De universiteit hoeft niet rechts te worden. Ze moet wel weer leren twijfelen (en leren vrij te debatteren op inhoud vrij van conformiteitsdruk). Hoe voorkom je epistemologische homogeniteit?

De inspiratie voor dit artikel komt van Kurt Deketelaere en Andreas De Block (zie LinkedIn en De Morgen)

Universiteiten zijn links. Het is een uitspraak die gemakkelijk wordt gedaan en even gemakkelijk wordt weggewuifd. De eerste groep ziet de universiteit als een progressief bolwerk waarin conservatieve denkbeelden nauwelijks nog welkom zijn. De tweede groep antwoordt dat wetenschap nu eenmaal niet democratisch is: de zwaartekracht wordt niet anders omdat een meerderheid ervoor stemt, klimaatverandering verdwijnt niet wanneer een politieke partij haar ontkent en een slecht argument wordt geen goed argument omdat het bijdraagt aan ‘diversiteit’.

Beide reacties bevatten een kern van waarheid. En juist daarom is het debat interessanter dan de gebruikelijke links-rechtskarikatuur.

Een interview in De Morgen met wetenschapsfilosoof Andreas De Block van KU Leuven brengt die spanning scherp naar voren. De Block stelt dat de linkse dominantie aan universiteiten problematisch kan worden. Niet omdat iedere universiteit een evenredige vertegenwoordiging van socialisten, liberalen, conservatieven en christendemocraten zou moeten organiseren, maar omdat intellectuele homogeniteit gevolgen kan hebben voor de vragen die wetenschappers stellen, voor de hypothesen die serieus worden onderzocht en vooral voor de bereidheid afwijkende ideeën daadwerkelijk te onderzoeken.

De aanleiding is de uiterst beladen affaire rond de Amerikaanse onderzoeker Nathan Cofnas aan de Universiteit Gent. De zaak is inmiddels zo gepolariseerd geraakt dat vrijwel ieder oordeel erover onmiddellijk politiek wordt geïnterpreteerd. Juist daarom is het verstandig de casus niet als bewijsstuk voor links óf rechts te gebruiken. Er loopt bovendien nog een tuchtrechtelijk vooronderzoek. UGent heeft Cofnas voor drie maanden verplicht tot telewerk, hem van onderwijsopdrachten ontheven en bepaald dat zijn onderzoeksactiviteiten beperkt blijven tot het onderwerp waarvoor hij is aangesteld. De universiteit benadrukt tegelijkertijd het belang van academische vrijheid én haar verantwoordelijkheid om discriminatie en aantasting van rechten tegen te gaan.  

Dat is juridisch en bestuurlijk een ingewikkelde kwestie. Maar achter die affaire ligt een veel fundamentelere vraag:

Wat gebeurt er met een universiteit wanneer vrijwel iedereen binnen een discipline ongeveer vanuit hetzelfde politieke en morele wereldbeeld naar de werkelijkheid kijkt?

Die vraag verdient meer dan een krantenrel.

De universiteit is inderdaad relatief links

Laten we beginnen met iets wat in dit debat soms merkwaardig moeilijk wordt gevonden om gewoon vast te stellen: academici zijn gemiddeld politiek progressiever dan de bevolking. Dat is geen rechtse complottheorie. Herman van de Werfhorst, socioloog aan de Universiteit van Amsterdam, onderzocht de politieke oriëntatie van academici in 31 Europese landen. Zijn studie verscheen in The British Journal of Sociology onder de weinig verhullende titel Are universities left-wing bastions?

Het antwoord is genuanceerd, maar niet onduidelijk. Hoogleraren en andere docenten in het hoger onderwijs blijken gemiddeld liberaler en linkser te zijn dan vergelijkbare hoogopgeleide professionals. Vooral op culturele onderwerpen – waaronder immigratie – is het verschil zichtbaar. Tegelijkertijd concludeert Van de Werfhorst dat academici niet noodzakelijk politiek homogener zijn dan vergelijkbare beroepsgroepen.  

Dat laatste is belangrijk. “Universiteiten zijn links” betekent dus niet automatisch: “universiteiten bestaan uit één ideologisch blok.” Bovendien bestaan enorme verschillen tussen disciplines. Een economiefaculteit is geen genderstudiesafdeling, een technische universiteit geen sociologiefaculteit en een hoogleraar procestechnologie heeft vermoedelijk een andere politieke selectieomgeving dan een onderzoeker postkoloniale studies. Maar sommige vakgebieden zijn opvallend scheef verdeeld.

Een onderzoek van Uwe Peters, Nathan Honeycutt, Andreas De Block en Lee Jussim onder 794 filosofen vond bijvoorbeeld dat ongeveer 75 procent van de respondenten zichzelf links positioneerde, tegenover 14 procent rechts en 11 procent in het midden. Nog interessanter: onderzoekers rapporteerden niet alleen ideologische vijandigheid, maar een substantiële minderheid gaf aan bereid te zijn academici met tegengestelde politieke opvattingen te discrimineren. Daarmee verandert de discussie. Het probleem is niet dat professoren links stemmen. Het probleem ontstaat wanneer politieke homogeniteit invloed krijgt op het wetenschappelijke proces.

Wetenschap heeft geen politieke representativiteit nodig

Daarbij moeten we onmiddellijk een belangrijke denkfout vermijden. Een universiteit is geen parlement. Niemand heeft recht op 20 procent conservatieve hoogleraren omdat 20 procent van de bevolking conservatief zou stemmen. Net zomin bestaat er een verplicht quotum voor marxistische natuurkundigen, christelijke microbiologen of libertaire archeologen. Wetenschappelijke kwaliteit behoort leidend te zijn.

Sterker nog: politieke diversiteit kunstmatig organiseren kan zelf een aantasting van de academische vrijheid worden. Een regering die universiteiten verplicht “meer conservatieven” aan te stellen, maakt precies dezelfde fout als een universiteitsbestuur dat kandidaten selecteert omdat hun politieke wereldbeeld goed aansluit bij institutionele doelstellingen. In beide gevallen wordt politieke overtuiging een academisch selectiecriterium. De universiteit hoeft dus niet politiek representatief te zijn.

Maar dat ontslaat haar niet van een veel belangrijkere opdracht:

epistemologische diversiteit.

En daar begint het interessante gedeelte.

Wetenschap functioneert bij georganiseerde tegenspraak

Wetenschap is geen verzameling feiten. Het is een methode om systematisch vergissingen te ontdekken.

Karl Popper bouwde er een groot deel van zijn wetenschapsfilosofie op. Een wetenschappelijke hypothese moet niet alleen bevestiging zoeken; zij moet in beginsel weerlegd kunnen worden. Robert Merton beschreef wetenschap onder andere in termen van organized skepticism: georganiseerde twijfel.

Dat betekent dat een goede wetenschappelijke gemeenschap mechanismen nodig heeft die haar eigen overtuigingen aanvallen. Peer review is zo’n mechanisme. Replicatie eveneens. Open data. Concurrentie tussen onderzoeksgroepen. Methodologische kritiek. Maar ook: mensen die vanuit verschillende uitgangspunten naar hetzelfde probleem kijken.

Stel dat honderd intelligente onderzoekers een ingewikkeld maatschappelijk probleem onderzoeken, maar alle honderd ongeveer dezelfde politieke intuïties hebben.

Zij kunnen uitstekend onderzoek doen. Het probleem is subtieler. Misschien stellen zij allemaal dezelfde vragen. En misschien stellen zij bepaalde andere vragen juist niet. Dat is epistemologisch veel gevaarlijker dan het manipuleren van een antwoord.

Bias begint vaak vóór de statistiek

We denken bij wetenschappelijke vooringenomenheid vaak aan fraude: data verwijderen, analyses manipuleren of conclusies mooier formuleren. Maar veel belangrijker is wat eraan voorafgaat. Welke onderzoeksvraag wordt gesteld? Welke hypothese wordt plausibel gevonden? Welke variabelen worden gemeten? Welke causaliteit wordt onderzocht? Welke maatschappelijke kosten worden meegenomen? Welke literatuur wordt geciteerd?

En vooral: welke vraag wordt helemaal niet gesteld?

Daar kan ideologische homogeniteit ongemerkt grote invloed krijgen. Neem immigratie. Een onderzoeksgroep kan onderzoeken hoe discriminatie de arbeidsmarktpositie van migranten beïnvloedt. Dat is een volstrekt legitieme en relevante wetenschappelijke vraag. Een andere onderzoeker kan vragen welke effecten grootschalige immigratie heeft op sociale cohesie, woningmarkten of lonen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Ook dat is een legitieme wetenschappelijke vraag.

Wanneer de eerste onderzoeksvraag moreel respectabel wordt gevonden en de tweede al snel politiek verdacht, ontstaat een probleem dat met statistische integriteit niets te maken heeft. De datasets kunnen perfect zijn. De regressies kunnen foutloos zijn. De peer review kan uitstekend zijn. En toch kan het totale kennislandschap systematisch scheef groeien.

Het interessante punt van De Block

Dat is volgens mij het sterkste element in het betoog van Andreas De Block. Hij zegt niet simpelweg dat linkse wetenschappers slechte wetenschap bedrijven. Integendeel. Zijn punt is veel interessanter. Ideologische homogeniteit kan bepalen welke onderzoeksvragen überhaupt worden onderzocht.

In het interview geeft hij een hypothetisch voorbeeld. Stel dat vrijwel alle ecologen dezelfde politieke overtuigingen hebben over migratie. Dan hoeft niemand onderzoeksresultaten te vervalsen. Het kan simpelweg gebeuren dat bepaalde mogelijke gevolgen van immigratie voor natuur of ruimtegebruik minder vaak als onderzoeksvraag worden geformuleerd.

Dat mechanisme werkt overigens net zo goed andersom. Een economiefaculteit waarin vrijwel iedereen marktliberaal denkt, kan systematisch minder belangstelling hebben voor machtsconcentratie, arbeidsverhoudingen of negatieve externaliteiten. Een landbouwfaculteit die sterk verweven raakt met één industriële sector kan bepaalde technologische oplossingsrichtingen vanzelfsprekender vinden dan andere. Een klimaatinstituut waarin vrijwel iedereen dezelfde beleidsvoorkeur heeft, kan wetenschappelijk uitstekend klimaatonderzoek doen en tegelijkertijd te weinig aandacht besteden aan alternatieve beleidsinstrumenten. Hetzelfde geldt voor conservatieve onderzoeksinstituten.

Het gevaar zit niet noodzakelijk in verkeerde antwoorden, maar in een te smalle verzameling vragen.

Diversiteit blijkt ineens ingewikkelder

Hier ontstaat een opmerkelijke paradox. Universiteiten hebben de afgelopen decennia veel aandacht besteed aan diversiteit. Geslacht. Etniciteit. Sociaal-economische achtergrond. Nationaliteit. Seksuele oriëntatie. Inclusie. Daar zijn goede argumenten voor. Verschillende levenservaringen kunnen blinde vlekken zichtbaar maken en historische uitsluitingsmechanismen corrigeren.

Maar wanneer het argument vóór diversiteit luidt dat verschillende achtergronden verschillende perspectieven opleveren, ontstaat vanzelf een ongemakkelijke vervolgvraag. Waarom zou dat argument ophouden zodra het over ideeën gaat? Een onderzoeksgroep met twaalf nationaliteiten, een perfecte man-vrouwverdeling en medewerkers uit vijf continenten kan nog steeds intellectueel buitengewoon homogeen zijn. Iedereen kan dezelfde krant lezen. Dezelfde politieke partijen sympathiek vinden. Dezelfde maatschappelijke problemen belangrijk vinden. Dezelfde beleidsoplossingen vanzelfsprekend vinden.En dezelfde afwijkende mening absurd vinden.

Demografische diversiteit en intellectuele diversiteit zijn dus niet hetzelfde. Maar een universiteit die het eerste belangrijk vindt, kan het tweede moeilijk principieel irrelevant noemen.

De moeilijkste vorm van diversiteit

Intellectuele diversiteit is bovendien veel moeilijker dan demografische diversiteit. Want echte diversiteit betekent niet dat iemand aanwezig is die er anders uitziet. Het betekent dat iemand aan tafel zit die zegt:

Volgens mij hebben jullie ongelijk.

Dat is ongemakkelijk. De Block maakt in De Morgen een psychologisch interessant punt: progressieve academici kunnen ervan overtuigd zijn dat zij niet zozeer een politieke positie innemen, maar simpelweg de rationele of moreel juiste positie.

Daarin schuilt een universeel menselijk probleem. Niet specifiek een links probleem. Mensen verwarren hun morele overtuigingen gemakkelijk met objectieve waarheid. Maar wanneer één politieke familie binnen een institutie dominant wordt, kan dat effect zichzelf versterken. Wat binnen de groep als vanzelfsprekend geldt, wordt niet langer als politieke overtuiging herkend. Het wordt “redelijkheid”. Het alternatief wordt “ideologie”. Dat is een gevaarlijke asymmetrie.

De universiteit als morele onderneming

Hier raakt het debat aan een ontwikkeling die verder gaat dan links en rechts. Universiteiten zijn de afgelopen decennia steeds nadrukkelijker maatschappelijke organisaties geworden. Ze formuleren doelstellingen over duurzaamheid, diversiteit, inclusiviteit, klimaat, koloniale geschiedenis, sociale veiligheid en maatschappelijke impact.

Dat is begrijpelijk. Een universiteit staat niet buiten de samenleving.

Maar daarmee ontstaat institutionele spanning. Want wat gebeurt er wanneer de universiteit zelf een maatschappelijke positie inneemt over een onderwerp dat haar onderzoekers geacht worden kritisch te onderzoeken? Stel dat een universiteit institutioneel verklaart dat technologie X noodzakelijk is voor duurzaamheid. Hoe vrij voelt een onderzoeker zich vervolgens om te publiceren dat technologie X weinig effect heeft? Stel dat een universiteit zich committeert aan een bepaalde visie op diversiteit. Hoe gemakkelijk wordt het dan om wetenschappelijk te onderzoeken of onderdelen van dat diversiteitsbeleid effectief zijn?

De universiteit verandert dan ongemerkt van een plaats waar maatschappelijke overtuigingen onderzocht worden in een organisatie die maatschappelijke overtuigingen heeft. Dat verschil is fundamenteel.

Academische vrijheid betekent niet: alles mag

Hier moet ook de andere kant van het argument serieus worden genomen. Academische vrijheid is geen vrijbrief. Een bioloog kan niet zonder methodologische onderbouwing creationisme doceren als gelijkwaardig alternatief voor evolutiebiologie en zich vervolgens beroepen op “viewpoint diversity”. Een arts kan niet onbewezen therapieën voorschrijven omdat wetenschap open moet staan voor afwijkende ideeën.

Wetenschappelijke disciplines stellen kwaliteitscriteria. Bewijs. Methodologie. Logica. Reproduceerbaarheid. Brongebruik. En wetenschappers blijven bovendien onderworpen aan arbeidsrecht, antidiscriminatierecht en professionele gedragsnormen.

Dat is precies waarom de zaak-Cofnas zo lastig is. UGent stelt expliciet dat academische vrijheid belangrijk is, inclusief ruimte voor controversiële ideeën, maar dat die vrijheid niet onbeperkt is en samengaat met verantwoordelijkheid en rechten van anderen. Waar precies die grens ligt, kan niet verstandig worden vastgesteld door op sociale media stemmen te tellen. Daarvoor bestaan procedures. En daarom is terughoudendheid over de uiteindelijke beoordeling van Cofnas momenteel verstandig.

Maar “schadelijk” is een gevaarlijk wetenschappelijk criterium

Toch moeten universiteiten voorzichtig zijn met een steeds vaker gebruikt argument: dat ideeën beperkt mogen worden omdat mensen ze als schadelijk ervaren. Recent experimenteel onderzoek onder Duitse studenten laat zien waarom.

In drie experimenten onderzochten wetenschappers wanneer studenten bereid waren sprekers te weren, boeken te verwijderen of academische posities in te trekken. Het onderzoek was bewust opgezet als adversarial collaboration: onderzoekers met verschillende perspectieven ontwierpen gezamenlijk de studie. Studenten bleken professionele kwaliteit en mogelijke maatschappelijke schade mee te wegen.

Maar er bleek óók daadwerkelijke viewpoint discrimination: conservatieve uitspraken werden sneller beperkt dan progressieve uitspraken. Bovendien werden conservatieve standpunten vaker als schadelijk beoordeeld. Dat verschil kon niet volledig worden verklaard uit zorgen over sociale schade.  

Dat is belangrijk. Want zodra “dit idee veroorzaakt schade” voldoende reden wordt om een onderzoeksvraag uit te sluiten, ontstaat een circulair systeem. De dominante groep bepaalt wat schadelijk is. Afwijkende ideeën worden daardoor minder onderzocht. Er ontstaat minder wetenschappelijke kennis over die ideeën. En het ontbreken van geaccepteerde wetenschappelijke onderbouwing wordt vervolgens reden om ze nog minder serieus te nemen. Zo kan consensus ontstaan zonder dat sprake is van een complot.

Zelfcensuur is misschien het grotere gevaar

Nederland is bepaald geen academische dictatuur. Nederlandse universiteiten behoren internationaal nog altijd tot instellingen waarin wetenschappers grote vrijheid genieten. Maar ook hier bestaan signalen van spanning.

De KNAW waarschuwde in 2025 dat de academische vrijheid onder druk staat. Onderzoekers ervaren minder vrijheid bij de keuze van onderzoeksonderwerpen, internationale samenwerking wordt ingewikkelder en wetenschappers trekken zich soms vanwege intimidatie terug uit het publieke debat. De KNAW wijst daarbij nadrukkelijk niet alleen naar universiteiten zelf, maar ook naar overheid, financiers, geopolitieke spanningen en maatschappelijke bedreigingen.  

Dat is een nuttige correctie op het simpele verhaal van “links cancel culture”. Academische vrijheid kan namelijk van meerdere kanten worden bedreigd. Door activistische studenten. Door collega’s. Door universiteitsbesturen. Maar ook door bedrijven die onderzoek financieren. Door ministeries die alleen onderzoek naar gewenste beleidsrichtingen subsidiëren. Door politici die onwelgevallige onderzoeksprogramma’s willen schrappen. En door online intimidatie waardoor onderzoekers controversiële onderwerpen vermijden.

De Nederlandse wet schrijft academische vrijheid niet voor niets expliciet voor. Artikel 1.6 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bepaalt dat instellingen die vrijheid in acht moeten nemen.   De bedreiging komt dus niet uitsluitend van links. Het structurele probleem heet conformiteitsdruk.

Geld kan net zo goed ideologie produceren

Daarbij verdient nog een andere vorm van homogenisering aandacht. Onderzoek volgt geld. Wanneer miljarden beschikbaar zijn voor klimaattransitie, circulariteit, inclusiviteit, AI, stikstofreductie of gezondheid, ontstaan vanzelf onderzoeksgroepen rond die thema’s. Dat is op zichzelf logisch. Maar financiering bepaalt daarmee mede welke vragen academisch aantrekkelijk worden. Een onderzoeker die vraagt:

“Hoe versnellen we deze transitie?”

kan gemakkelijker binnen een beleidsprogramma passen dan iemand die vraagt:

“Is deze transitie in deze vorm eigenlijk wel verstandig?”

Dat onderscheid is cruciaal. De eerste vraag accepteert het beleidsdoel en onderzoekt de uitvoering. De tweede onderzoekt het beleidsdoel zelf. Voor een werkelijk vrije universiteit moeten beide vragen mogelijk zijn. Daar wijst ook de KNAW op: financiers stellen steeds vaker voorwaarden aan thema’s en gewenste maatschappelijke doelstellingen, waardoor onderzoekers minder ruimte kunnen ervaren om zelf onderzoeksvragen te bepalen.   Politieke homogeniteit is daarom slechts één onderdeel van een veel groter probleem: de instrumentalisering van wetenschap.

Links is bovendien geen wetenschappelijke categorie

Er zit nog een zwakte in de stelling dat universiteiten “te links” zijn. Wat betekent links? Een onderzoeker kan economisch links zijn maar cultureel conservatief. Een klimaatwetenschapper kan progressief stemmen maar kernenergie sterk ondersteunen. Een bioloog kan uitgesproken ecologisch zijn en tegelijkertijd sceptisch tegenover bepaalde vormen van dierenrechtenactivisme. Een econoom kan marktliberaal zijn en voor een hoge CO₂-heffing pleiten. De klassieke links-rechtsas is dus een primitief meetinstrument voor intellectuele diversiteit. Veel interessanter is de vraag:

hoeveel werkelijk verschillende verklaringsmodellen bestaan binnen een vakgebied?

Zijn er onderzoekers die dominante aannames ter discussie stellen? Worden resultaten die tegen beleidsverwachtingen ingaan gepubliceerd? Kunnen promovendi hun begeleider tegenspreken? Kan een onderzoeker een politiek impopulaire conclusie trekken zonder bang te zijn voor zijn volgende tijdelijke contract?

Dat zijn betere indicatoren van academische vrijheid dan het stemgedrag van hoogleraren.

De beste universiteit is geen politiek neutrale universiteit

Volledige neutraliteit bestaat bovendien niet. Iedere keuze impliceert waarden. Welke opleidingen bieden we aan? Welke onderzoeken financieren we? Welke maatschappelijke problemen vinden we belangrijk? Wie krijgt spreektijd? Zelfs de keuze om “neutraal” te blijven kan politieke consequenties hebben. Daarom lijkt mij een ander ideaal vruchtbaarder dan neutraliteit:

institutionele bescheidenheid.

Een universiteit zou voortdurend moeten beseffen dat ook haar eigen dominante overtuigingen voorlopig zijn. Dat consensus sterk bewijs kan vertegenwoordigen, maar geen heiligverklaring is. Dat minderheidsstandpunten vaak onjuist zijn, maar soms revolutionair blijken. Dat wetenschappelijke vooruitgang regelmatig ontstaat doordat iemand een vraag stelt die zijn collega’s irritant, naïef of zelfs absurd vinden. De geschiedenis van de wetenschap is tenslotte geen keurige opeenvolging van consensussen. Het is ook een geschiedenis van mensen die ze doorbraken.

Misschien moeten universiteiten daarom juist méér ongemak organiseren

Daarmee komen we bij een paradoxale conclusie. Universiteiten hoeven geen conservatievenquotum. Ze hoeven geen politieke commissarissen die controleren of iedere onderzoeksgroep voldoende rechts denkt. Dat zou de ziekte erger maken dan de kwaal.

Maar universiteiten zouden wel systematischer tegenspraak kunnen organiseren.

Niet op basis van partijpolitiek, maar wetenschappelijk. Bij grote onderzoeksprogramma’s kan expliciet worden gevraagd welke alternatieve hypothesen bestaan. Bij maatschappelijke dossiers kunnen onderzoekers met concurrerende verklaringen samenwerken.

Adversarial collaboration verdient veel meer aandacht: onderzoekers die fundamenteel van mening verschillen spreken vooraf af welke data of experimenten hun hypothesen kunnen onderscheiden. Onderzoeksvoorstellen zouden niet alleen kunnen worden beoordeeld op maatschappelijke impact, maar ook op de vraag of zij dominante aannames serieus testen. En promovendi zouden moeten leren dat het bekritiseren van een wetenschappelijke consensus geen heldendaad is, maar ook geen zonde. Het is gewoon wetenschap.

De diepere crisis is epistemologisch

Daarom vind ik uiteindelijk de vraag “zijn universiteiten te links?” net iets te eenvoudig.

Ja, universiteiten zijn gemiddeld links-progressiever dan vergelijkbare delen van de samenleving. Dat is empirisch redelijk goed onderbouwd.  

Maar daaruit volgt niet dat linkse wetenschappers slechtere wetenschap bedrijven. Evenmin volgt eruit dat universiteiten politiek “in balans” moeten worden gebracht. Het werkelijke risico ontstaat wanneer politieke homogeniteit overgaat in epistemologische homogeniteit. Wanneer iedereen dezelfde problemen ziet. Dezelfde verklaringen plausibel vindt. Dezelfde oplossingen moreel aantrekkelijk vindt. En vooral dezelfde vragen ongepast vindt. Dan kan een universiteit methodologisch uitstekende wetenschap produceren en toch systematisch een deel van de werkelijkheid missen.

Dat is de paradox.

De universiteit moet leren twijfelen aan zichzelf

Misschien is dat uiteindelijk wat academische vrijheid werkelijk betekent. Niet het recht om zonder consequenties alles te zeggen. Niet het recht om wetenschappelijke kwaliteitscriteria te negeren. En zeker niet het recht op een academische positie.

Academische vrijheid betekent dat een universiteit een institutionele omgeving creëert waarin een onderzoeker een ongemakkelijke vraag kan stellen zonder dat eerst wordt gevraagd of de mogelijke uitkomst politiek wenselijk is. Daarvoor is iets nodig wat in een gepolariseerde samenleving steeds zeldzamer wordt: intellectuele bescheidenheid.

De mogelijkheid dat de ander ongelijk heeft. Maar óók de mogelijkheid dat wijzelf ongelijk hebben. Kurt Deketelaere formuleert het in zijn reactie op het interview treffend: universiteiten moeten plaatsen blijven waar moeilijke vragen kunnen worden gesteld, gevestigde opvattingen ter discussie kunnen worden gesteld en meningsverschillen met argumenten worden beantwoord. Dat lijkt bijna vanzelfsprekend. Maar het is misschien wel de moeilijkste vorm van diversiteit. Niet tolereren dat iemand anders is. Maar tolereren dat een intelligente collega na bestudering van dezelfde werkelijkheid tot een conclusie komt die je zelf verwerpelijk, onwaarschijnlijk of absurd vindt — en vervolgens niet proberen hem het zwijgen op te leggen, maar vragen:

waarom denk je dat?

Daar begint wetenschap. En wanneer universiteiten dat vermogen verliezen, is het uiteindelijk niet relevant of zij links of rechts zijn. Dan zijn ze vooral onvoldoende universitair geworden.

Literatuur

Van de Werfhorst, H.G. (2020), Are universities left-wing bastions? The political orientation of professors, professionals, and managers in EuropeThe British Journal of Sociology 71, 47–73.  

Peters, U., Honeycutt, N., De Block, A. & Jussim, L. (2020), Ideological diversity, hostility, and discrimination in philosophyPhilosophical Psychology 33, 511–548.  

KNAW (2025), Academische vrijheid in Nederland: reactie op actuele bedreigingen.  

Whittington, K.E. (2021), The Value of Ideological Diversity among University FacultySocial Philosophy and Policy.    

Van Globalisering naar Regionale Zelfstandigheid: Europa’s Toekomst in een Veranderende Wereldorde (deel 1)

Hier deel twee van het tweeluik.

We leven in een tijdperk waarin de grenzen van globalisering zichtbaar worden. De decennialange aanname dat onbelemmerde internationale handel, outsourcing en verregaande interconnectiviteit universeel voordelig zijn, wordt steeds vaker in twijfel getrokken. De wereld hergroepeert zich. Waar globalisering ooit het leidende principe was, zien we nu een verschuiving naar economische zones die steeds autonomer opereren. Europa moet daarin een duidelijke positie innemen—en dat vereist moedige keuzes.

De Nieuwe Wereldorde: Van Mondiaal naar Regionaal

De toekomst zal niet gedomineerd worden door één wereldwijde markt, maar door enkele grote economische blokken: de Verenigde Staten, de Europese Unie, China en een samenwerkingsverband van opkomende markten zoals de BRICS. Deze zones zullen de wereldpolitiek en -economie bepalen, waarbij interne cohesie en onafhankelijkheid essentieel zijn. Europa moet leren van de fouten van de afgelopen decennia. Zonder een sterke eigen maakindustrie, een solide energie-infrastructuur en een innovatieve defensie-industrie, is de EU kwetsbaar in een wereld die steeds competitiever wordt.

De Maakindustrie als Fundament

Europa’s welvaart is gebouwd op industrie. Van de Duitse auto-industrie tot hoogwaardige technologie in Nederland: maakindustrie creëert niet alleen economische waarde, maar ook hoogwaardige werkgelegenheid. Wanneer we deze industrie verliezen aan gesubsidieerde concurrenten van buiten Europa, verliezen we niet alleen banen, maar ook onze technologische voorsprong en strategische autonomie. Dit is waarom slimme importheffingen nodig zijn. Niet om de vrije handel te saboteren, maar om eerlijke concurrentie te garanderen. Zonnepanelen en elektrische voertuigen uit zwaar gesubsidieerde landen zoals China mogen niet onze eigen bedrijven verdringen.

Grenzen voor Welvaart

Maar economische zelfredzaamheid gaat verder dan maakindustrie. Het beschermen van Europa’s grenzen is essentieel, zowel fysiek als economisch. Grote migratiestromen zonder effectief beleid zetten druk op de arbeidsmarkt, het sociale vangnet en de sociale cohesie. Een selectief, gereguleerd migratiebeleid dat rekening houdt met de arbeidsmarktbehoeften van Europa is cruciaal om werkgelegenheid en welvaart te beschermen.

Getemperd Nationalisme

Deze koers vraagt om een nieuwe manier van denken: getemperd nationalisme. Niet het exclusieve nationalisme dat grenzen sluit en zich afkeert van de wereld, maar een inclusieve benadering waarin Europese samenwerking prioriteit krijgt. Europa moet zichzelf zien als een nationale gemeenschap waarin het collectieve belang van de regio boven het onbegrensde individualisme wordt gesteld. Dat betekent opnieuw nadenken over langetermijnvisies: hoe houden we werkgelegenheid in stand? Hoe garanderen we een eerlijk speelveld? Hoe maken we Europa weerbaar tegen externe dreigingen?

De Weg Vooruit

Europa staat op een kruispunt. De Green Deal, digitale transitie en geopolitieke spanningen vragen om leiderschap dat verder kijkt dan de huidige politieke cyclus. We moeten een toekomstvisie ontwikkelen die werkgelegenheid, duurzaamheid en strategische autonomie verenigt. Dit vraagt om een fundamentele herwaardering van Europese samenwerking, waarbij protectionistische reflexen en kortetermijndenken plaatsmaken voor strategisch beleid dat een robuuste, welvarende en innovatieve Europese samenleving bouwt.

De uitdagingen zijn groot, maar het alternatief is een afkalvende welvaart en een verlies van autonomie. Het is tijd dat Europa handelt zoals het ooit deed: met visie, ambitie en een hernieuwd geloof in haar eigen kracht.

Innovatie-Management : Deel 1 – Kondratiev en Blue Oceans

Super-cycli van Kondratiev
Als we terugkijken naar de laatste 150 jaar zien we dat er verschillende economische periodes zijn geweest. Deze economische periodes vielen meestal samen met technologische doorbraken. Kondratiev (1925) heeft dit fenomeen beschreven, en vandaar dat we tegenwoordig ook spreken over de Kondratiev-cycles. Heel opvallend is, het gegeven dat de laatste cycli steeds korter worden. We zitten nu al een jaar of 25 in een cyclus waarin ICT (digitalisering, computers, internet, mobiele telefonie) de drijvende kracht was. Ik schrijf bewust ‘was’, alle signalen zijn er om te veronderstellen dat we in de transformatie periode zijn aanbeland naar een nieuwe kondratiev cycle. Ik zie overigens wel een relatie tussen ICT en de bankencrisis. Zonder ‘internet’ zouden we nooit zo snel geld getransporteerd kunnen hebben als nu.

Kondratiev laat zien dat ook nieuwe sectoren op termijn een gangbare sectoren worden. Een sector aan het einde van de kondratiev-cyclus zit wordt gekenmerkt door zware concurrentie, faillisementen en fusies. Uiteindelijk blijven er in zo’n sector maar enkele grote partijen over (eventueel omringt door enkele gespecialiseerde niche-players). Voorbeelden zijn de automobiel industrie en de chemie. Ook de ICT is inmiddels een ‘gewone sector’ is geworden.

De hamvraag is, wat de kenmerken zijn van de volgende kondratiev-cyclus (de 6e). Ik heb geen glazen bol, maar verwacht dat de kenmerken zullen zijn “duurzaamheid, het sluiten van grondstof-stromen, electricity based processing and transportation, vers-bewerkt, smarness-from-nature, life-sciences, en What-would-google-do, Samenwerkings netwerken (open innoavtie), mass-individualisation en distributed-processing.” **

Het begrip tijdschaal is in dit hoofdstuk ook op zijn plaats. Waar de grotere kondratiev-cycli typisch tientallen jaren groot zijn, zijn er ook kleinere cycli binnen sectoren. De mode heeft een typische cyclustijd van 4 tot 12 maanden, besturingssystemen ongeveer 7-8 jaar en auto’s typisch 4 jaar. Ook individuele producten hebben dus een levenscyclus. Dit wordt de product-life-cycle genoemd (PLC). Straks (Deel 2) meer hierover, nu eerst nog een stukje over de ‘markt’.

Blue Ocean strategy.
De essentie van een Blue ocean is dat elke opkomende markt per definitie eerst klein is (niche) en je ook gunstige marges kan maken (de zg. Blue Ocean). Blue Oceans worden vaak gecreerd doordat er een technologische doorbraak is (denk bijvoorbeeld aan de digitale fotografie). Daarna komen er meerdere aanbieders en wordt er geconcurreerd op prijs, gevolgd door bedrijfsconsolidaties (schaalvergroting). Bedrijven die in het laatste stadium van deze cyclus zitten, zitten in een zg “Red Ocean”.

Zit je in een Red Ocean kan je eigenlijk maar drie dingen doen : (a) operation excellence (=kostenreductie programma’s, SixSigma, ..), (b) schaalvergroting (=overnames) EN (3) neppen (lees met verschillende verpakkingsvarianten komen terwijl je intrinsieke productkwaliteit gelijk blijft). De meeste boeren zitten op dit moment in een Red Ocean. Sommige machinebouwers en softwarebedrijven dreigen ook in de Red Ocean te belanden. De retail zit al helemaal in een 53 miljard grote Red Ocean. Vechten en concurreren!

Wat dan doen om uit een Red Ocean te geraken of te voorkomen dat je er alsnog in komt: het meest beproefde recept heet Innovatie. Innoveren op intrinsieke productkwaliteit en zo zelf een nieuwe (niche) markt creëren (=Blue Ocean). En ja, innoveren dat kost geld! Innoveren is risicovol en vraag vooral veel van de competenties van de medewerkers en leiderschap van het management. Overigens heeft het geen zin om marketing bureau in te huren als je deze Blue Ocean wilt creëren. Markets that don’t exist can’t be analyzed

Zit je al in een Red Ocean dan kan je dus eigenlijk maar drie dingen doen (a) blijven zitten en blijven vechten voor een paar marginale centen, (b) de grootste worden, of (c) kapot gaan (stilstand is dan achteruitgang). Dit is een harde boodschap, maar er is geen alternatief.

Zelfs autofabrikanten en TV-makers zitten op dit moment in een Red Ocean (LCD was 7 jaar geleden een disruptieve innovatie; het oprekken van de beeldmaat en de prijsverlagingen nu een vorm van optimalisatie). Het is Darwin ten top, that’s life. Nu is er natuurlijk wel nog probleem dat we het woord ‘innovatie’ zelf ook hebben laten devalueren. We plakken het woord tegenwoord op elke kleine en marginale ontwikkeling of kopieeractie. Als morgen een paprikaverwerker een stoplichtje gaat maken, dan is hij gewoon hoger in de keten aan het komen (zie de opties van de boer) . Dit heeft niets met “innovatie” te maken. Dit noemen we gewoon ontwikkeling of kopieren. Albert Zwijgers heeft het niet voor niets over (1) optimaliseren, (2) restaureren, en (3) innoveren als de drie takken van sport (zie enkele voorbeelden). In deel twee gaan we daarom maar eens kijken naar de verschillende innovatiemogelijkheden in Food.

** sommige mensen zullen wellicht een parallel zien tussen de kondratiev cycle en de piramide van Maslow. Na onze transport en communicatie behoeftes vervult te hebben, hebben we nu als maatschappij meer dan ooit behoefte aan oprecht en authentiek communiceren en hebben we ook oog onze verre toekomst (duurzaam en MV ondernemen).

Nog een kleine aanvulling “randvoorwaarden voor innovatie”

Harold
Onlangs is hier –LinkedIn – Innovatie 2.0 CoT -een vraag gesteld “Innovatie, waarom ook alweer“. Daar kwamen veel reactie op. Op zoveel reacties hoop ik ook met deze vraag …. Vanuit de literatuur is bekend ( http://bit.ly/2Kbh3f ) dat er drie noodzakelijke (maar niet afdoende!) randvoorwaarden zijn voor het optreden van innovatie:

Starvation (Tekort) – Een tekort aan resources dwingt je om nieuwe ingangen te vinden. Om zaken op een andere manier te doen.
Pressure (Druk) – zorgt ervoor dat je je wel met het probleem moet gaan bezighouden.
Perspective Shift (verandering van perspectief) – maak het mogelijk om andere patronen en ideeen toe te laten.

Ik ben hier op zoek naar verhalen/ervaringen die gaan over innovatie en waarin de combinatie van deze drie randvoorwaarden een rol spelen. Lijkt mij erg leerzaam.

Dit was deel 1, klik hier voor deel 2 (er komen in totaliteit 9 delen)

Aanvulling 10 augustus 2010
Op linkedin #CoT neemt de discussie De tussenpersoon heeft geen functie meer en we gaan terug naar de ambachten een verrassende wending aan. Hans Konstapel reageert en vraagt mij om mijn mening rondom Kondratiev. Zelf blijkt Hans een alleraardigst document te hebben geschreven over ‘cycli’.