Mijn reactie op de foodlog lijn "Marges in de keten: misdaad zonder schuldige – en nu?"

Zonet heb ik een reactie geplaatst op foodlog:

Twee jaar geleden schreef ik mijn eerste stukje over de margemix en kruissubsidie. De margemix is iets tussen de dezelfde producten binnen de categorie. Kruissubsidie is tussen verschillende productgroepen. Het is een waanzinnig geraffineerd spel. In België mag je overigens geen producten onder de inkoopprijs verkopen en ook is koppelverkoop (denk aan GSM abonnement met telefoontje) verboden. Het is maar een denkrichting mbt ‘oplossingen’.

Verder sprak Dick over het kipje van C1000. Ik ben om twee reden tegen: (a) een halve-ster kipje zou niet beloond moeten worden, als maatschappij zouden we wat mij betreft 1-ster als MINIMUM dierwelzijnseis kunnen gaan hanteren. (b) de algemene duurzaamheids/milieu/dierwelzijnseisen vergroten leidt NIET tot betere marge’s van de boeren.

Dit laatste zal deze Muppet nog even uitleggen aan de hand van een verhaaltje

Stel dat een kippenboer nu 3000 euro netto verdient per gezin. Stel dat C1000 (of nog erger de PvdD) gaat opleggen dat de minimale eisen mbt dierwelzijn omhoog moeten. Stel dat de kippenboer nu ramen moet gaan inbouwen in zijn stallen voor bijvoorbeeld 20.000 euro (C1000 en Interchicken betalen dit echt niet voor hem!). Dan zal deze boer dit op zijn minst willen terugverdienen (kortom een ROI willen halen van bijvoorbeeld 2 jaar). De boer gaat naar de bank en vraagt zijn bank, kan ik 20.000 euro lenen. De bank zegt: “heb je gegarandeerde afzet en is de prijs per kipje hoger?”. Stel dat de C1000 inderdaad een garantie aan Interchicken zou willen geven (wat in de praktijk zelden gebeurt), hoe zit het dan met de prijs per kip? Interchicken kan -met dank aan onze overheid LNV/WUR/LEI- tot 2 cijfers achter de comma uitrekenen wat de meerkosten zijn. Interchicken is best bereid om die meerkosten te betalen lijkt me. Prima toch zou je denken? NEEEEN!

Ook mijn NEEEEN moet ik uitleggen. De boer neem met zijn lening een extra risico, hij zou voor dat genomen risico NAAST de extra kosten per kip die hij kan doorbelasten aan Interchiken OOK een premie (dat heet extra winst!) moeten kunnen krijgen zodat zijn inkomen bijvoorbeeld naar 3500 euro schiet. Dit laatste gebeurt in de praktijk NIET. Kortom de boer zit (a) met een hogere schuld, (b) houdt aan het einde van de maand als het meezit nog steeds 3000 euro netto over per gezin. Hogere generieke eisen lossen NIETS op voor de inkomenspositie van de boer.

De duurzaamheidsondergrens omhoog brengen, resulteert derhalve in IDENTIEK dezelfde situatie als 60 jaar collectief onderzoek en landbouwbeleid bij de WUR naar ‘kostprijsverbeteringen’ en ‘efficiency: EEN VERDERE VERBULKING. De inkomensposities van agro-ondernemers (toch het onderwerp van disndag) worden DUS NIET opgelost.

Innoveren heeft ook te maken met extra winst op genomen risico. In dit soort generieke constructies lukt dat NOOIT. Kortom, echt ondernemen is iets dat je in zelf doet of met een paar medeondernemers. Betekenis geven zoals Jan Peter ook dinsdag aangaf is dus de enige mogelijkheid. Ik noem dat “gericht innoveren”. Wat is het werkelijke vraagstuk : (i) Wie pakt de VASTE kosten VOORAF die gepaard gaan met het Innovatieproject, (ii) welk zakelijk model kan er bedacht worden WAARDOOR de verschillende ketenspelers deze vaste kosten vooraf ook vooraf DELEN. Lukt dat, dan kunnen we pas echt over duurzaamheid (inclusief DutchFairtrade) gaan nadenken.

De blueprint van ‘mijn oplossing’ stond al in mijn twitterbericht. (a) bulk krijgt langzamerhand hogere eisen van de maatschappij (import product ook!) (b) niches worden gestimuleerd te ontstaan door kleinschalige doe-experimenten waarbij ‘bijzonder’ en ‘betekenis’ uitgangspunten zijn, (c) het tussensegment van agri-ondernemers gaat kiezen tussen anoniem verder bulk of innoveren.

Ga zaaien en stopt de monocultuur. Maak nieuwe combinaties, heb lef en toon ondernemerszin“. Maar dat zei deze Muppet al in zijn slotwoord.

De grote oplossing van alles (en dat terwijl grand designs niet werken)

Deze week ging het over megastallen, over innovatiebeleid, over het agro industrieel complex. Een vorig week kwam er een consortium van vervoerbedrijven die wel een stukje van de NS wilen overnemen. In de zorg hebben we maatschappelijk discussies over ‘privaat’. Wat hebben deze onderwerpen gemeen? Het gaat over durven afbreken en opnieuwe opbouwen, en het gaat over de angst van vernieuwing (en soms gebrek aan vertrouwen in de toekomst) en het gaat om machtsconcentraties (oligopolies).

Grote ontwerpen en grote oplossingen voor sociale problemen werken niet meer. In 1953 konden we nog een delta-plan maken, maar onze maatschappij is te complex geworden (denk aan zorg, files, vergrijzing, bankencrisis, etc etc). Toch zijn er een paar generieke oplossingsrichtingen voor maatschappelijke uitdagingen die mijn inziens vrijwel altijd werken.

Hier zijn ze:
1. Onze maatschappij is erg complex. Juist daarom is stevig ingrijpen onverstandig. De safe fail aanpak -waarbij je kleine DOE experimenten in de praktijk uitvoert- is daarom de aanbevolen weg. Overheden bepalen alleen de maatschappelijke spelregels en de politiek geeft de maatschappelijke wilskeuzes aan. Ondernemers moeten het echter zelf doen.

2. Accepteer dat in een volwassen markt (red ocean) er door schaalvergroting en fusies uiteindelijk maar een paar spelers overblijven. Er zijn derhalve maar drie vragen -neen eigenlijk zijn het wilskeuzes- die we moeten beantwoorden:
– Wanneer vinden we dat een ‘markt’ te klein is geworden. Hoeveel spelers moeten er minimaal overblijven zodat de balance of powers voldoende aanwezig is, en dat er geen kartelvorming ontstaat.
– Wanneer is een organisatie of bedrijf in een volwassen markt ‘te groot’. Dit punt heeft uiteraard met ook mededingsrecht te maken.
– In geval van een mondiale markt: welke bedrijven / sectoren zijn van landsbelang om hoe dan ook te behouden in Nederland. En zo ja, wat doen we dan om deze sectoren te behouden.
Voorbeelden: de retailmarkt heeft nog maar vier inkooporganisaties en AH is (lokaal) een monopolist. Dit is een onwenselijke situatie.

3. Volwassen markten zijn volwassen omdat ze volwassen zijn, en we zouden aan volwassen bedrijven geen ‘zakgeld’ moeten geven. Volwassen bedrijven en sectoren kunnen voor zichzelf zorgen is mijn stelling. En we mogen ons ook nooit meer door volwassen bedrijven of sectoren laten ‘gijzelen’ als maatschappij (en dit laatste is gebeurd tijdens de bankencrisis in 2008-2009 en bijvoorbeeld in USA met de automobielfabrikanten). Voorbeeld: de ING bank is eigenlijk te groot voor onze maatschappij. Wij kunnen de risico’s niet afdekken bij problemen.

4. De maatschappij zou heldere en eventueel striktere spelregels mogen stellen aan de spelers in een een volwassenmarkt. Deze spelregels moeten gaan over ‘milieu’, ‘sociale facetten’ of bijvoorbeeld over diervriendelijkheid. Kortom naast puur financiele factoren, ook ‘zachte’ en ‘kwaliteits’ eisen opleggen binnen een volwassen markt. Richting spelers in een volwassenmarkt mogen we zelfs wat strenger zijn dan richting een niet volwassen markt. Voorbeeld: grotere varkensstallen mogen, mits minimaal aan 1ster wordt voldaan.

5. Volwassen markten hebben altijd de neiging op te gaan ‘verbulken’, en dit te verbloemen met ‘marketing’. Vernieuwing onstaat echter vrijwel altijd vanuit de onderkant, aangezien de noodzaak tot verandering (stress) daar meestal het grootste is. Daarom moeten we als maatschappij deze vernieuwing blijven stimuleren. Voorbeeld: de varkenssector, de dominantie van Microsoft op computers (en Apple op smartphones).

6. De maatschappij -lees de overheid- heeft de plicht om samen met ondernemers diversiteit te zaaien. Diversiteit zorgt immers voor (a) meer competitie, (b) noodzakelijke vernieuwing / innovatie, (c) voor een stabielere maatschappij. Deze drie facetten zijn van cruciaal belang om ook op termijn een prettig en welvarend land te behouden. Kennisinstellingen en universiteiten zorgen voor een goede opleiding van jong talent (niet meer en niet minder). Voorbeeld: 10 jaar geleden was Apple op sterven na dood. Nu is de beurskoers groter dan die van Microsoft. TomTom is pas tien jaar oud.

7. Een jonge of opkomende sector (die nog bezig is een blue-ocean te creeeren) mag tijdelijk geholpen worden door de maatschappij. Helpen kan met subsidie of kredieten, maar je kan een jonge sector ook in-kind helpen of tijdelijk de spelregels versoepelen. Hulp kan echter nooit structureel zijn. Hulp geef je alleen bij de opstart. Doelstelling zou moeten zijn om zo snel mogelijk volwassen te worden. Voorbeeld: de markt voor vleesvervangers en substituten, er zijn in Nederland ongeveer twintig producenten en de omzet is minder dan honderd miljoen.

8. Diversiteit creeer je door veel nieuwe kleine innitiatieven te (laten) starten. Nieuwe initiatieven kun je het beste ‘buiten’ bestaande organisaties of instituties neerzetten. Het realiseren van een innovatie is overigens iets dat je met professionals doet. Het starten van nieuwe initiatieven mag niet als resultaat hebben dan een ‘ander’ nieuw initiatief valselijk wordt beconcureerd.

9. Als overheid kan je diversiteit zaaien door met open innovatieprogramma’s te gaan werken. Binnen zo’n programma mogen hoofdthema’s worden vastgelegd, maar nooit mag de exacte definitie van het project worden vastgelegd. De beoordelingscommissie moet oordelen op basis van (a) innovativiteit en diversiteit, (b) samenwerkingsverband (is er synergie), (c) verduurzaming en gezondheid en sociale verbetering, (d) de business case (zit er groeipotentie in het project), en eigenlijk ook (e) op ervaring en motivatie van het team.

10. Om succesvol te kunnen zaaien, is naast een goed idee, vooral (intrensieke) motivatie, creativiteit en leiderschap nodig. Zonder doorzettingsvermogen wordt een ideetje nooit realiteit. Zonder realiteit geen omzet en mensen werkzaam in de nieuwe sector. Innoveren is kortom DOEN in de praktijk. En het DOEN is iets voor ondernemers.

Gebruik deze denkrichting als blueprint voor alle maatschappelijke uitdagingen en we zullen samen onze maatschappij verduurzamen en op termijn een nog mooier en prettigere maatschappij hebben. Fijne zondag!

PS nu maar hopen dat politici en beleidsambtenaren meelezen.

Het agro-food (industrieel) complex is een complex adaptief systeem

Ik heb zonet telefonisch Dick beloofd niet gelijk de toon te gaan zetten door een eerste reactie te plaatsen in de lijn Het agro-industrieel complex. Daarom maar een eerste reactie hier. 🙂

Na de tweede wereld oorlog heeft de inzet van kennis –ingezet specifiek voor schaalvergroting en kostenvergroting– voor een enorme efficiency slag gezorgd in de agrofoodsector. Een belangrijke rol speelde daarbij de DLO instituten (nu Wageningen UR). Nu werkt dit systeem al 10 a 15 jaar niet meer. Alles is heel effectief en goedkoop, maar tevens ook verbulkt (zelfs het onderzoek). Kortom het o-o-o beleid is uitgewerkt, en doorgaan op deze weg is onverstandig. Wat wel? FND+ !

Daarnaast heeft Dick gelijk als hij aangeeft hoe complex het agrofood systeem is. Natuurlijk zijn wel wat op en aanmerkingen te maken. Een voorbeeldje. Slachterij VION kan altijd nog varkens uit Duitsland gaan halen, en de Duitsers zullen echt niet honderden miljoenen gaan investeren in nieuwe grote slachterijen waarbij ook meer bulk gemaakt zou kunnen worden (lees meer over distributed processing). Kortom geen varkenshouders in Nederland, betekent niet gelijk ook problemen bij VION.

Een tweede voorbeeld. Bij de RTV Noord uitzending begint Bleeker gelijk over de ‘consumentenprijs’ , natuurlijk gaat het daar niet over. Het gaat wel over margemix en kruissubsidie. Het gaat ook over vierkansverwaarding en eerlijke ketenverdelingen (p19 ev). Het gaat ook over de wilskeuze of we wel of geen agro-ondernemers in Nederland willen behouden op termijn. Slechte argumenten dus van Bleeker.

Wat de oplossingen zijn (zie ook toekomst landbouw)?
– Gezamenlijk bepalen wat een maximum grens is. Zelf ben ik een voorstander van een grens bij familiebedrijven. Zelf weet ik niet wat een mega-stal is, maar weet wel wanneer een familiebedrijf een familiebedrijf. Maar besef wel dat op termijn alle bedrijven naar deze grens zullen gaan toegroeien. Het aantal varkensboeren zal blijven afnemen.
– Voorkomen dat het agrofood systeem niet implodeert, zoals ook bij de bankensector in 2008 is gebeurd. De agro-food sector zit complex in elkaar, waarbij naast de agro-ondernemers ook voedselverwerkers, retailers, creatieve sector en transportsector een rol speelt.
– Innoveer ‘naast’ de bulksector. De adviezen staan hier en hier (en de NL kennisinstituten hebben daarbij maar een heel beperkte rol). Het zijn de zelfstandig ondernemers die het moeten gaan doen. Op naar NLI30 dus. Meer tips staan hier.
– duurzamere ketenintegraties zoals agrobusinessparken, zouden verder geimplementeerd moeten gaan worden. Lees ook eens wat ik daarover schreef in 2010.

PS

1. De zuivel zit met FrieslandCampina in hetzelfde schuitje. De tuinders gek genoeg niet. Handelshuizen zoals Greenery zijn immers relatief goedkoop zelf op te zetten. Daarnaast zijn de gesneden groente bedrijven al volledig in private handen. En te groot om die nog in te halen.

2. Ik heb het vaker gezegd. De boeren, melkveehouders en veehouders zouden een beter rendement moeten verwachten op divident op hun aandelen van FrieslandCampina en VION en Greenery (die op instorten staat). Divident ter compensatie van de lage grondstofprijzen. Enfin, dit is ook niet iets wat gebeurd.

Proefballon van Henny van der Pluijm: 10 puntenplan voor innovatief Nederland (en nog 3 punten van mezelf)

Henny van der Pluijm is gespecialiseerd in Venture Capital heeft een proefballon opgelaten. Zelf moet ik nog nadenken over alle punten, voorlopig hou ik me daarom bij mijn Nederland Innovatieland 3.0 visie (#NLI30)

1. Alle ambtenaren die zich met ondernemers bezighouden, worden ZZP’ers.
– Ambtenaren die daar niet toe bereid zijn en zich toch met het ondernemersklimaat bezighouden, zijn niet geloofwaardig

2. Overheid stopt alle vormen van subsidies, achtergestelde leningen, incubator-faciliteiten, innovatiefondsen en andere vormen van directe en indirecte “steun” aan kapitaalzoekende bedrijven en aan partijen die zogenaamd “risicokapitaal” willen verschaffen. Zowel op individueel niveau als bij wijze van collectief. Zowel op landelijk als op regionaal en plaatselijk niveau.
– Gesubsidieerd risicokapitaal is een tegenstrijdigheid in zichzelf en verstoort de onderhandse kapitaalmarkt, die vele malen groter is dan de overheid zich realiseert.

3. Innovatiebeleid gericht op startende ondernemers wordt bij wet verboden
– Ambtenaren hebben geen enkel benul wat startende ondernemers zijn en zullen dat ook nooit krijgen. Starters hebben niet de ervaring om beleid te herkennen waardoor ze van de wal in de sloot terecht komen.

4. Coaching van startende ondernemers wordt bij wet verboden voor iedereen die niet zelf minstens 6 jaar ondernemer is
– Geen badmeesters zonder zwemdiploma meer

5. Iedereen die ondernemers een warm hart toedraagt vertelt iedere aspirant-ondernemer dat hij eerst een jaar in de verkoop gaat bij een bestaand bedrijf, voordat hij ondernemer wordt
– Dit land heeft geen behoefte aan armoedzaaiers met een gouden idee

6. Iedereen die ondernemers een warm hart toedraagt vertelt iedere starter die risicokapitaal zoekt, dat hij zich eerst moet verdiepen in die wereld.
– Financiers hebben geen behoefte aan ondernemers die niet bereid zijn hun kant van de zaak te zien.

7. Er komt een openbaar register voor het vastleggen van alle details rond transacties met risicokapitaal. Rechtspersonen, natuurlijke personen, rolverdelingen, aandelenpercentages, bedragen, datums, etc.
– Dit genereert een leercurve die uniek in de wereld zou zijn en in samenhang met de andere 9 maatregelen, het Nederlandse innovatievermogen naar de top van de wereld brengt.

8. De flex-BV wordt op korte termijn ingevoerd. Naast de voorgestelde maatregelen, wordt het gebruikelijk loon afgeschaft. Het verplichte startkapitaal wordt verlaagd van 18.000 naar 9.000 euro.
– Spreekt voor zich. De Eerste Kamer traineert de boel omdat met de flex-BV ondernemers minder makkelijk onder controle zijn te houden

9. Een nieuwe rechtspersoon wordt ingevoerd naar het model van de Amerikaanse C Corporation. Dit staat een “one tier board” toe. Commissarissen bestaan in deze rechtsvorm niet, iedere bestuurder is verantwoordelijk.
– Ook dit versterkt de leercurve die noodzakelijk is om de top te bereiken. Bovendien wordt hiermee een belangrijke hobbel weggenomen voor de instroom van Amerikaans kapitaal in Nederlandse ventures.

10. Startende ondernemingen krijgen structureel lagere administratieve verplichtingen, waaronder 5 jaar vrijstelling van de verplichting tot BTW-administratie, opschorting van het urencriterium voor de ondernemersaftrek (EMZ) en 5 jaar ontheffing van toetsing door het UWV. Zie ook punt 8, afschaffing gebruikelijk loon.
– Starters hebben het al moeilijk genoeg de eerste jaren door te komen.

Zelf heb ik (=Wouter) nog drie punten aangevuld die niet mogen ontbreken in deze lijst:

11. De basisfinanciering van DLO en TNO (en andere GTI’s) wordt per direct stopgezet.
– Deze semi-overheidsclubs krijgen honderden miljoen die ze verdubbelen met subsidiegeld. Duur, weinig klantgericht en al helemaal niet innovatief. Verder blokkeren deze organisaties groei van high-tech startups, en zijn ze teveel in competitie met private innovationservice provider.

12. Universiteiten krijgen een verbod op contract onderzoek voor derden.
– Kennis van de door de maatschapij betaalde organisaties is gratis beschikbaar voor de maatschappij. Octrooien dienen openbaar geveild te worden. Focus moet verder liggen op fundamenteel onderzoek en opleiding en niet als ‘commerciele dienstverlener’.

(13. Onderscheidt tussen drie soorten ZZP’ers.
– (1) De uitvinder/innovator ZZP’er die zelf de ambitie heeft om ‘iets’ op de markt te zetten maar niet goed weet hoe of waar. En (2) de ZZP’er -vaak een vakprofessional- die beschikbaar is om op uurtje factuurtje basis ingehuurd te worden. Er is een (3) derde hybride vorm aan het onstaan. Dat is de ZZP die zich alleen in laat huren door bedrijven/organisaties waar hij dingen kan doen en leren die hem/haar interesseren en waar hij/zij later zelf verder mee.)

Innovatieprojecten mislukken als je geen professionals inhuurt.

Eerdaags ben ik uitgetikt als het gaat om de theorie van innovatie. Waarschijnlijk ga ik dan alleen nog maar praktijk voorbeelden geven. Maar toch, ik moet nog zeker acht stukjes schrijven zoals jullie hier kunnen zien.

Mijn aandacht gaat deze maanden uit naar (1) het juist en kwalitatief blijven uitvoeren van onze projecten, (2) onze organisatie klaar maken voor onze groeifase, en (3) aandacht blijven geven aan de onzalige plannen van ons nieuwe kabinet. En passant, ook nog voor voldoende inkomsten zorgen voor TOP.

Vandaag heb ik de behoefte om te praten over de vraag waarom ik zo vaak tegenkom dat er in innovatieprojecten risico op risico wordt gestapeld (straks meer hierover). Vooral doordat een andere specialisme ‘even’ erbij wordt gedaan.

Een paar praktijk-voorbeelden:
– Toekomstig insectenproducenten of voedselproducenten die ‘even’ ook voedselverwerker willen worden, en denken dat ‘ze’ dat ook wel kunnen.
– Producenten en verkopers van ingrediënten of machinebouwers die ook ‘even’ food-design activiteiten denken aan te bieden. ‘we gaan wel even testen’. (lees crossing the chasm)
– Laboratoria die prima en goedkoop een ‘totaal kiemgetal’ kunnen bepalen, maar tevens ook ‘even’ de consultant uithangen rondom houdbaarheidsverbeteringen. (lees vers en microbiologie)
– Onderzoekers in opleiding die ‘even’ een technologie denken op te kunnen schalen, en zelfs (proberen) na te denken over machine-ontwerp. (lees rol van een universiteit)
– Marketeers die naast de positionering en de verpakkingsgrafiek ook ‘even’ denken de recepturen van een product te kunnen maken (of zelfs weten hoe het gemaakt moet worden). (lees een goed product heeft geen marketing nodig)
– Horeca-koks die denken ook ‘even’ de levensmiddeltechnoloog te kunnen zijn (en andersom) en daarom ook producten voor de retail kan verzinnen. (lees bottlenecks in food)
– Pas afgestudeerde onderzoekers die ‘even’ projectleider denken te worden van een groot multi-partijen (EU) project. (lees stimuleer diversiteit)

Wat deze voorbeelden allemaal gemeen hebben: Professionals die denken dat een andermans vak gemakkelijk is, en op de vrijdagmiddag via internet bijgeleerd kan worden. Mijn stelling is simpel “als een gemiddeld specialist er 4 a 5 jaar over doet om een HBO of universitaire opleiding te volgen en daarna gemiddeld 5-7 jaar over doet om een professional te worden, waar haalt de andere specialist de moed dan vandaan om te denken een andermans vak ‘even’ te kunnen doen”.

Is deze manier van denken en handelen nu arrogantie of is dat onbewust-onbekwaamheid? Een professional heeft DOE ervaring in zijn VAK en kan dat laten zien via praktijk (en dus niet theorie) voorbeelden. VRAAG daarom bij een professional naar zijn portfolio. Vakprofessionals hebben de toekomst en ik mag daarom graag spreken over ‘de nieuwe ambacht 2.0”; meer hierover op een ander moment.

Nog een kleine aanvulling op kantoor spreken we graag over hygiene factoren. Dat zijn eigenschappen en vaardigheden van mensen waar we het niet meer over hebben. Die MOETEN gewoon op orde zijn. Voorbeelden zijn: (1) kunnen communiceren, (2) projectmatig kunnen werken (verschil tussen proces en inhoud), (3) excel, word, powerpoint kunnen gebruiken, (4) een verslag kunnen schrijven, (5) vriendelijk en slim zijn, (6) klantgericht (ook interne klant!), (7) snel nieuwe informatie tot je kunnen nemen, etc. Netzoals dat voedsel veilig moet zijn (daar zal nooit discussie over zijn), gelden deze hygiene factoren ook voor werknemers/collega’s. Daarboven bekijk ik graag wat de USP’s van een werknemer/collega zijn. Wat zou hem of haar een nieuwe ambacht 2.0 kunnen maken?

Lees deel twee: waarom innovatieprojecten mislukken.

Een simpel en kort bericht: FND+ is het verstandigste

Wij in food willen FND+.

Open innovatieprogramma’s moeten blijven, de keten van primaire sector tot voedselverwerking en retail is een heel belangrijke sector. Stop daarom niet de innovatieprogramma’s, en durf eventueel te bezuinigen op de basisfinanciering van de klassieke GTI’s.

Slim bezuinigen (want iedereen snapt dat het nodig is) en durven kiezen voor een innovatieve ondernemende toekomst van Nederland en betekent nu kiezen voor FND+.

Diversiteit en samenwerkingen tussen bedrijven stimuleren, stimuleert de innovatie en dus de economie (meer mensen aan het werk en duurzame economische ontwikkeling), daarmee creëren we Nederland Innovatieland 3.0 (#NLI30).

Innovatiesysteem in NL : korte uitleg m.b.t. huidig R&D&I systeem.

Het huidige innovatiesysteem in Nederland is vrij complex (en ik denk zelfs te complex). Financieel gaan er meerdere miljarden in om (buiten het onderwijs gedeelte). Mijn mening rondom Nederland Innovatieland 3.0 staat hier. Zelf ben ik ook van mening dat we scherper onderscheid zouden moeten maken tussen Research (onderzoek), Development (ontwikkeling) en Innovation (innovatie, impact in de markt) (link2). Vandaar dat ik graag spreek over R&D&I.

Er zijn ruwweg drie ‘kolommen’ te onderscheiden:
1. het wetenschappelijk domein van universiteiten en HBO’s. Financiering verloopt via het ministerie van onderwijs (eerste geldstroom), via de tweede geldstroom (NWO, STW, …) en via een private derde geldstroom. Beoogde doelstelling: Fundamenteel onderzoek en opleiding van excellente denkers.
2. het publiek-private gedeelte met de topinstituten zoals TIFN en DSTI. Financiering verloopt voor ongeveer 25% via de zeer grote bedrijven die gemiddeld 300.000 tot 1.000.000 euro per jaar inleggen. Via een multiplier factor (betaald door EL&I) worden deze middelen uitgezet bij de klassieke kennisinfrastructuur. In de praktijk hebben MKB bedrijven niets te zoeken bij de topinstituten. Ik tel de basisfinanciering van DLO (160 miljoen) en TNO (200 miljoen) overigens ook mee in deze tweede kolom. Beoogde doelstelling: fundamenteel en toegepast onderzoek (maar geen productontwikkeling!) in samenwerking met de industrie.
3. De open en generieke innovatieinstrumenten zoals WBSO (=belastingaftrek) en projectsubsidies (b.v. FND). Deze middelen zijn voor grote en voor kleine bedrijven beschikbaar. En ook de kennisinfrastructuur (TNO, DLO en de universiteiten) worden hieruit betaald. Beoogde doelstelling: vernieuwing in de praktijk gebracht, kortom meer omzet en winst op basis van nieuwe producten.

Een langer stuk is in de maak (maar daar heb ik nu nog geen tijd voor). Eerste adviezen aan de agrofood commissie staan hier. Hieronder alvast een (eerste) powerpoint ter verduidelijking van de drie ‘kolommen’:

Aanvulling 7 februari 2011
Vanochtend kreeg ik onderstaande lange reactie van Caspar (dank!). Mijn reactie staat onder ‘reacties’ hieronder.

Wouter, waar je analyse fout gaat is in de voorveronderstelling van het doel van de verschillende organisaties.

Allereerst is de kennisketen (van fundamenteel onderzoek tot eindgebruiker) veel complexer dan de drie kolommen die jij definieert.
Ten tweede gaat het bij een keten altijd om schakels die in elkaar haken, niet over separate eilandenrijkjes.

1) Het wetenschappelijk domein. Dit bestaat inderdaad uit universiteiten en HBOs. Zij hebben een wettelijke onderwijstaak. Zoals bij elke onderwijstaak is een kwaliteitsvoorwaarde dat de studenten met hun opgedane kennis straks klaar zijn voor een rol in de maatschappij. Dit wordt bereikt door een combinatie van achtergrondkennis en practische kunde. De doelstelling “Excellente denkers” vindt je hooguit terug in de wervingsfolders van de universiteiten.

Verder hebben universiteiten de taak om onderzoek uit te voeren om de algemene stand van de wetenschap verder te brengen.
Zij zijn volledig vrij in wat voor onderzoek dat is (academische vrijheid). Dat zij zich beperken tot fundamenteel onderzoek is persoonlijke wens van jouzelf. Wetenschappelijke excellentie vindt je zowel in het domein van fundamenteel onderzoek als in toegepast onderzoek.

De geldstromen reguleren de aard van het onderzoek:
– De eerste geldstroom is bedoeld voor volledige academische vrijheid. Onderzoekers kunnen er elke soort onderzoek mee doen wat zij willen.
– De tweede geldstroom is bedoeld voor onderzoek met een duidelijk maatschappelijk nut. De overheid stelt eisen aan de kwaliteit en doelstellingen van dit onderzoek.
– De derde geldstroom is bedoeld voor onderzoek ten bate van een private partij. Dat kunnen bedrijven zijn maar vaak ook maatschappelijke organisaties (bijv. de Hartstichting).

Er bestaat geen publiek-privaat domein. Publiek-privaat heeft enkel te maken met opdracht en financiering.
Wel bestaat er een domein voor toegepast onderzoek. In dit domein zijn er, naast de klassieke universiteiten, nog een aantal andere organisaties met een specifieke opdracht voor toegepast onderzoek:
CROs, TTIs en private onderzoeksorganisaties.

– CROs (bijv. TNO en DLO), CROs hebben een wettelijke taak voor praktijkgerichte kennisopbouw (bijv. TNO kennisopbouw voor bedrijfsleven en defensie, DLO voedselveiligheid en landbouwkundig onderzoek). Deze wettelijke taak waarborgt dat er in Nederland een kennisbasis is waarop verdere ontwikkeling en innovatie verder kunnen bouwen. Voor deze taak worden de CROs gefinancierd door de overheid.
Daarnaast doen CROs ook veel toegepast onderzoek, dit zijn doorgaans samenwerkingsverbanden van bedrijven of maatschappelijke organisatie en een CRO. Het gaat hier om precompetatief onderzoek wat ten bate komt van de maatschappij of een branche. Dit onderzoek kan deels gefinancierd worden uit subsidiefondsen.
Tenslotte hebben veel CROs ook de opdracht (vanuit de overheid) om hun kennis beschikbaar te maken voor private partijen. Een bedrijf kan daarom bij een CRO aankloppen met een specefieke onderzoeksopdracht. Dit bedrijf moet dit soort onderzoek uiteraard zelf finacieren.

– Technologisch Top Instituten (TTI). Dit zijn samenwerkingsverbanden van een aantal bedrijven, universiteiten en en CROs. Hun opdracht is om kennis ten bate van de concurrentiekracht van Nederland te ontwikkelingen.
De TTIs worden gefinancierd als publiek-private samenwerkingen, deels uit directe overheidsfinanciering, deels vanuit de deelnemende kennininstellingen (1e en 2e geldstroom) en deels uit de deelnemende bedrijven.
De overheid stelt als voorwaarde dat de ontwikkelde kennis óók beschikbaar wordt voor bedrijven die niet direct deelnemen aan het TTI. Daarnaast kunnen de TTIs aanvullende financieren proberen te krijgen vanuit subsidies (bijvoorbeeld Europese onderzoekssubsidies). Dit zijn altijd precompetatieve subsidies.

– Te derde zijn er in het domein van toegepaste kennisontwikkeling ook nog een heel Scala aan private organisaties. Dit zijn onderzoeksinstellingen die behoren tot één bedrijf (bijv. Danone Research) of eigendom zijn van een aantal bedrijven die samenwerken (bijv. Keygene) of bedrijven die B-t-B onderzoeksopdrachten uitvoeren (bijv. NIZO.). Dit soort bedrijven worden doorgaans privaat gefinancierd. Net als CROs en TTIs kunnen ook deze bedrijven ook gebruik maken van subsidies voor precompetatief onderzoek.

In de laatste schakels van de kennisketen zijn vooral bedrijven en maatschappelijke organisaties zélf aan zet. De overheid ondersteund ze in de uitvoering van innovatie, bijv. door belastingaftrek, bankgaranties, IPR-bescherming, kennistransfer, etc.
Samenwerking met andere bedrijven, universiteiten en andersoortige kennisinstellingen wordt vanuit de overheid aangemoedigd.
In de enige kennisinfrastructuur die de overheid financieel ondersteund in deze schakel van de keten zijn services voor kennistransfer.

Tenslotte: in jouw analyse ga je er vanuit dat het de MKBs zijn die het DOEN. Ik ben het daar hartgrondig mee oneens.
Het hele ecosysteem van R&D&I moet functioneren om de Nederlandse kenniseconomie vooruit te brengen. Het MKB is hierin net zo belangrijk als de CROs, TTIs, universiteiten, multinationals, etc.
Wel is het zo dat MKBs vaak minder kennis en kapitaal hebben om in R&D&I te investeren. Om deze reden dwingt de overheid af dat alle andere spelers bijzondere aandacht besteden aan het MKB. En zijn er er voor innovatieve MKBs specifiek additionele overheidsmiddelen vrijgemaakt.

Enkele tips voor de commissie agrofood van EL&I

Agrofood is door de overheid aangemerkt als een van de topgebieden. Mooi dat is heel erg goed en volkomen terecht. De ambitie is om het met minder regels te doen en met meer nadruk op durfkapitaal en minder subsidie.

In de komende maanden gaat een commissie bestaande uit een vertegenwoordigers vanuit Onderzoek – Overheid – Ondernemers (de 3 O’s), bekijken hoe de drie K’s (Kennis – Kunde – Kassa) in dit domein ingeregeld kunnen worden. Al mijn algemene innovatietips en suggesties om van Nederland een innoverender land te maken heb ik hier al neergezet (#NLI30).

Een korte samenvatting en tevens mijn adviezen aan deze commissie zijn:
1- Innovatie is vernieuwing in de praktijk DOEN. Kennis is ondersteunend, ondernemers zijn de DOENERS. Voorbeelden van high-tech ondernemers zijn Rob Baan en Ojah.
2- Ga niet voor ‘grand designs’. Laat duizend bloemen bloeien. Diversiteit, vernieuwend en economische gezond zijn de trefwoorden voor nieuw beleid. Veilig falen ook.
3- sluit aan bij wat al goed loopt: Het Food & Nutrition Delta programma (FND). Mijn advies is om dit programma uit te breiden met de primaire sector. Ik noem dat FND+, zie ook de steun die inmiddels is gegeven op www.vriendenvanfnd.nl.
4- zorg dat ondernemers de kar gaan trekken. Richt je daarbij specifiek op de high-tech MKB ondernemers. De rol van de kennisinfrastructuur is faciliterend en dienend. En universiteiten en HBO’s hebben vooral een rol bij onderwijs (en minder bij onderzoek, en geen rol bij innovatie).
5- durf flink te bezuinigen op de basisfinanciering van TNO en DLO/WUR. Meer levelplaying field, minder overheidsbemoeiing. De huidige situatie bevordert innovatie beperkt, en resulteert vaak zelfs in frustratie en tegenwerking.
6- betrek een paar inhoudelijke experts ‘innovatiebeleid en innovatiemanagement‘ bij het commissie. Ik denk dat Jan Wouter Vasbinder van grote toegevoegde waarde is bij het proces. De theorie volgt de praktijk. Kortom er is eerst innovatie/DOEN en dan pas onderzoek!

Enkele duidelijke en harde lessen m.b.t. venture capital

What are the chances of finding an investor?

YOUR CHANCES WILL RISE IF YOU USE COMMON SENSE
Zaterdag 5-2-2011
Many times, startups ask me what are the chances of finding an investor. But typical startup chances are a meaningless number. Chances of funding are dependent on the startup. Here some reasons why most start-ups don’t attract funding:
– 5 pct are crooks
– 5 pct are psychopaths
– 20 pct are “intellectually challenged” and will never understand simple rules of business
– 20 pct make beginner’s mistakes like choosing the wrong legal entity (sole proprietor, foundation, etc) and confusing a product description with a business plan plan. Before they have learned this basic stuff and get the attention of real investors, they have run out of gas.
– 45 pct think incorrectly that a great idea gives them a right to funding. Main problem here is arrogance.
– 5 pct can be a serious investment opportunity. Of this 5 pct, 1 pct closes a deal with an investor, 1 pct refuses to hire the relevant expertise (like lawyers) and 3 pct solves its finance problem in a totally different way.

So you see, getting funding is doable hard if you are not a crook, a psychopath, have average education or higher and if you just listen to advice from people who know the game.

What to do?

Any startup can increase its chances of funding by doing things like the following:
– finance the seed phase out of job income
– write a business plan that at least contains an executive summary,
go-to-market section and cash flow prognosis.
– founders work for minimum wage
– founders that have savings put part of it in the company (“skin in the game”)
– get experienced entrepreneurs on board
– stop being a startup by landing your first paying customers

Just some tips and if you look at it, it’s common sense. Believe me, 99 percent of startups don’t use common sense and that’s why they don’t attract Venturemedia.nl

(gepubliceerd na verkregen toestemming van Henny van der Pluijm)

Aanvulling 13 februari 2010
Henny van der Pluijm
Na draad te hebben doorgespit, hier mijn bijdrage waar het meeste tijd in ging zitten.

Silicon Valley-investeringen versus Technopartner-benadering

Tp = Technopartner
SV = Silicon Valley

1. Bedragen:
Tp: 8 miljoen per fonds, te verdelen over 10 bedrijven
SV: tussen 5 en 25 miljoen per investering

2. Oorsprong geld:
Tp: overheid en beleggers
SV: ondernemers

3. Houding investeerder tav risico:
Tp: Beperken door geld te sourcen bij ca. 10 beleggers, maal 2 door een achtergestelde lening van de overheid, dat over 10 bedrijven verdelen om risico verder te spreiden.
Merk op: drievoudige risicospreiding
SV: Accepteer vooraf dat je je investering kan kwijtraken. Als je het goed doet, krijg je inleg 100 keer terug.

4. Houding investeerder tav co-investeerders
Tp: Hoe we het fonds vullen, maakt niet echt uit. Met een paar miljoen voldoen we aan de Technopartner-criteria en dan schuift de overheid ook een paar miljoen

SV: Mijn eigen geld is in het geding, dus mijn investeringspartners moeten ervaren bedrijvenbouwers zijn die snappen wat ik doe en die mij op gezette momenten helpen dit van de grond te krijgen.

5. Houding ondernemer tav geld dat aan hem wordt verstrekt
Tp: Geld is geld, een investeerder is een investeerder. Verder zijn het aardige mensen als je ze eenmaal kent. Jammer dat ze een hoog rendement willen.

SV: Deze vent is een klojo, maar als we op ons 35e 100 miljoen dollar willen hebben, hebben we hem nodig.

6. Benadering investeerder tav beheer
Tp: We beginnen met een ton. Ondernemer haal eerste mijlpaal en krijgt volgende ton, etc. Merk op: Vierde niveau risicospreiding.
SV: Als we zeggen dat we 5, 10, 20 of 30 miljoen investeren, dan investeren we dat, zonder verdere condities. Een investeringsrelatie is een huwelijk, dat moet werken.

7. Betrokkenheid investeerder
Tp: We eisen een commissariszetel en vragen elke drie maanden rapportage. Als een financiële indicator zich niet ontwikkelt volgens het businessplan, komt er een gesprek.
SV: Samen met mijn partners die zich bewezen hebben, help ik ondernemers het pad naar winstgevendheid te verkorten, bijv. door prototyping, introducties, selectie van CRM-systemen, een verkooptraining regelen, uit de put te praten of wat verder nodig is.

8. Rol overheid.
Tp: Versterkt cultuur van middelmatigheid (bij ondernemers ens investeerders) door investeerders de kans te geven hun risico’s verder te spreiden. Ventures worden situatie NIET op hun merites beoordeeld en krijgen NIET de ondersteuning van ervaren bedrijvenbouwers die ze nodig hebben. De fondsmanagers gooien 10 keer een dobbelsteen, strijken 2 procent beheerpremie op en spreiden de risico’s voor hun aandeelhouders.
SV: Overheid is niet betrokken en nooit betrokken geweest. De meritocratie in Silicon Valley is uit zichzelf gegroeid uit de interactie van excellent ondernemerschap en technologie.

Stimuleer diversiteit en geef pokon aan kleine plantjes

Het is nu zondag en formeel is dit toch echt mijn laatste vakantiedag (maar ik zit al weer achter de computer). Afgelopen week heb ik een heerlijke week doorgebracht op de pistes van Portes du Soleil. Met een leuk gezelschap en een hele week zon (maar wel wat oude harde sneeuw) in Morzine; super dus.

Toch kon ik het gedurende afgelopen week niet laten om een paar pittige reacties achter te laten rondom de lijnen van de Bonenprofessor en part 2 van de Bonenprofessor. Beide lijnen gaan over innovatiebeleid en wat mij betreft is de case zalf (vleesvervangers) veel minder relevant. Hoe ik denk over innovatiebeleid mag inmiddels duidelijk zijn. Ik heb nog een paar stukken in de pen, en wellicht zet ik deze vandaag nog online.

Ondertussen heeft Dick een parel van een reactie gegeven in de Boeren in lamborghini’s lijn. Het tegenovergestelde van groot en mono-cultuur is niet klein en lokaal, maar juist divers en vernieuwend. Kortom, stimuleer diversiteit en zorg dat de kleine plantjes kunnen blijven doorgroeien. Een beetje pokon helpt (= subsidie, maar niet teveel) en voorkom dat olifanten (ook DINO’s genoemd) de plantjes kapot trappen (= bestaande CRO’s, gedrag van universiteiten en multinationals).

Gisteren 14.06
dick veerman
Monique, ik weet niet of Rogers en ‘nieuwe tyconen-man’ Bergakkers er helemaal naast zitten. Ik denk dat ze het ernstig mis hebben op de parameter ‘lokaal’. Er zijn lokale balansen nodig. Er loopt een berg politici en ambtenaren rond die echt geen idee heeft waar lokaal over moet gaan; ze zijn tegen groot en denken dat lokaal het tegenovergestelde is. Ik denk vooral dat groot het tegenovergestelde van divers en steeds vernieuwend en daarom economisch gezond is. Dat zijn de wijze lessen van Schumpeter die ver voor de crises in het kapitalisme (wie verdient er nog geld aan het maken van auto’s?) en de derde grote crisis in de landbouw (waar we nu middenin zitten) snapte dat ‘small beautiful is’, als aanjager van vooruitgang en waarde.

In landbouw staan – zo luidt de stelling die ik zou willen lanceren – de behoudende als de vernieuwende bestuurderen nog veraf van een gezond verstand van wat er aan de hand is. Onderwijl zijn er gelukkig ondernemers die allang opgehouden hebben daar naar te kijken en die maar vast begonnen zijn. Ik hoop alleen dat die – zie het draadje over het bonenprofessoraat (dat, het zij nog maar eens gezegd, niet over de bonenstichting gaat maar over overheids- en WUR-beleid – nu niet in de wielen worden gereden door idiote overheidsmaatregelen die het tegenovergestelde gaan opleveren van wat ze beogen.

Of ik echt pessimistisch ben? Welnee. Er gebeurt al zat. Er zijn genoeg boeren die het anders gaan doen. Dat zijn de ondernemers. Er zitten er hier al twee in het lijntje. Hier blijft wel eten gemaakt worden. De grote monoboeren, die nu weer verder opschalen vanwege de slechte prijzen, zullen het steeds lastiger krijgen om de redenen die Jopie aangeeft. Ik dat een boel boeren die zo blijven denken hun pensioen en het vermogen van hun kinderen aan het weggooien zijn. En het zijn er nogal wat.

NB: bijzonder trouwens, vlgs jouw Robeco-belegger Bergakkers moet Nederland het hebben van innovatie – de beide bonenlijntjes toonden aan hoe slecht we daar eigenlijk in zijn omdat we onze echte innovatoren door een ferme overheidskus vermoorden en nalaten aan echte kennisontwikkeling te werken. Onze landbouwuniversiteit verdedigt het binnenhalen van een – dik gefunde – opdracht voor wat productontwikkeling die vooral te maken heeft met achterstanden op dat gebied als ‘fundamenteel onderzoek’.