om je op te richten. Onlangs werd op Sumatra een geïsoleerde groep bavianen ontdekt, die deels van de zee leeft. Deze apen lopen tijdens het vissen op twee poten. Omgekeerd is waargenomen dat apen die in een kaal landschap terecht komen, zich juist minder vaak oprichten dan in de jungle. In Scars of evolution stelt Morgan dat wij landrotten voor dit rechtop lopen ook een prijs betalen: rugklachten, hernia’s en spataderen.

Je bent kaal
De mens is de enige ‘naakte’ aap. Waarom beharing in tropisch water (onze wieg stond in Kenia) een nadeel is? Vraag Inge de Bruin waarom ze haar toch al gladde benen scheert. De orthodoxe verklaring luidt dat we onze pels verloren om op de zinderend hete savanne onze lichaamstemperatuur beter te kunnen reguleren. Top-antropoloog professor Phillip Tobias: “Ook ik heb dat decennia lang geloofd, maar het argument is met één simpele tegenvraag te ontkrachten: waarom hebben alle andere savanne-dieren hun vacht behouden? Het is niet logisch.”

Je beheerst je ademhaling
In het Schotse Inverness leefde tot enkele jaren geleden Hoova, een zeehond die na een opvangperiode niet meer naar zee wilde en spontaan is gaan ‘praten’. Als Hoova op dreef was, klonk hij als een ouwe man die in het IJslands staat te vloeken. Hoova en alle andere zeezoogdieren hebben een ingedaald strottehoofd. Dat maakt het mogelijk dat ze ook via de mond kunnen inademen, handig voor wie soms plotseling een flinke teug lucht moet happen. Een ingedaald strottehoofd is ook nodig als je door je mond wilt uitademen en dus om klanken te kunnen uitstoten. Alleen mensen en zeezoogdieren hebben bewuste controle over hun ademhaling. In tegenstelling tot de chimpansee houden wij zelfs onze adem in als we schrikken. Een vitale reflex als je tijdens een zwemtochtje plotseling onder water wordt getrokken.

Je hebt een erg brede voorvoet
Een aap zakt weg in de slik (en vindt nattigheid helemaal niks), jij waadt rustig naar Schiermonnikoog (en vindt dat helemaal te gek, vooral als de gids een beetje leuk is).

Je hebt relatief zwakke kaken
Het verorberen van vis, schelpdieren en zeegroenten vereist beduidend minder kracht dan de consumptie van een typisch apenmenu.

Okay. Dikke kans dat je nu zegt ‘leuk, maar so what!’ Wat kan ik hier mee, hier en nu? Meer dan je wellicht denkt. Onlangs opperde de Groningse voedingswetenschapper Dr Frits Muskiet dat de mens het best functioneert in een omgeving die niet te zeer afwijkt van de omgeving waarin hij evolueerde. Steeds meer wetenschappers omarmen die logische gedachte. Hoe boots jij je achtergrond als zeemeermin het best na? Volg deze tips op en je komt een heel eind!

Eet een Shore Based Diet
Zelfs de meest rabiate tegenstanders van het idee dat wij zeemeerminnen zijn, geven toe dat onze grote hersenen uitsluitend konden ontstaan in een milieu waar omega-3 vetzuren overvloedig aanwezig waren. Zonder dat spul geen neurologische ontwikkeling. Voorstanders van de Savanne-hypothese beroepen zich op het ‘Man the Hunter’ concept. Primitieve jager-verzamelaars sloegen de schedel van hun prooi of van door roofdieren achtergelaten karkassen kapot en deden zich tegoed aan de omega-3 rijke hersenen. Volgens professor Cunnane is het echter onwaarschijnlijk dat onze voorouders zoveel hersenweefsel (en dus DHA) konden bemachtigen om hun hersenen te laten groeien. “Het is erg vergezocht, vooral als je bedenkt hoe gemakkelijk zulk kostbaar ‘breinvoer’ in een kustlandschap verzameld kon worden.”

Ga zwemmen
Je gladde, talg producerende huid. Je flippervoeten. Je voor apen unieke vermogen om je adem in te houden. Je fascinatie voor water. Kom op meid, heb je nog meer hints nodig om te beseffen dat er onder je mantelpakje een zeemeermin schuil gaat? “De behoefte om het water in te gaan is universeel,” aldus Elaine Morgan. “Kinderen die vanaf de geboorte mogen zwemmen, ontwikkelen zich sneller dan andere kinderen. Er zijn nauwelijks activiteiten die mensen een groter gevoel van ontspanning en voldoening geven dan door een branding banjeren en zwemmen. Alleen al een douche lokt positieve fysiologische reacties uit.”

Blijf levenslang spelen
Dr Stephen Cunnane geeft in Survival of the Fattest een onweerstaanbare dimensie aan ons verleden als ‘wateraap’. Hij maakt aannemelijk dat wij niet evolueerden onder een enorme druk om voedsel te bemachtigen, maar juist als gevolg van de voortdurende aanwezigheid van een tot dan toe ongekend riant buffet. “Plotseling beschikten we over zoiets ongekends als vrije tijd,” stelt hij. “Het lijkt me uiterst voor de hand liggend dat we gingen spelen. Tegelijkertijd kregen onze hersenen de gelegenheid om, in die zee van omega-3 en jodium, te groeien. We waren in alle opzichten te vergelijken met lerende kinderen van nu. Gaandeweg verwierven we allerlei vaardigheden.” Volgens Cunnane was die mogelijkheid tot ongedwongen spelen en leren cruciaal voor onze ontwikkeling tot mens. Les: have fun. Spel is de motor van de menselijke evolutie en we zijn nog lang niet uitgeëvolueerd!



Duurzaamheid is de balans tussen Efficiency & Resilience (Bernard Lietaer)

Ik gaf zonet behoorlijk af op Aalt Dijkhuizen (en in mindere mate op Louise Fresco) omdat ze beide wel heel erg het oude WUR-mantra van groter en efficiënter blijven prediken (school Rabbinge). Het ‘geloof’ aan de andere kant (alles moet biologisch, lokaal en kleinschalig, vegetarisch en divers), gaat overigens ook nergens over. Beide uitersten zijn te zwart-wit. Bernard Lietaer ziet deze twee uiterste ook en heeft hier een mooie lezing over gegeven. (Zelf heb ik een paar jaar geleden al veel stukken geschreven over duurzaamheid als technologisch keuzeproces).


Maar wat is dan wel relevant rondom duurzaamheid:

  1. Ik ben voor het bespreekbaar maken van het afremmen van de groei van de wereldbevolking. Lastig thema, en gedeeltelijk gaat afzwakking van de groei van de wereldbevolking vanzelf. Minder mensen betekent minder belasting.
  2. Ik ben voor het beprijzen van slecht gedrag, en specifiek voor het belasten van onduurzame producten waaronder vlees en melk. En wellicht moeten we suikerhoudende dranken extra belasten. Maar dit thema is lastiger in de praktijk toe te passen. Juist daarom is het belasten van kunstmest en fossiele brandstof een slimme(re) manier.  
  3. Ik ben zeker voor minder en vooral voor consuminderen (gooi de BTW maar omhoog). Maar vooral voor het sluiten van kringlopen waarbij we de biocascaderingspiramide als leidraad gebruiken. Juist daarom zeg ik: geen biofuels uit voedsel.
  4. Ik ben voor diervriendelijkere houderijsystemen, maar dat betekent niet perse buitenloop en/of weideloop e.d. Diervriendelijk binnen is denk ik een goed compromis tussen dierwelzijn en milieu. Kortom, ik ben voor moderne ‘megastallen’ met 2 of 3 sterren.
  5. Ik ben voor een import-export belasting per continent gericht op het in-kaart brengen van fosfaat/kunstmeststromen. De fosfaatkringloop is bijna nog kritischer dan de fossiele brandstoffen uitdaging.
  6. Ik accepteer dat we in een complex adaptieve samenleving (CAS) wonen, waarbij grote ontwerpen en simpele oplossingen niet werken. En in een CAS is juist diversiteit  en een vorm van in-efficiency een manier om voldoende veerkracht (resilience) te garanderen. Volgens mij moeten we in-efficiency en veerkracht weer opnieuw heruitvinden.
  7. Ik accepteer dat we maar 1 aarde hebben, waarbij een x aantal elementen een ‘eindigheid’ lijken te hebben. Duurzaamheid is daarom vooral een keuze proces en een verdelingsvraagstuk. Lastig, heel lastig. Maar vooral onderdeel van reguliere politieke en democratische processen. 
  8. Ik denk dat een onderdeel van gezonde voeding ook ‘minder voedselconsumptie’ is, maar tevens ben ik een soft-paleo aanhanger. Minder tarwe en graan, en voldoende vlees en vis hoort daar ook bij. Maar dat zou weer milieuonvriendelijk zijn …. 

Dit lijstje is natuurlijk niet volledig, maar geeft wel mijn eigen persoonlijk denkrichting aan. Maar nu komt het. Ook dit zijn natuurlijk maar wat houtskoolschetsen. Maar nog niet in balans. Ik dit filmpje spreek ik daarom over de ‘derde weg’ (vergeef me mijn woordkeuze). Volgens mij is er dus een optimum dat zit tussen groot-groter-grootst +monocultuur enerzijds (laten we dit het WUR-Mantra noemen) en kleinschalig, biologisch en Ot & Sien Anderzijds. Via deze ‘derde weg’ kunnen we milieuefficient combineren met diervriendelijkheid (met inzet van cleantech). En we kunnen ‘voldoende’ schaalgrootte, combineren met voldoende ‘divers’. Volgens mij voelen we dan intuïtief wel aan wat daarmee wordt bedoeld. Pas dan zijn we als samenleving optimaal ‘duurzaam’. Tot die tijd moeten we blijven zoeken. DOEN in de praktijk ….

Deze kijk over duurzaamheid heb ik zelfs voor het eerst goed uitgelegd gekregen in een TEDx lezing van Bernard Lietaer. Bekijk onderstaande plaatjes eerst nog maar eens goed. Mijn volgende stukje gaat over Louise Fresco, over “analyseren” versus “een visie/toekomst” durven schetsen.

Aanvulling d.d. 24 december 2012:
Wat dan wel de 5 uitdagingen zijn rondom verduurzaming van ons eetsysteem? Ik heb ze in deze presentatie op een rijtje proberen te zetten:

Waarom geeft Aalt Dijkhuizen (WUR) dit soort presentaties? Wie vertelt hem eens dat dit zwakke verhaaltjes zijn

Mijn volgers weten dat ik kritisch ben over de resultaten van de WUR. Ik ben van mening dat (a) er teveel maatschappelijke middelen naar de commerciële tak van deze organisatie DLO gaan, (b) dat er een mono-denkcultuur is die teveel gericht is op ‘grote bedrijven’ zoals Unilever, (c) dat er teveel wordt ontwikkelt (denk aan de bonenprof), terwijl het fundamenteel nieuw onderzoek zou moeten zijn. en (d) dat “intensief” teveel aandacht krijgt**.

Vooral dit laatste punt is weer hot sinds een paar weken. WUR CEO Aalt Dijkhuizen pleit keer op keer weer voor intensief en nu is -i.v.m. de haar boeklancering het Hamburger Paradijs– ook Louise Fresco veel in het nieuws. Beide prediken het mantra van technologie, schaalvergroting en intensificering. Beide gebruiken het argument “duurzaamheid” waar ze eigenlijk het argument milieu (en nog specifieker CO2 en landgebruik) bedoelen. Verduurzaming draait echt niet alleen om efficiency en schaalvergroting. Het draait nu juist om keuze processen. Verder ziet CEO Dijkhuizen het als zijn taak om 6 miljard en straks 9 miljard mensen te voeden; alsof dat met een groot ontwerp en leiderschap vanuit het kleine Wageningen gerealiseerd zou kunnen worden. Nederigheid rondom dit onderwerp zou op zijn plaatst zijn. Denken in ‘grote’ ontwerpen is niet alleen zinloos, het is ook nog eens heel erg gevaarlijk.

Bekend zal zijn dat ook ik een duurzame technologie aanhanger ben. Maar dan wel in een context van diversiteit en kunnen kiezen. Waar ik ook moeite mee heb is het steeds terugkerende argument dat we de wereld moeten ‘voeden’. Wij (= Nederlanders, Nederlandse Ondernemers in AgriFood) hebben fundamenteel andere uitdagingen dan boeren in Afrika of dan de uitdagingen in China of Brazilië. Verder gaat verduurzaming over de keuzes die we als maatschappij moeten maken. Simpele beelden helpen daarbij niet. Polariseren helpt ook niet. Ik kom hier nog op terug.

Tenslotte heb ik er moeite mee dat er gewoon politiek wordt bedreven door Aalt Dijkhuizen en zijn club. En ik vind dat dit nu nou net een onderwerp is dat in Den Haag thuis hoort. Hier in Wageningen zou het al heel wat zijn als WUR gewoon goed (fundamenteel) onderzoek doen en excellent onderwijs zou geven. Politiek, technologische ontwikkeling, ontwikkelingssamenwerking of economie zijn echt takken van sport die niks met de Universiteit te maken hebben. En kiezen -en dan bedoel ik wat voor een maatschappij we zouden willen hebben, met wat voor een vorm van ‘eerlijkheid’ en welke type ‘producten’- is gelukkig iets voor consumenten en voor onze democratie.

Hieronder een recente presentatie van Aalt Dijkhuizen. Beetje simpele voorbeelden en de inleiding is ook een grote open deur. Mijn vraag zou zijn. Mooi, WUR weet nu ook eindelijk wat de dillema’s zijn (ze lezen toch bij het hoofdgebouw Foodlog gewoon elke dag?). So What, wat zijn nu de fundamenteel onderzoeksvragen waar de WUR haar tanden in gaat zetten? Politiek bedrijven of PR of Marketing hoort daar volgens mij niet bij. Misschien kan Aalt Dijkhuizen zijn staf eens vragen een echte toekomst visie neer te zetten. Want ook die mis ik bij mijn conculega’s hier in Wageningen.

** en neen, ik ben niet voor een 100% biologische sector. Dat kan niet eens.

Aanvulling 8 oktober: 
Krijn Popper heeft eerder een kort blog-item geschreven met de titel “Tussen Wetenschap en Politiek“. Mijn reactie: Ik ben zowel als burger, maar zeker ook als professionals moeite met de rollen Science arbiter en Broker of policy alternatieven. Onze wereld is complex (genoeg), als wetenschappers politiek gaan bedrijven is het einde zoek. Dit werkt o.a. door in de (on)betrouwbaarheid van de wetenschap; althans zoals deze ervaren wordt door het publiek. We zouden hier scherper op moeten zijn ..

Aanvulling 18 oktober
Wat dan wel? Er is voor elke sector een balans tussen grootte/efficiency en veerkracht/risico. Waar dat optimum ligt? Ik zou het niet weten. Maar iedereen voelt aan dat 10 miljoen varkensboeren met 2 varkens niet effectief is, terwijl 2 varkensboeren met 20 miljoen varkens elk per varkensboer wel erg risicovol is. Hoe risicovol grote bedrijven kunnen zijn, laat Foppen zien. Dit punt zou ik graag willen horen van Dijkhuizen en Louise Fresco. En fundamenteel onderzoek zou moeten gaan over de vraag ‘waar ligt dat duurzame optimum’. 

Aanvulling 24 oktober
Zonet lees ik de Resource – het blaadje van de WUR – en mijn oog viel op dit artikel
Efficiënte landbouw wentelt kosten af”, zo is het. Ook dit artikel illustreert heel erg goed waarom het WUR/Dijkhuizen mantra van groot, groter, grootst niet klopt. 

Boeren zijn geen voedselleveranciers. Ze produceren bulkingrediënten. Sommige hebben potentie om goede ingrediëntleveranciers te worden.

Een kleine 15 jaar werk ik in inmiddels in de voedsel(verwerkende) industrie en al lang doe ik ook mee met het debat over voedselsystemen, duurzaamheid en voeding en gezondheid. Mijn favoriete hangplek is foodlog, maar ik heb nog wel een paar digitale hangplekken. Mijn privé mening, daar waar mogelijk logisch onderbouwd,  deel ik graag met derden en deel ik uiteraard hier op dit blog.
 
 
Ja mijn mening is niet altijd even genuanceerd. Dat klopt. Vaak omwille van het debat (door een scherp standpunt in te nemen krijg je tenminste echte discussie), soms omdat ik gewoon een extreem standpunt heb. Wat ook meespeelt is dat rationeel en daar waar mogelijk wetenschappelijk probeer te argumenteren en daardoor nog wel eens op de teentje sta van alleen emotioneel ingestelde mensen.
 
 
Waarom deze inleiding? Omdat ik denk dat ik mezelf niet populair ga maken met dit stukje. Om gelijk maar met de deur in huis te vallen: De meeste boeren, tuinders en veehouders zijn alleen maar anonieme ingrediëntleverancier.En juist daarom is praten in ‘verwaarding’ vanuit het perspectief ‘hoger in de keten’ en ‘meer op de consument gericht’ door deze groep agro-ondernemers onzin. Deze boeren leveren eigenlijk geen voedselproducten (voor het gemak is een product pas een product als het een duidelijke handelseenheid heeft en koopbaar is voor een consument. Je zou kunnen zeggen als het een GSI/Streepjescode heeft).
 
Een toelichting. Het maagaandeel wat rechtstreeks van het erf naar een consument gaat is niet zo groot. De meeste groente wordt omgepakt (denk aan stoplichtjes), of verwerkt (denk aan een zakje ijsbergsla of een potje van hak). Alle deze ondernemers in de primaire sector leveren hun producten af aan een andere bedrijf en zijn dus eigenlijk grondstofleverancier. Voor vlees geldt denk ik helemaal hetzelfde.
 
Ik hoor jullie al zeggen? En Tasty Tom dan? En Koppert Cress? Of Chiquita? Inderdaad enkele schaarse voorbeelden van producenten die ‘herkenbaar’ zijn en dus defacto geen ingredientleverancier zijn meer zijn. Je zou kunnen zeggen de uitzonderingen die de regel bevestigen.
 
Waarom ik dit stukje schrijf en deze stelling poneer? Om vooral aan de LTO achterban weer eens duidelijk te maken dat ze hun leden eerlijk moeten informeren. Dat hun leden in de meeste gevallen grondstofleverancier zijn voor een ompakstation of voor een voedselverwerker.  En dat ik ook denk dat deze trend zich nog verder zal gaan doorzetten. En om aan te geven dat Nederland Bloeit achtige campagnes weggegooid geld is.
 
Een tussentijdse samenvatting: Beste ondernemer uit de primaire sector. Besef dat:
 
  1.  u in de meeste gevallen een ingrediënt leverancier bent. En als grondstof leverancier zult u vaak ‘inwisselbaar zijn’. Niet fijn, maar wel waar. De laagste prijs ‘krijgen’ geldt vrijwel altijd voor een anonieme B2Bleverancier.
  2. u plotseling een voedselverwerker en verkoper wordt, op het moment dat het mes in u product gaat zetten. Dit betekent o.a. een andere governance structuur (lees blijf niet werken vanuit u huidige VOF) ander wetgeving, kortom andere spelregels.
  3. het maar voor heel weinig bedrijven is weggelegd om met een eigen marketingpropositie en/of toegevoegde waarde product te (kunnen) komen. Degene die hier succesvol in waren, hebben zelden ‘schaalvergroting’ en ‘efficiency’ als basis uitgangspunt genomen in hun keuzes om tot een innovatie te komen. Diversiteit is wel het sleutelwoord.
  4. dat bottlenecks liggen bij van-idee-naar-doen, de verkoop, en correcte positionering en niet bij het ‘idee’ zelf. En een nieuw stal(ontwerp), gaat ook niet leiden tot meer verkoop. 
Zijn er dan geen nieuwe zakelijke kansen voor boeren? Natuurlijk wel. Intel en GoreTex zijn immers ook ingrediëntleveranciers en hun model is gericht op (a) innovatie van het gebruik van hun grondstof, (b) het herkenbaar maken van hun ingrediënt op het niveau van consumenten.  Kortom, blijf je 1) dan zijn er nog steeds innovatiemogelijkheden. Wil je hoger in de keten gaan zitten. Besef dan dat u eigenlijk begonnen bent met voedselverwerking. Unilever, Mars, Heinz etc. zijn ooit ook zo begonnen. En de groentesnijderijen in Nederland ook. Gewoon een andere tak van sport ga je dan doen. Overigens is het goed neerzetten van jezelf als ingrediënt (aka ingrediënt branding) ook een heel specifieke tak van sport. Vraag hulp daarbij van professionals.
 
Samengevat: beste boer, veehouder, of tuinder wordt eens een goede ingrediëntleverancier en kijk eens naar bedrijven zoals Intel, GoreTex. Hoe zetten deze ingrediëntleveranciers hun producten in de markt en hoe werken ze samen met andere ketenspelers met behoud van identiteit. Een mogelijk inspirerend voorbeeld in de voeding is Ojah. Ojah maakt het ingrediënt Beeter, en Beeter is de vleesvervanger met bite die o.a. zit in de producten van de Vegetarische Slager en VleeschSmakers.
 
 
Tenslotte. Ik vind het prima als kleine boeren en tuinders  en veehouders een lokale huiswinkel hebben en daar een minimaal gezinsinkomen uit kunnen halen. Ik vind het ook prima dat er komkommertelers zijn die gewoon doorgaan met het maken van heel veel (meer) rechte komkommers. Maar graag dan wel stoppen met klagen omdat u zo hard moet werken voor zo weinig inkomen.  En beste melkveehouders, ook niet klagen als straks het melkquotum wordt losgelaten. Afgesproken? 
 
PS in de 6e kondratief cyclus draait het echt alleen maar om beleving, emotie en het raken van je klanten. We leven inmiddels in de penthouse van de Piramide van Maslov (dit is een uitspraak van Jan Peter van Doorn, TheFood Agency).

Hoe de Opel Ampera past in de TOP bedrijfsvisie “electricity-based”

Mensen die me op mijn blog een beetje volgen weet dat ik een grote ambitie heb om verduurzaming in de praktijk toe te passen. Ik noem dat DOEN. Duurzaamheid is echter geen absoluut doel, wel een proces waarbij we minder druk op de aarde nastreven, netter omgaan met onze medemens en natuurlijk ook dieren en omgeving.

Ons grootste uitdaging als mensheid is controle krijgen op de groei van de wereldbevolking (zie link1, link2, link3, …) denk ik. We zitten volgens Jan Peter van Doorn in het penthouse van de piramide van Maslov, en hier ligt een stukje van onze toekomst. De grote lijnen van ontwikkeling om verder te verduurzamen –iets wat kan blijven bestaan op langere termijn- zijn denk ik daarom:

De komende tientallen jaren zal ook de energieproductie verduurzamen. Er komen hoe dan ook meer windmolenparken, de inzet van zonnepanelen zal toenemen, etc etc. (lees ook maar eens wat ik vind van biobrandstof). Zogenaamde smart-grids gaan daarbij een rol spelen (bij TOP noem ik dat distributed processing). Hierdoor zal onze maatschappij verder gaan elektrificeren. En dat is positief denk ik. Bij TOP proberen we daarom te kijken naar nieuwe voedselverwerkingstechnieken die geen gas of olie nodig hebben, maar die ‘electricity-based’ zijn. Vandaar onze focus op AMAP, Pascalisatie, en PurePulse.

Aankomende woensdag ga ik mijn nieuwe auto ophalen. Het is een Opel Ampera geworden. 100% elektrische met een range-extender. Nu moet ik toegeven dat zonder BPM-vrijstelling, 0% bijtelling en MIA-afrek, ik deze auto te duur vond om voor mezelf te kiezen. Maar deze auto past helemaal bij de verduurzamingsstrategie en bij de ‘electricity-based’ filosofie van TOP en mijzelf.

Nu de feiten. Is een elektrische auto nu echt duurzamer dan een moderne diesel? Het antwoord als je puur en alleen naar CO2 uitstoot kijkt is “dat valt wel mee”. Laat ik dat eens uitleggen. Een moderne kolengestookte centrale heeft een rendement van ongeveer 40 tot 45%. Dit betekent dat 40-45% van de calorische waarde van de oorspronkelijke brandstof wordt omgezet in elektriciteit. De rest wordt omgezet in warmte. Een gewone auto zet ongeveer maar 20% van de calorische waarde van fossiele brandstof om in ‘beweging’. Bij een ultramoderne diesel met lage luchtweerstand, en die niet te zwaar is, kan dit getal oplopen naar 25% misschien 30%. Nu zijn er natuurlijk ook verliezen bij de conversie van stroom vanuit het net, via een accu naar beweging van een elektrische auto. Hierdoor is het niet fair om die 40-45% aan te houden, dit getal gaat eerder richting de 30-35%. Kortom het verschil met een moderne dieselauto is ‘maar 0-10% (dit is overigens wel substantieel in mijn ogen!).

Alleen op basis van CO2 uitstoot kan je het bezit van een elektrische auto dus maar heel beperkt verantwoorden. Maar er zijn ook andere voordelen:

  • Geen uitstoot van fijnstof, NOx en SOx (in een grote centrale hebben ze dit punt heel goed onder controle). 
  • Naar mate er meer alternatieve energieproductie is (wind, zon, etc.), zal de CO2 uitstoot wel degelijk veel lager zijn dan nu. Het is controversieel, maar E-auto’s kunnen op kernenergie rijden. 
  • Je moet ergens beginnen. Er staan nu een kleine 2000 oplaadpalen in Nederland en er rijden 1300 elektrische auto’s (op de 6 miljoen). Maar op deze manier wordt de infrastructuur wel aangelegd voor de toekomst. 
  • Geen lawaai. Wat zou het in een stad aangenaam zijn als je geen geluid zou horen van auto’s. 

Ik denk dat dit de toekomst gaat zijn. En je moet ergens beginnen. En dat electriciteits-grid dat met alternatieve energie wordt gevoed komt er heus ook wel. En het beetje olie dat dan nog over is, dat gaan we gebruiken voor hoog-toegevoegde waarde producten zoals plastic (dat we vervolgens recyclen). Nu is het nog wat duur, en daarom denk ik dat een tijdelijke subsidie te rechtvaardigen is. Op een ander moment zal ik een kort verslag geven van mijn ervaringen.

Aanvulling 19 oktober
Foodlog heeft het in twee stukjes ook over elektriciteit. In de “verwarring over biologisch” reageer ik op het feit waarom ik in een elektrische auto rij (reactie #2 en #3). 

Publiek Private Samenwerkingen (PPS) in topsector agrifood: de glazen bol 2/2

Dit artikel is deel twee van de serie “PPS in de topsector agrifood: de glazen bol“, mijn advies is om eerst deel 1 te lezen. In deel 1 doe ik namelijk enkele voorspellingen. In dit deel twee ga ik eens wat knopen tellen: “Wat gaat dit betekenen voor TOP en wat hebben we gedaan?” Ik zal eerlijk zijn. Ook wij hebben uiteindelijk een ook PPS ingediend en aan het einde van dit stukje zal ik vertellen waarover deze mogelijke PPS gaat. Nu eerst nog wat algemene overwegingen over het Nederlandse Innovatiebeleid.

Ik heb een heel sterke mening over hoe de kennisinfrastructuur wel zou meten werken. Een samenvatting onder de titel Nederland Innovatieland 3.0 staat al een paar jaar op dit blog. Juist daarom wil ik WEL roomser dan de paus zijn. Een PPS met onze betrokkenheid moet voldoen aan dat Nederland Innovatieland 3.0 pamflet. Dus de uitgangspunten bij een PPS samenwerking met met TNO of DLO zijn:

  • de Nederlandse kennisbasis moet er echt op vooruit gaan. Kortom, meer kennis, en geen platforms of re-use (zo heet dat bij de kennisinfrastructuur). En bijvoorkeur dus pre-concurrentiele kennis.
  • de kennis -in de vorm van rapporten- moet maximaal in het openbare domein komen. Het mechanisme is simpel, betaalt door de overheid betekent dat de resultaten volledig van de maatschappij zijn. Kortom, #opendata en niks geen IP opbouw (en al helemaal niet bij bedrijven)
  • Ik noch mijn partners wens IP te krijgen op ontwikkelingen die bij de kennisinfrastructuur plaatsvinden gedurende de PPS. Dit lijkt me duidelijk.
  • ons consortium zal maximaal gaan ‘sturen’, met nadruk sturen op de de kwaliteit van het onderzoek. Ik vertrouwen de projectmanagement competenties bij het bedrijfsleven meer dan bij de universiteit. Daarvoor hoeft de overheid wat mij betreft dus geen budget vrij te maken. Dus DLO en TNO gaat onderzoek uitvoeren (in het laboratorium dus!) en vervullen geen managementtaken of communicatie activiteiten. 
  • De essentie van een PPS moet zijn “vernieuwing gaan DOEN” en echt nieuw onderzoek uitvoeren (vooral geldt dit dus voor de DOE activiteiten bij de kennisinstellingen die worden ‘ingehuurd’). En of iets nieuw is of niet, dat kan alleen worden beoordeeld als de kennis ook 100% wordt geopenbaard. Vandaar dus mijn uitgangspunt nummer 2.

en voor de rest dus de overige punten die al staat in het Nederland Innovatieland 3.0 pamflet.

Juiste vanwege deze uitgangspunten en NLI 3.0 heb ik ook nog wat ongevraagd advies voor alle betrokken actoren:

  • de inhoud van PSS voorstellen moeten 100% openbaar worden. De overheid betaalt immers 50% en het gaat om fundamenteel of pre-concurratief onderzoek.
  • een bredere onderzoekscommissie moet worden geïmplementeerd die -met publieke component via de ‘crowed’- projecten selecteert. Experts geven dus alleen hun opinie, en het publiek ‘kiest’ uiteindelijk.
  • alle opgeleverde resultaten gedurende de PPS (inclusief ruwe data) betaalt via de maatschappelijke middelen worden geopenbaard. Rapporten worden dus op internet gezet
  • er komt een verbod voor de kennisinstellingen op het nemen van IP (octrooien) via inzet van publieke middelen. Gooi dus IP in de openbare ruimte en voorkom dat er blokkades-tot-gebruik worden gecreerd.Participerende privaten partijen die een octrooi aanvragen gedurende een PPS kunnen een controle verwachten achteraf om te bekijken of alles ‘klopt’ en of er geen site letters zijn. Openbaar veilen mag ook.

Samengevat is mij advies aan alle serieuze journalsiten in Nedeland: hou dit in de gaten, en ga maar eens diep wroeten. “het riekt niet helemaal fris”. De old-boys netwerken zijn nog (te) sterk. Niks geen openheid, niks geen gelijkheid, niks geen nette heldere eigendomsinstructies. 

Dan ons voorstel. In Nederland lopen een x-aantal voedselverwerkers en machinebouwers op het gebied van mild conserveren 2-3 jaar voor op de huidige kennisinfrastructuur in Nederland. De drie belangrijkste technieken –Pascalisatie, AMAP en PurePulse– zijn inmiddels industrieel toegepast na vele jaren van onderzoek. De technologieën zijn opgeschaald en geïmplementeerd, voedselproducten zijn ontwikkeld en niet onsuccesvol in de markt gezet. Wageningen-UR loopt op kennis en praktijkervaring achter, maar heeft tevens ook projecten lopen die de achterhoede moet ‘helpen’ de voorhoede in te halen. Dit vind ik zelf ongelofelijk fout. Als een private sector al voorop loopt, dan moet een semi-overheidsorganisatie zicht terugtrekken; kortom het advies opvolgen van Cie Cohen uit 1998. Toch hebben al deze bedrijven nog vragen. Vragen die te maken hebben met wetgeving (wel of niet Novel Food), die te maken hebben met het verder valideren. Vooral lopen deze bedrijven aan tegen het feit dat ze als voorhoede ondernemers onder een vergrootglas worden gelegt door overheden (denk aan voedselwaarde autoriteiten). Ik hou een mogelijke PPS in de gaten. Het kan niet zo zijn dat DLO middelen worden ingezet om achterhoede spelers financieel of via kennis te helpen. Dit lijkt heel erg op de bonen-professor case (link1 en link2).

Ik heb de laatste maanden de indruk dat TNO veel netter dan DLO/WUR omgaat met haar basisfinanciering. De zg kennisbasis die TNO krijgt van het ministerie mag nooit ingezet worden als matchingsgeld. Deze moeten worden ingezet om de algemene kennisbasis in Nederland te vergroten. Hierbij richt het onderzoek zich bewust op lange termijn en nooit op praktische toepassingen cq onderhandse gunningen. TNO heeft hiervoor speciale programma directeuren die onafhankelijk van de belangen van de lijnmanagers op toezien. Deze programma directeuren hebben een vijf jaar focus en werken met jaarbudgetten. TNO heeft op dit moment een razend interessante analyse techniek in ontwikkeling: Mass Sequencing. Met deze analysetechniek is het mogelijk om van een monster (water, lucht, swap of voedselproduct) in een korte tijd, heel snel dus, te bepalen welke micro-organismen er allemaal inzitten en hoeveel. Hierbij wordt gebruik gemaakt van genomics (DNA analyses etc.). Met deze Mass Sequencing kunnen wij (= het consortium dat werkt aan AMAP, Pascalisatie en PurePulse) validaties gaan uitvoeren rondom stress geïnduceerde fenomenen waar we eigenlijk nog te weinig van weten. Via deze constructie kan TNO werken aan de doorontwikkeling van Mass Sequencing (en hebben ze illustrerende praktijk voorbeelden om hun nieuwe technologie mee te illustreren en valideren) en kan ons consortium met de nieuwste analysetechniek heel precies gaan kijken naar de effecten van mild conserveren Tenminste …. als dit voorstel wordt goedgekeurd. We weten het niet van de mensen van DLO mogen -ondanks dat we in competitie zitten- ons voorstel beoordelen. Foute politiek dus! Wij hebben niks te verbergen.

Samengevat is mij advies -nou ja eigenlijk een verzoek- willen serieuze journalisten van Nederland over onze schouders gaan meekijken? Kortom, gaat DLO op het gebied van mild conserveren geen scheve schaatst rijden? En ook ik wil niet dat TOP een scheve schaatst gaat rijden. Kom maar kijken!

PS mijn adviezen staan al gratis een paar jaar op internet: Nederland Innovatieland 3.0. Deze pagina is tot stand gekomen na maanden onderzoek, discussie en debat o.a. op Community of Talents (#CoT).

Publiek Private Samenwerkingen (PPS) in topsector agrifood: de glazen bol 1/2

Het waren drukke en bijzondere weken. Ik ben bij een matig interessante beurs en wetenschappelijke congres -IFT 2012 te Las Vegas-, heb daarna flink moeten wennen aan het tijdsverschil en ondertussen worden we bedolven onder offerte aanvragen. Daarnaast ben ik 2x in Spanje geweest, 1x in Noord-Italie en Roemenië. Dat is natuurlijk leuk en nuttig, maar we hebben tijdens deze vakantie het ook druk met afronding van lopende projecten, en tevens denk ik dat het drukte voor de stilte gaat zijn (ja zo bedoel ik het). Dit zal ik uitleggen.

Het R&D beleid in Nederland stevent af op een absolute verslechterende situatie die verre van innovatie bevorderend gaat zijn in de toekomst. Met goed bedoelde -maar tevens lichtelijk naieve- PPS constructies gaat (a) de private MKB dienstverlenende industrie nog verder valselijk beconcurreerd worden, en (b) gaan we een fase in waarbij je weet dat over 5 a 10 jaar onze samenleving een ‘uitdaging’ gaat hebben door verkeerde beleidskeuzes. Ik schrijf over dit onderwerp al bijna tien jaar -en wordt vaak verwezen grimmig of te scherp te zijn- maar deze week is er ook een alarmerend rapport van het Rathenau-instituut verschenen die mijn ergste vermoedens bevestigen. De conclusies van Rathenau liegen er niet om (lees ook waarom gouden driehoeken naïeve verzinsels zijn). Robbert Dijkgraad luidt ook de noodklok “innovatiebeleid mag niet worden verward met wetenschap. Dit beleid is slecht voor fundamenteel onderzoek”.

Terug naar de PPS’en van de agrifood topcommissie die nu met stel en sprong ingediend moesten worden. Ik ga maar eens kijken in mijn “glazen bol”. Of mijn glazen bol klopt zullen we die spijtig genoeg nooit weten. Mijn voorspellingen zijn immers alleen door insiders te controleren kan worden. Maar ik loop al (te) lang mee in de sector heb her en der wat bronnen en denk daarom wel een beetje te weten wat er speelt. Natuurlijk ben ik inmiddels ook een cynicus m.b.t. dit onderwerp. Maar ik hoop zo dat we echte innovatievoorstellen zullen gaan zien (overigens vind ik mezelf eerder een realist). Hier komen mijn 8 voorspellingen.

1. Veel marketing en ‘innovateplarforms’. 
Nederland is in de laatste 10 jaar verworven tot een land van de platforms. De gedachte is als je maar vaak bij elkaar zit er automatische veel nieuwe ideeën komen en dus meer innovatie. Deze platforms zijn er in alle soorten en maten, landelijk en regionaal georganiseerd. Maar ook gericht per sector of juist per keten. Of juist per inhoudelijk thema. etc. etc. Ik denk dat er in de lijst veel PPS projecten zijn die een beroep doen op middelen om weer eens een nieuw platform op te richten. Niet handig en niet effectief. Niks innovatie dus, alleen maar ‘communicatie en netwerken’. Ben ik daar op tegen? ja! Tenminste ik ben tegen het financieren via de overheid en al helemaal uit de beperkte budgetten die gealloceerd kunnen worden voor R&D en innovatie. Wageningen-UR is inmiddels koning-platform. Dus ik verwacht nog meer nieuwe van dit soort ‘platform’ initiatieven. Hierbij alvast wat voorbeelden: “alternatief eiwit platform”, “het voedselverspillingsplatform”, “het duurzame zuivel platform”, “het duurzame varkenshouderij platform”, “het duurzame akkerbouwplatform”, “het platform bioraffinage”, “het platform duurzame agrologistiek”. Kortom, alles met het ‘woord’ duurzaamheid. Veel ‘communicatie’ en omgekeerd evenredig weinig werkelijke inhoud dus.

2. Verkapte ‘gewone’ productontwikkeling onder het mom van ‘consumentenonderzoek’
Er zullen voorstellen komen die eigenlijk ‘gewone’ voedselproductontwikkelingen zijn. Eigenlijk gaat het om een nieuwe product of een nieuwe verpakking. Omdat dit is natuurlijk te doorzichtig en daarom wordt dit verpakt onder het mom van ‘consumentenonderzoek’. Vooral het LEI en Restaurant van de toekomst (WUR/FBR) zal je dit soort voorstellen zien indienen. Commerciële onderzoeksbureau’s zoals Motivaction zullen dit met lede ogen aanzien. Behoor je tot de bon-ton (lees ben je een insider of vriendje van een DLO of TNO instituut), dan heb je geluk. Ook zal het me niet verbazen als er de nodige projecten zullen zijn tussen gewone onderzoekers en boeren en tuinders rondom ‘valorisatie’ van hun grondstof: wat kan je nog meer doen met een komkommer of een gewoon stukje varkensvlees. Gewone productontwikkeling dus alleen heel slim verpakt. Niet onderzoeksinstituut waardig werk wat mij betreft. Pre-concurrentiele onderzoek rondom nieuwe kennis zou wel het doel moeten zijn. Ik hoop dat de selectie commissie hier scherp op gaat letten.

3. Veel duurzaamheid en reststroomverwerking (cascadering of bioraffinage) onderzoek.
Duurzaamheid is hip. Dus verwacht ik zg duurzaamheidsprojecten. En dan bedoel ik niet hele concrete projecten zoals TooGoodToWaste (zie link), neen, ik bedoel vaag geformuleerde projecten zoals: “er wordt veel weggegooid, laten we onderzoek wat we  er mee kunnen doen”. Lekker rapportjes schrijven hierover. Nu kan ik je verzekeren dat na 15 jaar R&D in agrifood ik kan voorspellen dat vrijwel al deze onderzoeken al eens zijn uitgevoerd. Wil je weten wat je met uien kan doen? Ik heb een rapport liggen. Wil je weten wat er met mest allemaal gedaan kan worden. Het is er al. Laten we gek doen; wat doen we met bloed dat bij de slacht vrijkomt? (ach VION doet dat ook al …). Alle ideeën en de routes zijn al bedacht. Waar ligt de bottleneck dan? Simpel bij het DOEN in de praktijk. Waarom is DOEN in de praktijk zo lastig? Omdat het ‘echte’ investeringen vraagt in fabrieken / hardware. Maar dat doen we eigenlijk liever niet in Nederland (ondanks dat hier de bottleneck ligt). Liever blijven we rapportjes schrijven en mooie websites maken. De valley-of-death wordt weer genegeerd.

4. Waarschijnlijk veel alternatieve eiwitten en nieuwe plantjes (algen, wieren, insecten).
Al bijna 10 jaar geleden hoorde ik voor het eerst over insecten. Miljoenen euro’s zijn er gespendeerd aan dit onderwerp. Voorzover ik nu kan zien met weinig resultaat (laat ik het anders formuleren: de omvang van de sector staat niet in verhouding met de investeringen). Insecten worden niet op grote schaal gekweekt, en de verwerking van insecten is al helemaal een onderwerp waarover vooral veel over wordt ‘gepraat’ en er tevens weinig beweging is in de praktijk. Algen en wier zijn verder de  ‘hippe’ PPS onderwerpen denk ik. Dat er inmiddels al tientallen bedrijven zijn die algen kweken en in de markt zetten (overigens ook op grote schaal in Amerika en bij bedrijven zoals DSM en BASF) is niet relevant. WUR wilde -en heeft gekregen- een eigen miljoenen kostend algenpark. Daar is natuurlijk blijvend geld voor nodig, dus verwacht ik een paar projecten rondom algen en wieren (wat meercellige algen zijn). Dit onderwerp leent zich weer voor oude-wijn-in-nieuwe-zakken benadering. Waarschijnlijk komt er een ‘platform’ (zie ook 1) waarin de usual suspects zullen pleiten voor ‘workshops’. Ondertussen gaan de phycoms, inpreco’s en ojah’s van deze wereld gewoon door met DOEN. Uiteraard zonder de geroemde ‘kennisinfrastructuur’.

5 Bedroevend weinig nieuwe productietechnologie en procestechnologie.
Ik heb het in Amerika ook gezien (ik moet eigenlijk zeggen ook niet gezien). Er is maar heel weinig technologische vernieuwing. De risico’s zijn te groot (en rechtvaardiigd nu juist een overheidsinvestering / toeslag. Nu zal het jullie niet verbazen, ik ben immers een hardcore techneut- maar disruptieve technologie innovatie is vrijwel altijd de initiator van nieuwe applicatie mogelijkheden. Als je gaat kijken naar de grote economische bloeiperiodes sinds het begin van de industriële revolutie (de kondratief cycli) dan zie je dat deze allemaal tech-gedreven zijn. Nieuwe economische modellen, vooral het ontstaan van nieuwe sectoren, ontstaan via technologie ontwikkeling. Nu is technologie ontwikkeling (vooral nieuwe productieprocessen en machines) ongelooflijk duur en risicovol, TNO en DLO hebben lang geleden al afscheid genomen van deze tak van sport. En juist daarom verwacht ik vrijwel geen projecten rondom technologie. Terwijl juist daar de nieuwe zakelijke kansen liggen. Wat TOP o.a. doet is te zien op www.toptechnologytalks.nl 

6 Weinig nieuw-vers (fresh convenience) projecten.
Innovatie -en vooral disruptieve innovatie- komt altijd vanuit de randen laat de geschiedenis zien. De hoefsmeden hebben niet de auto bedacht, en AGFA is niet gekomen met de digitale camera. Het is een software bedrijf (Apple) dat de telefonie markt op zijn kop heeft gezet, en zo zou je ook naar voeding kunnen kijken. Rondom voeding en gezondheid (denk aan low-carb en paleo), maar ook rondom duurzaamheid en maatschappelijke trends zoals nieuw-vers, smartness from nature en all-natural verwacht ik weinig van Unilever of FrieslandCampina. Van wie dan wel? Van bedrijven die we nu nog niet kennen, en vooral van bedrijven in de fresh-convenience sector. Deze sector heeft historische gezien geen banden met TNO en DLO. Kortom, er zullen weinig projecten ingediend worden rondom dit thema. En dit is voor de foodsector, hun technologiesuppliers en vooral voor Nederlanders die een gezond vers-bewerkt product willen kunnen blijven consumeren uitermate jammer. De Nederlandse machinebouw op het gebied van fresh-convenience loopt wereldwijd voorop doordat er zo’n goede wisselwerking was tussen de producenten en de technologie sector. En de kennisinfrastructuur (TNO en DLO) hebben hier inde laatste 10 jaar 0 bijdrage aan gehad.

7. De PPS als verkapte ontwikkelingshulp i.p.v. echte innovatie.
Vooral de WUR heeft een lange historie met zg. buitenland projecten. Als je goed inhoudelijk kijkt naar deze projecten, dan heeft het meestal te maken met ontwikkelingshulp, en niet met R&D of innovatie. Het opzetten van trainingscentra bijvoorbeeld met Nederlands belastinggeld via een Wageningen Universiteit in Azie of Africa is natuurlijk heel sympathiek, maar persoonlijk zie ik de toegevoegde waarde m.b.t. de Nederlandse economie niet. Het doet me denken aan een collega die jaren geleden betaalt door LNV naar centraal Amerika vloog om daar in een paar weken bloemenkwekers te helpen betere bloemen te kweken. Ja jullie lezen het goed. Wij betalen WUR om kennis gratis weg te geven. Ik snap dergelijk projecten niet. De BV-Nederland is daarmee niet geholpen, in tegendeel niet alleen gaat er kennis gratis weg, maar ook worden Nederlandse bedrijven hiermee oneigenlijk beconcureerd. Wat zit daar nu de innovatie? Waarom moeten wij (lees belastingbetalende Nederlanders) hier aan meebetalen? Als een land graag kennis (of mensen met kennis) vanuit Nederland wilt hebben, dan zou ik zeggen “laat ze gewoon voor deze dienst betalen?” Op deze manier komt de kenniseconomie juist NIET van de grond. Overheidsmiddelen m.b.t. innovatie en R&D moeten mijn inziens heel scherp worden ingezet voor het creëren van nieuwe kennis. En ontwikkelingshulp is een andere tak van sport, dat hoort bij een ander ministerie en met andere doelen.

8. Vooral big-food en brancheorganisaties, relatief heel weinig (high-tech) MKB.
Als het gaat om vernieuwing en vooral het toepassen van kennis dan is het tegenwoordig wel een algemeen geaccepteerd feit dat vooral (hightech) MKB hier een grote rol bij speelt. Het is mijn insziens daarom logisch dat innovatiebeleid vooral zich zou moeten richten op de kleinere en innovatievere bedrijven. Grote bedrijven werken trager, nemen minder risico, en kopen innovatie vaak in een later stadium op (en dat is prima). Denk hierbij aan Unilever die Ben & Jerry’s opkoopt, of DSM dat kleine bedrijven die in een niche zitten later opkopen. Maar klein is grillig, heeft minder middelen en het netwerk van DLO en TNO voor MKB is niet zo groot. Wat je daarom denk ik zult zien (we komen er nooit achter ;-( ) is dat de partners bij een PPS vooral grote bedrijven en brancheorganisaties zijn. Brancheorganisaties zoals LTO, CBL of FNL (maar zeker ook productschappen) hebben wel een achterban, maar hebben tevens ook een eigen agenda (= hun mensen aan het werk houden). Ik snap dat. Maar innovatie is DOEN, en dat DOEN is vooral gaan toepassen in de praktijk. En laat nu dit de taak/rol zijn van MKB-bedrijven. Ik hoop dat er dus vooral agrariërs en veehouders, en natuurlijk voedselproducerende bedrijven (bijvoorbeeld private label producenten) voorstellen indienen; deze PPS zou immers gericht zijn op ondernemerschap. Ik hoop het, maar verwacht het echter niet ….

Dan nog wat algemene voorspellingen en stellingen want ik heb niet zin om nog meer op papier over dit onderwerp te zetten (eigenlijk wordt ik hier stront chagrijnig van):

  • Waarschijnlijk breekt er grote competitie uit binnen DLO (onderdeel van WUR). En wel tussen de DLO-instituten. Tot nu toe was geld jaarlijks gealloceerd per DLO-instituut, en vanaf nu is dat anders. Dus zal er competitie zijn, maar ook ‘afstemming’. Dit laatste is gek, aangezien de PPSen bedrijfsgestuurd zullen moeten zijn.
  • Het oude denken zit heel diepgebakken en de  old boys zijn springlevend. Wedden dat we dezelfde ‘partners’ zien bij de PPS’en? Het zijn immers bedrijven die al heel lang ‘samenwerken’ met DLO en TNO. En zelfs de onderwerpen zullen veel ‘re-use’ zijn.
  • Heel heel heel weinig vernieuwende innovatie of onderzoek. Misschien zelfs wel helemaal niks. Vreselijk jammer voor de BV-Nederland. Beetje algemene opmerking. Maar bekijken mijn acht voorspellingen hierboven nog maar eens. 
  • Weinig MKB, veel ‘branche verenigingen’ (denk aan CBL, LTO, ZLTO, FNLI, …) en heel veel ‘grootbedrijven’. MKB wat meedoet zijn onderdeel van het systeem (of gewoon goed bevriend). En echte hightech MKB? Die heeft het nakijken,
  • Niks geen initiatief vanuit bedrijfsleven die kennisvragen neerleggen bij TNO en DLO. TNO en DLO schrijven gewoon hun eigen programma voor en met bevriende vriendjes. Het aandeel autentieke bedrijfsvoorstellen zal heel klein zijn. Denk ik. Maar weten doe ik het niet.
  • Vriendjes beoordelen hun eigen programma’s. Niks geen openbaarheid. Dus TNO en DLO beoordelen zelf de programma’s. Dit is overigens al te lezen in de call tekst. Wedden dat ook ons PPS voorstel beoordeeld wordt door de concurrent (lees specifiek DLO/FBR). Mocht dat zo zijn, en daar ga ik wel achterkomen, dan volgt een formele klacht richting het ministerie. 

Kortom, niks geen ander beleid, niks geen belang BV-Nederland dat wordt geholpen. Gewoon een circus waarin met stoeltjes wordt gedanst tussen de usual suspects. Wedden? Deze lijn begint te lang te worden, en dus heb ik dit stukje maar in tweeën gesplitst. In deel twee ga ik in op het dilemma waar ik met TOP mee zat, en geef ik nog wat andere adviezen. TOP heeft namelijk met een netwerk ook een PPS ingediend. Lees verder zou ik zeggen!

Het inspirerende polderlandschap nader toegelicht.

Al lang heb ik een simpele foto als achtergrond voor dit blog en op mijn Facebook pagina. Van de week kreeg ik de vraag: Waarom toch deze simpele foto? Nu, daar heb ik zeker wel een reden voor. Sterker nog meerdere redenen. En die ga ik nu proberen toe te lichten. Lees nu even niet verder, en kijk eerst eens naar deze foto’s op Facebook.

Dergelijke polderlandschappen bevatten voor mij net zoveel schoonheid als een oud Italiaans of Spaans landschap. Anders dat klopt, maar ook mooi. Italiaanse en Spaanse landschappen heb ik in de laatste twee weken overigens genoeg gezien (met als meest frappante het “Venetië” in Las Vegas), en juist daarom was ik vandaag weer blij even de Flevopolder in te kunnen rijden. Strak, rustgevend en toch natuurlijk en veranderlijk. Oude landschappen zijn meestal (te) statisch.

Waarom hou ik ook van polderlandschappen? Simpel, hier liggen mijn roots. Ik ben geboren in dit landschap en hoe ik ook als twintiger graag naar de Randstad wou en stoer zei ‘nooit meer de polder’ ben ik daar nu 20 jaar later anders over gaan denken. Polderlandschappen zijn gemaakt door de mens met een beetje hulp van de natuur; gewoon uit niets. Uit niets iets maken (of te wel innoveren) is toch het mooiste wat wij als mens kunnen doen. Creëren, bedenken en dan aan de slag gaan. Een week geleden beargumenteerde ik echter nog dat we de vaardigheid ‘het DOEN’ lijken te verleren. Mijn Vader, waar ik erg trots op ben, is een van de mensen die zijn hele leven heeft besteed aan het creëren van waarde door de Flevopolder (en specifiek Almere) vorm te geven. Hij DEED.  Heel inspirerend nog steeds voor mijn dagelijkse leven. Beste mensen it’s all about value creating. 

Het is dus niet alleen het romantische beeld dat met mijn jeugd te maken heeft waarom ik graag in de Flevopolder kom. Ik gebruik de Flevopolder graag als een metafoor voor positieve verandering, innovatie en de veerkracht van de mens om ook in zware tijden, gewoon door doorzetten, mooie dingen te doen. De kleuren die ik gebruik op facebook en mijn blog hier, zie je steeds terug komen in de polder.

De grote vlakken zijn voor mij totaal niet saai, als je goed kijkt, dan zie je dat er oneindig veel groen en blauw tinten zijn. Verder verandert de lucht en landschap van uur tot uur. Door de lichtinval, het jaargetijde of door de wind. Het is deze dynamiek die mij erg aanspreekt. Verandering en aanpassingen zijn de essentie van onze innoverende samenlevingen. En dit soort samenlevingen blijven welvarend en duurzaam denk ik. Het polderlandschap is voor mij een combinatie tussen impressionisme (‘van Gogh’) en het abstracte werk zoals bijvoorbeeld van Mondriaan. Je zou kunnen zeggen de ultieme combinatie tussen ‘natuur’ en ’technologie’. Deze combinatie gaat de essentie zijn in de 6e Kondratief cyclus denk ik.

Dan de kleuren zelf, daar zie ik meerdere verklaringen voor.

A. Het groen van de natuur en het landschap
Het groene spreekt voor zichzelf denk ik. De combinatie van natuur maar toch geregisseerd (strakke lijnen) laten zien wat wij als mens in staat zijn met kleine zetjes de natuur zijn werk te laten doen. De kringlopen water, fosfaat, nitraat, en koolstofdioxide zijn fantastische ontworpen en daar hoeven we eigenlijk niet veel aan te doen (waarschijnlijk kunnen we het alleen verpesten) In tegenstelling tot de grote stad, heb je in de polder nog een directe link met de natuur. Groen is verder natuurlijk nog de kleur van duurzaamheid (ook in relaties!).

B. Het blauwe van de lucht.
Blauw is mijn lievelingskleur en de combinatie van de blauwe lucht en witte wolken die steeds veranderen geeft mij de mogelijkheid om te dromen. Hoe langer en beter je kijkt hoe meer je er achter komt hoeveel dynamiek en tevens nuance in de lucht zit. Dromen is nodig om perspectief naar de toekomst te kunnen geven. Achteruitkijken is alleen zinvol in het kader van analyse, maar de toekomst ligt toch echt voor ons. Blauw is tevens ‘liberaal’ en de combinatie met het ‘groen’ weerspiegelt dit mijn politiek voorkeur groenrechts.

C. Het grijze van de wegen.
Ja, de wegen in de polder doorkruizen het groene landschap. Maar deze wegen zijn voor mij een symbool van technologie. Wij ‘apen’ zijn slim (dankzij onze voeding) en net als Kevin Kelly denk ik dat het gebruik van technologie een logisch evolutionair gevolg is. De kleur grijs van machines –mits duurzaam– is daarom voor mij ook logisch. De weg zelf, die naar de horizon doorloopt, kunnen we gebruiken om naar de toekomst te gaan. Kortom, duurzame groene technologie gaat ons leven interessanter en aangenamer maken.

Deze combinatie zie ik geheel in het polderlandschap. Het polderlandschap is daarmee vitaal. En dat is de reden -tezamen met het feit dat ik er geboren ben- waarom ik Polderlandschappen mooi vind en deze heb gebruikt in mijn blog en Facebook profiel. 


Dyslexie (aka woordblindheid) een privé stukje van een beta die denkt in beelden en niet in lijnen.

Volgens mij ben ik het prototype van een beta. Wiskundig ingesteld, logisch nadenken en denken in verbanden. Al tijdens mijn middelbare school -en zeker ook later op de universiteit- was ik goed in wis en natuurkunde. Ik snapte de materie vrijwel meteen, en dat heeft weer als voordeel dat je weinig hoeft te blokken. Maar met talen en schrijven daar heb ik altijd al moeite mee gehad. Lezen gaat overigens best goed, op 10-jarige leeftijd begon ik Ludlum boeken van mijn vader te lezen, en deze waren zo spannend, dat ik veel ‘ervaring’ in lezen heb opgedaan. Al in het begin van mijn middelbare schooltijd is geconstateerd dat ik leed aan woordblindheid (dat heette toen nog zo, nu moet je netjes dyslexie zeggen, net zoals het om interieurverzorgsters gaat en niet om schoonmakers). Ik heb vooral geen gevoel voor t’s en d’s en voor lange ei’s en korte ij’s. Vanwege deze diagnose kreeg ik extra tijd tijdens mijn eindexamens; al was ik te koppig om hier in de praktijk van gebruik te willen maken. Ik ben niet gehandicapt of zo. Door mijn woordblindheid ben ik eigenlijk niet helemaal een typische beta.

Mijn moeder stuurde me gedurende de middelbare school daarom naar bijles waar ik gedwongen werd allerlei rijtjes te leren. Of het geholpen heeft weet ik niet, maar leuk was anders. Wel ben ik zo gedrilled dat ik verstandelijk weet (via ezelsbruggetjes e.d.) wanneer ik een t of een d moet gebruiken. Maar van nature kan ik geen tekst foutloos schrijven. Ook is mijn grammaticale zinsopbouw ‘bijzonder’ te noemen zegt mijn omgeving. Nu heb ik lang het schrijven van stukjes daarom gewoon ontweken. Rapporten schrijven, bah, offertes schrijven bah, boekverslagen bah. Via smoesjes ontweek ik dit soort klusjes, of ik zorgde ervoor dat ik kon ‘samenwerken’. of ‘uitbesteden’. Nu heb ik werk waarbij ik regelmatig toch de pen moet pakken en lang geleden heb ik me over mijn schroom heen gezet en ben ik gewoon gaan DOEN. Jaren geleden ben ik dit blog gestart met drie doelen (a) mezelf verplichten regelmatig stukjes te schrijven (oefenen dus), (b) aan kenninsmanagement te doen (verhalen te delen), en (c) een stukje reclame te maken. Ook hou ik vreselijk veel van ‘het intellectuele debat’ en ‘kennisuitwisseling’, en laat dat heden ten dagen vooral online verlopen. Welke keus heb ik dan behalve meedoen! En dat doe ik dan ook met veel plezier op o.a. Foodlog.nl en CoT / Linkedin. **

Mijn schaamte ben ik inmiddels wel voorbij en ik weet dat mijn hersenen op andere manieren informatie verwerken en dat ik daardoor op bepaalde vlakken zelfs anders denk. Mijn hersenen zijn gewoon net even anders. Kortom, van een zwakte een sterkte maken dat is me denk ik wel een beetje gelukt. De laatste tijd lees ik allerlei leuke stukken over dyslexie. Hieronder staat een stukje wat ik las op breinlogs. Het is heel herkenbaar. Ook ik denk ik beelden, structuren en verbanden. Ik heb daarom wel meet tijd en woorden nodig om iets ‘uit te leggen’. Mijn manier is om eerst een versimpeld zwart-wit beeld te schetsen en dan de nuances in te vullen. Mijn sterkte is dat ik hierdoor van grote lijnen, complexe problemen en lange tijdschalen kan inzoomen naar details en korte termijn (en weer terug). Ik heb recent ergens gelezen dat er onder de groep van ondernemers onevenredig veel mensen met dyslexie voorkomen (zie economist : geeks, autism and entrepreneurs). Dit type ondernemers zijn vaak ‘verhalenverteller’s’ en hierbij gebruiken ze schema’s en plaatjes en weinig tekst. Ik zit ook zo in elkaar.

Beste klant **, collega en partner. Ik ben niet gek; maar mijn hersenen hebben wel een kleine afwijking. Beste lezer van dit blog. Ik blijf schrijven en vergeef me mijn taalfouten. Mijn kracht ligt gewoon op andere vlakken. Kijk over de verkeerde d’s en t’s heen en probeer mijn onderliggende boodschappen te vatten.

** waar ik wel werkelijk mee worstel: ik moet ontspannen zijn om te kunnen schrijven. Als ik iets ‘moet’ dan blokkeren mijn hersenen. Ik weet dan helemaal wat te doen, maar krijg het toch niet voor elkaar om ook maar een letter op papier te zetten.

Lees ook onderstaand stukje:

Hoe werkt een dyslectisch brein? 

Mensen met dyslexie verwerken informatie in hun hersenen anders dan mensen zonder dyslexie. Ze denken anders. Die visie vindt in Nederland nog niet zoveel aanhangers onder dyslexiedeskundigen, maar in bijvoorbeeld de Verenigde Staten heeft Dr. Sally Shaywitz daadwerkelijk aangetoond dat dyslectici op een andere manier informatie verwerken. In ons werk met dyslectici merken wij dat het werken vanuit deze visie snelle en goede resultaten oplevert. 

Goede lezers
Via functionele MRI-scans heeft Shaywitz aangetoond dat mensen doorgaans voor het lezen en schrijven drie gebieden in het linkerdeel van de hersenen gebruiken. Deze gebieden staan in directe wederzijdse verbinding met elkaar en zijn elk voor een deel van de taalverwerking verantwoordelijk. Vooraan, in het Centrum van Broca, vindt o.a. de analyse van woorden plaats, maar ook de articulatie en het spreken. Achterin, in het Centrum van Wernicke en het Woordvormgebied, komt alle informatie samen en wordt o.a. opgeslagen hoe een woord eruitziet, hoe het klinkt en wat het betekent. Figuur A. geeft een indruk van welke gebieden in de linkerhersenhelft dit zijn. Deze gebieden worden onder het lezen en informatie verwerken dan ook geactiveerd. 

Dyslectische lezers 
Voor dyslectici geldt dit niet. Shaywitz toonde aan dat de verbindingen tussen deze 3 gebieden in de linkerhersenhelft bij dyslectici niet werken; zelfs niet bij dyslectische kinderen van vier jaar. Alleen het Centrum van Broca, waar de woordanalyse en spraak is gelokaliseerd, wordt geactiveerd. Het Centrum van Wernicke en het woordvormgebied vertonen geen enkele activiteit. Bij dyslectici ontstaat vanuit en naar het Centrum van Broca een alternatieve route in de hersenen voor het opslaan en terugvinden van de betekenis van woorden die via de rechterhersenhelft loopt. Zie Figuur B. 

Wat doen de beide hersenhelften?
Van de rechterhersenhelft is bekend dat deze verantwoordelijk is voor o.a. onze verbeelding, de intuïtie, het onderbewustzijn, onze creativiteit, het leggen van verbanden, het meerdere dingen tegelijk kunnen doen en het snel kunnen scannen en verwerken. Dat zijn hele andere eigenschappen dan die eigenschappen waarvoor de linkerhersenhelft verantwoordelijk is, nl. het logische redeneren, het helder bewustzijn, systematiek en het scheiden van informatie.  

Gevolgen voor het dyslectische denken
Een niet-dyslecticus heeft dus direct toegang tot de vorm, betekenis en uitspraak van woorden. De dyslecticus heeft dat niet en moet daar via zijn rechterhersenhelft achterkomen, dus via het maken van beelden, het leggen van verbanden en structuren, het hebben van allerlei associaties. Dit toont ook de voorliefde van dyslectici voor het uitgebreid redeneren, het denken in beelden, het leggen van verbanden, het probleemoplossende en kritische denken. Omdat er in korte tijd zoveel (bijkomende) informatie wordt verwerkt, hebben dyslectici in het algemeen vaak moeite om in een paar zinnen te vertellen wat zij bijv. hebben gelezen. 

Lijndenkers en Beelddenkers
Wij onderscheiden als gevolg van deze ontdekking “beelddenkers” en “lijndenkers”. De meeste mensen zijn lijndenkers: ze denken van begin naar einde, van oorzaak naar gevolg, van hoofdletters naar punten. Dyslectici niet. Zij denken in beelden en ideeën, hebben een totaalplaatje van het geheel, hebben veel associaties en zien ook daar de verbanden tussen. Als zij dat wat zij denken in woorden moeten vatten, hebben zij meer tijd nodig om te kiezen wat ze gaan vertellen en hun beelden te vertalen in woorden. Ze neigen er naar te beginnen met de kern of conclusie van het verhaal en dat geeft nogal eens verwarring bij de lijndenkers die dan het kader of de inleiding missen. Overigens is het niet het één of het ander: er zijn ook veel niet-dyslectici die in beelden denken. Vrouwen denken over het algemeen ook meer in beelden. Zij hebben veelal echter geleerd om hun denken in een lijn neer te zetten. Bij hen werken die verbindingen in de linkerhersenhelft wel. Bij dyslectici niet. 

De uitdaging
Het lijndenken is de norm in onze maatschappij. Het hele onderwijs is erop gestoeld. Het beelddenken wordt als lastig ervaren en vaak niet begrepen. Dit terwijl het beelddenken grote denkers, kunstenaars en uitvinders heeft voortgebracht. Denk aan Albert Einstein, Isaac Newton en Leonardo da Vinci. Tussen beide manieren van denken bestaat echter nog steeds een kloof. De uitdaging is om een zodanige communicatie tussen dyslectici en niet-dyslectici tot stand te brengen, dat ze elkaar begrijpen en verrijken.

Waarom de kenniseconomie en gouden driehoek niet bestaat, en we aan de platina driehoek moeten gaan werken

Google op mijn naam, of volg de linkedin group Community of Talents, en je zult zien dat ik al jaren spreek over de kenniseconomie. Of liever gezegd dat deze niet kan bestaan en niet zal gaan bestaan. De gedachte dat we alleen een diensten en kennismaatschappij kunnen maken is grote onzin. R&D en kennis zal op termijn ook naar lage(re) lonen landen kunnen worden verplaatst. Vanochtend zag ik een leuk filmpje uit China dat dat illustreert (wel leuk dat VW logo wordt gebruikt).

Wat dan wel? Nederland Innovatieland 3.0. Wat bedoel ik daarmee? Heel simpel. De enige constante factor is dat alles om ons heen heel snel veranderd & en Innovatie is DOEN in de praktijk. De vaardigheid om continue te kunnen blijven bewegen zou daarom een kernvaardigheid van elke organisatie moeten zijn. Snel nieuwe producten kunnen bedenken en succesvol introduceren is dus waar het om draait. En een substantieel aandeel van nieuwe producten zijn ‘echt’ (atomen en moleculen, en niet bits and bytes). En deze echte producten moeten gemaakt kunnen worden, daarvoor heb je werkplaatsen en fabrieken nodig. En ik denk dat we Nederland zijn doorgeschoten naar het uitbesteden van ‘maken’. Het ‘bedenken’ is nog sneller uitbesteed, laten we dat niet vergeten.

Vanochtend ging het ‘leuke’ filmpje op RTL-nieuws over de kleding van de Amerikaanse Olympiers. Politici protesteerde over het feit dat kleding van Amerikaanse olympiërs uit China komt. Laten we dit soort discussies in Nederland ook over eten en andere producten gaan hebben. Zelfs bedrijven zoals Apple zijn meer en meer gevoelig voor dit soort argumenten.


Creativiteit (ontwerpen), DOEN (ondernemerschap) en dus ook kunnen “Maken” horen bij elkaar! Dit is de werkelijk gouden driehoek, die ik vanaf nu maar de platina driehoek ga noemen (en dus niet het bejubelde en vooral niet bestaande ondernemerschap-overheid-onderzoek). Het ‘nieuwe’ PPS beleid gaat deze platina driehoek niet ondersteunen.