De Meedogenloze Vallei des Doods: Waarom Kapitaalintensieve Deeptech Struikelt in de Schaduw van Hype

De Structurele Asymmetrie van Innovatie

De transitie naar een duurzame, klimaatneutrale economie vereist technologische doorbraken die de fundamenten van onze industriële productie, energievoorziening en voedselsystemen herdefiniëren. Deze innovaties—variërend van gecultiveerd vlees en circulaire chemie tot geavanceerde batterijtechnologie—vallen onder de noemer ‘deeptech’. In tegenstelling tot software of digitale platformen, kenmerkt deeptech zich door een fundamenteel andere economische en technologische realiteit: het vereist fysieke infrastructuur, schaalbare productieprocessen en, cruciaal, enorme hoeveelheden risicokapitaal voordat er ook maar één euro omzet wordt gegenereerd [1].

Dit brengt ons bij een fenomeen dat in de innovatieliteratuur bekendstaat als de ‘Valley of Death’—de kritieke fase waarin een technologie het laboratorium is ontgroeid, maar nog niet rijp is voor grootschalige, commerciële marktintroductie [2]. Voor kapitaalintensieve bedrijven, in het bijzonder degenen die proeffabrieken (pilot plants) of demofabrieken moeten bouwen, is deze vallei niet slechts een hindernis, maar een meedogenloze scherprechter. Recente faillissementen van ogenschijnlijk veelbelovende Europese scale-ups zoals Meatable, Ynsect en Maeve Aerospace onderstrepen de dodelijke combinatie van hoge kapitaalbehoefte (CapEx), lange ontwikkeltijden en ongeduldig durfkapitaal [3] [4] [5].

De Frictie tussen Biologie, Fysica en Venture Capital

De kern van het probleem schuilt in een diepgeworteld misverstand over de aard van industriële innovatie. Durfkapitaal (Venture Capital, VC) is de afgelopen decennia grotendeels gevormd door de succesverhalen uit Silicon Valley. Softwarebedrijven kennen lage marginale kosten, exponentiële schaalbaarheid en relatief korte cycli tot winstgevendheid. Deeptech, en in het bijzonder biotech en cleantech, opereert echter onder de ijzeren wetten van de thermodynamica en biologie [3].

Neem de sector van alternatieve eiwitten. Het Nederlandse Meatable, pionier in gecultiveerd vlees, haalde in zeven jaar tijd ongeveer 85 miljoen euro op [3]. De technologie boekte ontegenzeggelijk vooruitgang—het bedrijf organiseerde in 2024 succesvolle proeverijen in Leiden—maar de schaalvergroting van levende cellen in bioreactoren bleek weerbarstig. Levende cellen schalen niet lineair; wat werkt in een kolf van een liter, gedraagt zich fundamenteel anders in een industriële tank van 10.000 liter. De kosten van groeimedia en de complexiteit van steriele productie op grote schaal dreven de benodigde investeringen op, terwijl investeerders, gedreven door de logica van snelle rendementen, resultaten eisten die biologisch simpelweg nog niet haalbaar waren [3]. Toen de hoofdinvesteerder Agronomics de geldkraan dichtdraaide, viel het doek voor Meatable [3].

Een vergelijkbare dynamiek speelde zich af bij Ynsect, het Franse vlaggenschip voor insecteneiwitten. Ondanks meer dan 500 miljoen euro aan opgehaald kapitaal en de steun van de Franse overheid, ging het bedrijf ten onder aan de meedogenloze marges van de diervoedermarkt [4]. Ynsect bouwde een gigantische productiefaciliteit (Ÿnfarm) voordat de marktvraag en winstmarges afdoende waren bewezen [4]. Dit is de klassieke valkuil van de kapitaalintensieve Valley of Death: de noodzaak om honderden miljoenen te investeren in een fabriek, in de hoop dat schaalvoordelen de eenheidskosten zullen drukken, terwijl de vaste lasten het bedrijf wurgen als de vraag achterblijft [4]. Duurzaamheid is geen businessmodel op zich; als het product structureel duurder blijft dan conventionele alternatieven zoals soja of vismeel, weigert de markt simpelweg de premie te betalen [4].

De Illusie van de “Fast Exit” in de Reële Economie

De teloorgang van deze bedrijven illustreert een breder, macro-economisch probleem. Er is sprake van een structurele misallocatie van kapitaal, waarbij financiële instituties en grote fondsen (zoals BlackRock) disproportioneel veel kapitaal sturen richting sectoren met de belofte van hypergroei, zoals Artificial Intelligence (AI) en defensietechnologie [3]. Dit zuigt de broodnodige zuurstof—in de vorm van investeringen—weg uit de ‘reële economie’: sectoren zoals energie, industriële chemie en de eiwittransitie, die essentieel zijn voor de fysieke infrastructuur van onze samenleving [3].

In de reële economie bestaan geen “fast exits”. Het bouwen van een proeffabriek of demofabriek voor circulaire chemie, zoals het Nederlandse ChainCraft momenteel poogt te doen, vergt niet alleen 150 miljoen euro aan CapEx, maar ook een lange adem [5]. Oprichter Niels van Stralen benadrukt de enorme druk: “Je weet dat er geld bij moet om te overleven. Dat is niet per se prettig, maar wel de realiteit” [5]. Terwijl AI-startups met een fractie van dat bedrag en binnen enkele maanden een softwareproduct kunnen lanceren, moeten deeptech-ondernemers navigeren door een moeras van vergunningen, ingenieursuitdagingen en haperende toeleveringsketens [5].

Wanneer het ecosysteem “vergrijst”—zoals het Scaleup Dashboard 2025 van het Erasmus Centre for Entrepreneurship aantoont, met een verdubbeling van de gemiddelde leeftijd van snelgroeiende bedrijven door verhoogde uitval [5] [6]—wordt de risicoaversie onder investeerders alleen maar groter. Institutionele investeerders eisen in latere financieringsrondes dat alle risico’s zijn afgedekt [5]. Dit creëert een paradox: de Valley of Death kan alleen worden overbrugd met durfkapitaal, maar het huidige durfkapitaal ontbeert de durf—en het geduld—voor industriële schaalvergroting [5] [7].

Consolidatie en de Herwaardering van Assets

De huidige afkoeling in sectoren zoals plantaardige eiwitten (plant-based proteins) en cleantech is echter niet uitsluitend negatief. Het markeert een noodzakelijke overgang van een door hype gedreven expansiefase naar marktrationalisatie. In de periode 2024-2025 zagen we een golf van consolidatie, met meer dan 40 bedrijven in de alternatieve eiwitsector die sloten, fuseerden of werden overgenomen [8]. Dit raakte met name bedrijven in Europa en Noord-Amerika die worstelden met inflatie, stagnerende consumentenacceptatie en de complexiteit van schaalvergroting [8].

Deze consolidatie leidt tot een interessante dynamiek rondom Intellectueel Eigendom (IP). Grotere, gevestigde voedingsmiddelen- en chemiebedrijven nemen worstelende start-ups over, niet noodzakelijkerwijs voor hun merk, maar voor hun patenten, formuleringen en technologische knowhow [8]. De overname van The Vegetarian Butcher door vleesgigant JBS is hier een pregnant voorbeeld van [8]. Voor de start-up betekent dit dat hun innovatie, hoewel ze de Valley of Death als onafhankelijke entiteit niet overleefden, toch waarde behoudt binnen een groter, kapitaalkrachtig conglomeraat dat wél over de infrastructuur beschikt om te schalen [8].

Conclusie: Naar een Nieuw Paradigma voor Deeptech Financiering

De Valley of Death voor kapitaalintensieve deeptech is geen natuurwet, maar het resultaat van een mismatch tussen de technologische realiteit en de heersende financieringsmodellen. Om de innovaties die cruciaal zijn voor onze planetaire grenzen te realiseren, is een fundamentele verschuiving noodzakelijk. Ten eerste moet er een erkenning komen dat industriële schaalvergroting “geduldig kapitaal” (patient capital) vereist. Investeringen moeten worden beoordeeld op decennia, niet op kwartalen [3].

Ten tweede is er een herwaardering van de reële economie nodig. De focus van financiële markten op snelle, digitale rendementen mag niet ten koste gaan van de tastbare infrastructuur die onze samenleving draaiende houdt. Overheden en publieke investeringsbanken, zoals Invest-NL en het Europese Investeringsfonds, spelen hierin een cruciale, risicomitigerende rol [5] [9]. Het recent aangekondigde Scaleup Europe Fund is een stap in de goede richting om deze financieringskloof te dichten [10].

Tot slot moeten deeptech-ondernemers zélf pragmatischer opereren. De lessen van Meatable en Ynsect tonen aan dat een focus op hoogwaardige ingrediënten (B2B) vaak levensvatbaarder is dan de kapitaalvernietigende race naar consumentenproducten (B2C) [3]. Modulaire schaalvergroting, in plaats van de onmiddellijke bouw van megafabrieken, verlaagt het risicoprofiel aanzienlijk [4]. De Valley of Death is meedogenloos, maar voor de bedrijven die overleven met een combinatie van technologische excellentie, financiële discipline en strategische allianties, is de potentiële impact op onze economie en ons klimaat ongekend groot.

Literatuur en Referenties

[1] Vroon, R. J. (n.d.). Valley of Death for European Cleantech Startups. Delft University of Technology. https://repository.tudelft.nl/file/File_7cff9253-ed27-4129-8c1f-46a426b39804?preview=1

[2] Romme, A. G. L., Bell, J., & Frericks, G. (2023). Designing a deep-tech venture builder to address grand challenges and overcome the valley of death. Journal of Organization Design, 12, 1-15. https://link.springer.com/article/10.1007/s41469-023-00144-y

[3] De Heij, W. (2026, January 26). The Fall of Meatable and the Hard Lesson for Cultivated Meat: Fast Returns and Living Cells Don’t Mix. Protein Trends. https://protein-trends.com/2026/01/26/the-fall-of-meatable-and-the-hard-lesson-for-cultivated-meat-fast-returns-and-living-cells-dont-mix/

[4] De Heij, W. (2026, January 4). The Fall of Ynsect: When Europe’s Biggest Insect Protein Bet Failed. Protein Trends. https://protein-trends.com/2026/01/04/the-fall-of-ynsect-when-europes-biggest-insect-protein-bet-failed/

[5] Wittebrood, W. (2026, June 12). Hoe overleef je de Valley of Death? ‘Een week van tevoren hoorden we dat de deal niet doorging’. Startups & Scaleups / MT/Sprout.

[6] Erasmus Centre for Entrepreneurship. (2026). ScaleUp Dashboard 2025: The State-of-the-Art Report on the Dutch climate for high growth. https://www.ece.nl/en/scaling-up/

[7] Granath, J. (2021). The Search For a Swedish Valley of Death & Possible Ways Out: Investigating Financing Strategies for the Development of Deep Tech Innovation. KTH Royal Institute of Technology. https://www.diva-portal.org/smash/record.jsf?pid=diva2:1574461

[8] De Heij, W. (2025, September 23). The Investment Climate for Plant-Based Proteins: Consolidation, Challenges, and the Road Ahead. Protein Trends. https://protein-trends.com/2025/09/23/the-investment-climate-for-plant-based-proteins-consolidation-challenges-and-the-road-ahead/

[9] European Investment Bank (EIB). (2024). The scale-up gap: Financial market constraints holding back innovative firms. https://www.eib.org/en/publications/20240130-the-scale-up-gap

[10] Delors Centre. (2026, April 7). One Fund to scale them all? Filling crucial financing gaps with the Scaleup Europe Fund. https://www.delorscentre.eu/en/publications/detail/publication/one-fund-to-scale-them-all

Van Globalisering naar Regionale Zelfstandigheid: Europa’s Toekomst in een Veranderende Wereldorde (deel 1)

Hier deel twee van het tweeluik.

We leven in een tijdperk waarin de grenzen van globalisering zichtbaar worden. De decennialange aanname dat onbelemmerde internationale handel, outsourcing en verregaande interconnectiviteit universeel voordelig zijn, wordt steeds vaker in twijfel getrokken. De wereld hergroepeert zich. Waar globalisering ooit het leidende principe was, zien we nu een verschuiving naar economische zones die steeds autonomer opereren. Europa moet daarin een duidelijke positie innemen—en dat vereist moedige keuzes.

De Nieuwe Wereldorde: Van Mondiaal naar Regionaal

De toekomst zal niet gedomineerd worden door één wereldwijde markt, maar door enkele grote economische blokken: de Verenigde Staten, de Europese Unie, China en een samenwerkingsverband van opkomende markten zoals de BRICS. Deze zones zullen de wereldpolitiek en -economie bepalen, waarbij interne cohesie en onafhankelijkheid essentieel zijn. Europa moet leren van de fouten van de afgelopen decennia. Zonder een sterke eigen maakindustrie, een solide energie-infrastructuur en een innovatieve defensie-industrie, is de EU kwetsbaar in een wereld die steeds competitiever wordt.

De Maakindustrie als Fundament

Europa’s welvaart is gebouwd op industrie. Van de Duitse auto-industrie tot hoogwaardige technologie in Nederland: maakindustrie creëert niet alleen economische waarde, maar ook hoogwaardige werkgelegenheid. Wanneer we deze industrie verliezen aan gesubsidieerde concurrenten van buiten Europa, verliezen we niet alleen banen, maar ook onze technologische voorsprong en strategische autonomie. Dit is waarom slimme importheffingen nodig zijn. Niet om de vrije handel te saboteren, maar om eerlijke concurrentie te garanderen. Zonnepanelen en elektrische voertuigen uit zwaar gesubsidieerde landen zoals China mogen niet onze eigen bedrijven verdringen.

Grenzen voor Welvaart

Maar economische zelfredzaamheid gaat verder dan maakindustrie. Het beschermen van Europa’s grenzen is essentieel, zowel fysiek als economisch. Grote migratiestromen zonder effectief beleid zetten druk op de arbeidsmarkt, het sociale vangnet en de sociale cohesie. Een selectief, gereguleerd migratiebeleid dat rekening houdt met de arbeidsmarktbehoeften van Europa is cruciaal om werkgelegenheid en welvaart te beschermen.

Getemperd Nationalisme

Deze koers vraagt om een nieuwe manier van denken: getemperd nationalisme. Niet het exclusieve nationalisme dat grenzen sluit en zich afkeert van de wereld, maar een inclusieve benadering waarin Europese samenwerking prioriteit krijgt. Europa moet zichzelf zien als een nationale gemeenschap waarin het collectieve belang van de regio boven het onbegrensde individualisme wordt gesteld. Dat betekent opnieuw nadenken over langetermijnvisies: hoe houden we werkgelegenheid in stand? Hoe garanderen we een eerlijk speelveld? Hoe maken we Europa weerbaar tegen externe dreigingen?

De Weg Vooruit

Europa staat op een kruispunt. De Green Deal, digitale transitie en geopolitieke spanningen vragen om leiderschap dat verder kijkt dan de huidige politieke cyclus. We moeten een toekomstvisie ontwikkelen die werkgelegenheid, duurzaamheid en strategische autonomie verenigt. Dit vraagt om een fundamentele herwaardering van Europese samenwerking, waarbij protectionistische reflexen en kortetermijndenken plaatsmaken voor strategisch beleid dat een robuuste, welvarende en innovatieve Europese samenleving bouwt.

De uitdagingen zijn groot, maar het alternatief is een afkalvende welvaart en een verlies van autonomie. Het is tijd dat Europa handelt zoals het ooit deed: met visie, ambitie en een hernieuwd geloof in haar eigen kracht.

Mijn reactie op de foodlog lijn "Marges in de keten: misdaad zonder schuldige – en nu?"

Zonet heb ik een reactie geplaatst op foodlog:

Twee jaar geleden schreef ik mijn eerste stukje over de margemix en kruissubsidie. De margemix is iets tussen de dezelfde producten binnen de categorie. Kruissubsidie is tussen verschillende productgroepen. Het is een waanzinnig geraffineerd spel. In België mag je overigens geen producten onder de inkoopprijs verkopen en ook is koppelverkoop (denk aan GSM abonnement met telefoontje) verboden. Het is maar een denkrichting mbt ‘oplossingen’.

Verder sprak Dick over het kipje van C1000. Ik ben om twee reden tegen: (a) een halve-ster kipje zou niet beloond moeten worden, als maatschappij zouden we wat mij betreft 1-ster als MINIMUM dierwelzijnseis kunnen gaan hanteren. (b) de algemene duurzaamheids/milieu/dierwelzijnseisen vergroten leidt NIET tot betere marge’s van de boeren.

Dit laatste zal deze Muppet nog even uitleggen aan de hand van een verhaaltje

Stel dat een kippenboer nu 3000 euro netto verdient per gezin. Stel dat C1000 (of nog erger de PvdD) gaat opleggen dat de minimale eisen mbt dierwelzijn omhoog moeten. Stel dat de kippenboer nu ramen moet gaan inbouwen in zijn stallen voor bijvoorbeeld 20.000 euro (C1000 en Interchicken betalen dit echt niet voor hem!). Dan zal deze boer dit op zijn minst willen terugverdienen (kortom een ROI willen halen van bijvoorbeeld 2 jaar). De boer gaat naar de bank en vraagt zijn bank, kan ik 20.000 euro lenen. De bank zegt: “heb je gegarandeerde afzet en is de prijs per kipje hoger?”. Stel dat de C1000 inderdaad een garantie aan Interchicken zou willen geven (wat in de praktijk zelden gebeurt), hoe zit het dan met de prijs per kip? Interchicken kan -met dank aan onze overheid LNV/WUR/LEI- tot 2 cijfers achter de comma uitrekenen wat de meerkosten zijn. Interchicken is best bereid om die meerkosten te betalen lijkt me. Prima toch zou je denken? NEEEEN!

Ook mijn NEEEEN moet ik uitleggen. De boer neem met zijn lening een extra risico, hij zou voor dat genomen risico NAAST de extra kosten per kip die hij kan doorbelasten aan Interchiken OOK een premie (dat heet extra winst!) moeten kunnen krijgen zodat zijn inkomen bijvoorbeeld naar 3500 euro schiet. Dit laatste gebeurt in de praktijk NIET. Kortom de boer zit (a) met een hogere schuld, (b) houdt aan het einde van de maand als het meezit nog steeds 3000 euro netto over per gezin. Hogere generieke eisen lossen NIETS op voor de inkomenspositie van de boer.

De duurzaamheidsondergrens omhoog brengen, resulteert derhalve in IDENTIEK dezelfde situatie als 60 jaar collectief onderzoek en landbouwbeleid bij de WUR naar ‘kostprijsverbeteringen’ en ‘efficiency: EEN VERDERE VERBULKING. De inkomensposities van agro-ondernemers (toch het onderwerp van disndag) worden DUS NIET opgelost.

Innoveren heeft ook te maken met extra winst op genomen risico. In dit soort generieke constructies lukt dat NOOIT. Kortom, echt ondernemen is iets dat je in zelf doet of met een paar medeondernemers. Betekenis geven zoals Jan Peter ook dinsdag aangaf is dus de enige mogelijkheid. Ik noem dat “gericht innoveren”. Wat is het werkelijke vraagstuk : (i) Wie pakt de VASTE kosten VOORAF die gepaard gaan met het Innovatieproject, (ii) welk zakelijk model kan er bedacht worden WAARDOOR de verschillende ketenspelers deze vaste kosten vooraf ook vooraf DELEN. Lukt dat, dan kunnen we pas echt over duurzaamheid (inclusief DutchFairtrade) gaan nadenken.

De blueprint van ‘mijn oplossing’ stond al in mijn twitterbericht. (a) bulk krijgt langzamerhand hogere eisen van de maatschappij (import product ook!) (b) niches worden gestimuleerd te ontstaan door kleinschalige doe-experimenten waarbij ‘bijzonder’ en ‘betekenis’ uitgangspunten zijn, (c) het tussensegment van agri-ondernemers gaat kiezen tussen anoniem verder bulk of innoveren.

Ga zaaien en stopt de monocultuur. Maak nieuwe combinaties, heb lef en toon ondernemerszin“. Maar dat zei deze Muppet al in zijn slotwoord.

De grote oplossing van alles (en dat terwijl grand designs niet werken)

Deze week ging het over megastallen, over innovatiebeleid, over het agro industrieel complex. Een vorig week kwam er een consortium van vervoerbedrijven die wel een stukje van de NS wilen overnemen. In de zorg hebben we maatschappelijk discussies over ‘privaat’. Wat hebben deze onderwerpen gemeen? Het gaat over durven afbreken en opnieuwe opbouwen, en het gaat over de angst van vernieuwing (en soms gebrek aan vertrouwen in de toekomst) en het gaat om machtsconcentraties (oligopolies).

Grote ontwerpen en grote oplossingen voor sociale problemen werken niet meer. In 1953 konden we nog een delta-plan maken, maar onze maatschappij is te complex geworden (denk aan zorg, files, vergrijzing, bankencrisis, etc etc). Toch zijn er een paar generieke oplossingsrichtingen voor maatschappelijke uitdagingen die mijn inziens vrijwel altijd werken.

Hier zijn ze:
1. Onze maatschappij is erg complex. Juist daarom is stevig ingrijpen onverstandig. De safe fail aanpak -waarbij je kleine DOE experimenten in de praktijk uitvoert- is daarom de aanbevolen weg. Overheden bepalen alleen de maatschappelijke spelregels en de politiek geeft de maatschappelijke wilskeuzes aan. Ondernemers moeten het echter zelf doen.

2. Accepteer dat in een volwassen markt (red ocean) er door schaalvergroting en fusies uiteindelijk maar een paar spelers overblijven. Er zijn derhalve maar drie vragen -neen eigenlijk zijn het wilskeuzes- die we moeten beantwoorden:
– Wanneer vinden we dat een ‘markt’ te klein is geworden. Hoeveel spelers moeten er minimaal overblijven zodat de balance of powers voldoende aanwezig is, en dat er geen kartelvorming ontstaat.
– Wanneer is een organisatie of bedrijf in een volwassen markt ’te groot’. Dit punt heeft uiteraard met ook mededingsrecht te maken.
– In geval van een mondiale markt: welke bedrijven / sectoren zijn van landsbelang om hoe dan ook te behouden in Nederland. En zo ja, wat doen we dan om deze sectoren te behouden.
Voorbeelden: de retailmarkt heeft nog maar vier inkooporganisaties en AH is (lokaal) een monopolist. Dit is een onwenselijke situatie.

3. Volwassen markten zijn volwassen omdat ze volwassen zijn, en we zouden aan volwassen bedrijven geen ‘zakgeld’ moeten geven. Volwassen bedrijven en sectoren kunnen voor zichzelf zorgen is mijn stelling. En we mogen ons ook nooit meer door volwassen bedrijven of sectoren laten ‘gijzelen’ als maatschappij (en dit laatste is gebeurd tijdens de bankencrisis in 2008-2009 en bijvoorbeeld in USA met de automobielfabrikanten). Voorbeeld: de ING bank is eigenlijk te groot voor onze maatschappij. Wij kunnen de risico’s niet afdekken bij problemen.

4. De maatschappij zou heldere en eventueel striktere spelregels mogen stellen aan de spelers in een een volwassenmarkt. Deze spelregels moeten gaan over ‘milieu’, ‘sociale facetten’ of bijvoorbeeld over diervriendelijkheid. Kortom naast puur financiele factoren, ook ‘zachte’ en ‘kwaliteits’ eisen opleggen binnen een volwassen markt. Richting spelers in een volwassenmarkt mogen we zelfs wat strenger zijn dan richting een niet volwassen markt. Voorbeeld: grotere varkensstallen mogen, mits minimaal aan 1ster wordt voldaan.

5. Volwassen markten hebben altijd de neiging op te gaan ‘verbulken’, en dit te verbloemen met ‘marketing’. Vernieuwing onstaat echter vrijwel altijd vanuit de onderkant, aangezien de noodzaak tot verandering (stress) daar meestal het grootste is. Daarom moeten we als maatschappij deze vernieuwing blijven stimuleren. Voorbeeld: de varkenssector, de dominantie van Microsoft op computers (en Apple op smartphones).

6. De maatschappij -lees de overheid- heeft de plicht om samen met ondernemers diversiteit te zaaien. Diversiteit zorgt immers voor (a) meer competitie, (b) noodzakelijke vernieuwing / innovatie, (c) voor een stabielere maatschappij. Deze drie facetten zijn van cruciaal belang om ook op termijn een prettig en welvarend land te behouden. Kennisinstellingen en universiteiten zorgen voor een goede opleiding van jong talent (niet meer en niet minder). Voorbeeld: 10 jaar geleden was Apple op sterven na dood. Nu is de beurskoers groter dan die van Microsoft. TomTom is pas tien jaar oud.

7. Een jonge of opkomende sector (die nog bezig is een blue-ocean te creeeren) mag tijdelijk geholpen worden door de maatschappij. Helpen kan met subsidie of kredieten, maar je kan een jonge sector ook in-kind helpen of tijdelijk de spelregels versoepelen. Hulp kan echter nooit structureel zijn. Hulp geef je alleen bij de opstart. Doelstelling zou moeten zijn om zo snel mogelijk volwassen te worden. Voorbeeld: de markt voor vleesvervangers en substituten, er zijn in Nederland ongeveer twintig producenten en de omzet is minder dan honderd miljoen.

8. Diversiteit creeer je door veel nieuwe kleine innitiatieven te (laten) starten. Nieuwe initiatieven kun je het beste ‘buiten’ bestaande organisaties of instituties neerzetten. Het realiseren van een innovatie is overigens iets dat je met professionals doet. Het starten van nieuwe initiatieven mag niet als resultaat hebben dan een ‘ander’ nieuw initiatief valselijk wordt beconcureerd.

9. Als overheid kan je diversiteit zaaien door met open innovatieprogramma’s te gaan werken. Binnen zo’n programma mogen hoofdthema’s worden vastgelegd, maar nooit mag de exacte definitie van het project worden vastgelegd. De beoordelingscommissie moet oordelen op basis van (a) innovativiteit en diversiteit, (b) samenwerkingsverband (is er synergie), (c) verduurzaming en gezondheid en sociale verbetering, (d) de business case (zit er groeipotentie in het project), en eigenlijk ook (e) op ervaring en motivatie van het team.

10. Om succesvol te kunnen zaaien, is naast een goed idee, vooral (intrensieke) motivatie, creativiteit en leiderschap nodig. Zonder doorzettingsvermogen wordt een ideetje nooit realiteit. Zonder realiteit geen omzet en mensen werkzaam in de nieuwe sector. Innoveren is kortom DOEN in de praktijk. En het DOEN is iets voor ondernemers.

Gebruik deze denkrichting als blueprint voor alle maatschappelijke uitdagingen en we zullen samen onze maatschappij verduurzamen en op termijn een nog mooier en prettigere maatschappij hebben. Fijne zondag!

PS nu maar hopen dat politici en beleidsambtenaren meelezen.

Het agro-food (industrieel) complex is een complex adaptief systeem

Ik heb zonet telefonisch Dick beloofd niet gelijk de toon te gaan zetten door een eerste reactie te plaatsen in de lijn Het agro-industrieel complex. Daarom maar een eerste reactie hier. 🙂

Na de tweede wereld oorlog heeft de inzet van kennis –ingezet specifiek voor schaalvergroting en kostenvergroting– voor een enorme efficiency slag gezorgd in de agrofoodsector. Een belangrijke rol speelde daarbij de DLO instituten (nu Wageningen UR). Nu werkt dit systeem al 10 a 15 jaar niet meer. Alles is heel effectief en goedkoop, maar tevens ook verbulkt (zelfs het onderzoek). Kortom het o-o-o beleid is uitgewerkt, en doorgaan op deze weg is onverstandig. Wat wel? FND+ !

Daarnaast heeft Dick gelijk als hij aangeeft hoe complex het agrofood systeem is. Natuurlijk zijn wel wat op en aanmerkingen te maken. Een voorbeeldje. Slachterij VION kan altijd nog varkens uit Duitsland gaan halen, en de Duitsers zullen echt niet honderden miljoenen gaan investeren in nieuwe grote slachterijen waarbij ook meer bulk gemaakt zou kunnen worden (lees meer over distributed processing). Kortom geen varkenshouders in Nederland, betekent niet gelijk ook problemen bij VION.

Een tweede voorbeeld. Bij de RTV Noord uitzending begint Bleeker gelijk over de ‘consumentenprijs’ , natuurlijk gaat het daar niet over. Het gaat wel over margemix en kruissubsidie. Het gaat ook over vierkansverwaarding en eerlijke ketenverdelingen (p19 ev). Het gaat ook over de wilskeuze of we wel of geen agro-ondernemers in Nederland willen behouden op termijn. Slechte argumenten dus van Bleeker.

Wat de oplossingen zijn (zie ook toekomst landbouw)?
– Gezamenlijk bepalen wat een maximum grens is. Zelf ben ik een voorstander van een grens bij familiebedrijven. Zelf weet ik niet wat een mega-stal is, maar weet wel wanneer een familiebedrijf een familiebedrijf. Maar besef wel dat op termijn alle bedrijven naar deze grens zullen gaan toegroeien. Het aantal varkensboeren zal blijven afnemen.
– Voorkomen dat het agrofood systeem niet implodeert, zoals ook bij de bankensector in 2008 is gebeurd. De agro-food sector zit complex in elkaar, waarbij naast de agro-ondernemers ook voedselverwerkers, retailers, creatieve sector en transportsector een rol speelt.
– Innoveer ‘naast’ de bulksector. De adviezen staan hier en hier (en de NL kennisinstituten hebben daarbij maar een heel beperkte rol). Het zijn de zelfstandig ondernemers die het moeten gaan doen. Op naar NLI30 dus. Meer tips staan hier.
– duurzamere ketenintegraties zoals agrobusinessparken, zouden verder geimplementeerd moeten gaan worden. Lees ook eens wat ik daarover schreef in 2010.

PS

1. De zuivel zit met FrieslandCampina in hetzelfde schuitje. De tuinders gek genoeg niet. Handelshuizen zoals Greenery zijn immers relatief goedkoop zelf op te zetten. Daarnaast zijn de gesneden groente bedrijven al volledig in private handen. En te groot om die nog in te halen.

2. Ik heb het vaker gezegd. De boeren, melkveehouders en veehouders zouden een beter rendement moeten verwachten op divident op hun aandelen van FrieslandCampina en VION en Greenery (die op instorten staat). Divident ter compensatie van de lage grondstofprijzen. Enfin, dit is ook niet iets wat gebeurd.

Proefballon van Henny van der Pluijm: 10 puntenplan voor innovatief Nederland (en nog 3 punten van mezelf)

Henny van der Pluijm is gespecialiseerd in Venture Capital heeft een proefballon opgelaten. Zelf moet ik nog nadenken over alle punten, voorlopig hou ik me daarom bij mijn Nederland Innovatieland 3.0 visie (#NLI30)

1. Alle ambtenaren die zich met ondernemers bezighouden, worden ZZP’ers.
– Ambtenaren die daar niet toe bereid zijn en zich toch met het ondernemersklimaat bezighouden, zijn niet geloofwaardig

2. Overheid stopt alle vormen van subsidies, achtergestelde leningen, incubator-faciliteiten, innovatiefondsen en andere vormen van directe en indirecte “steun” aan kapitaalzoekende bedrijven en aan partijen die zogenaamd “risicokapitaal” willen verschaffen. Zowel op individueel niveau als bij wijze van collectief. Zowel op landelijk als op regionaal en plaatselijk niveau.
– Gesubsidieerd risicokapitaal is een tegenstrijdigheid in zichzelf en verstoort de onderhandse kapitaalmarkt, die vele malen groter is dan de overheid zich realiseert.

3. Innovatiebeleid gericht op startende ondernemers wordt bij wet verboden
– Ambtenaren hebben geen enkel benul wat startende ondernemers zijn en zullen dat ook nooit krijgen. Starters hebben niet de ervaring om beleid te herkennen waardoor ze van de wal in de sloot terecht komen.

4. Coaching van startende ondernemers wordt bij wet verboden voor iedereen die niet zelf minstens 6 jaar ondernemer is
– Geen badmeesters zonder zwemdiploma meer

5. Iedereen die ondernemers een warm hart toedraagt vertelt iedere aspirant-ondernemer dat hij eerst een jaar in de verkoop gaat bij een bestaand bedrijf, voordat hij ondernemer wordt
– Dit land heeft geen behoefte aan armoedzaaiers met een gouden idee

6. Iedereen die ondernemers een warm hart toedraagt vertelt iedere starter die risicokapitaal zoekt, dat hij zich eerst moet verdiepen in die wereld.
– Financiers hebben geen behoefte aan ondernemers die niet bereid zijn hun kant van de zaak te zien.

7. Er komt een openbaar register voor het vastleggen van alle details rond transacties met risicokapitaal. Rechtspersonen, natuurlijke personen, rolverdelingen, aandelenpercentages, bedragen, datums, etc.
– Dit genereert een leercurve die uniek in de wereld zou zijn en in samenhang met de andere 9 maatregelen, het Nederlandse innovatievermogen naar de top van de wereld brengt.

8. De flex-BV wordt op korte termijn ingevoerd. Naast de voorgestelde maatregelen, wordt het gebruikelijk loon afgeschaft. Het verplichte startkapitaal wordt verlaagd van 18.000 naar 9.000 euro.
– Spreekt voor zich. De Eerste Kamer traineert de boel omdat met de flex-BV ondernemers minder makkelijk onder controle zijn te houden

9. Een nieuwe rechtspersoon wordt ingevoerd naar het model van de Amerikaanse C Corporation. Dit staat een “one tier board” toe. Commissarissen bestaan in deze rechtsvorm niet, iedere bestuurder is verantwoordelijk.
– Ook dit versterkt de leercurve die noodzakelijk is om de top te bereiken. Bovendien wordt hiermee een belangrijke hobbel weggenomen voor de instroom van Amerikaans kapitaal in Nederlandse ventures.

10. Startende ondernemingen krijgen structureel lagere administratieve verplichtingen, waaronder 5 jaar vrijstelling van de verplichting tot BTW-administratie, opschorting van het urencriterium voor de ondernemersaftrek (EMZ) en 5 jaar ontheffing van toetsing door het UWV. Zie ook punt 8, afschaffing gebruikelijk loon.
– Starters hebben het al moeilijk genoeg de eerste jaren door te komen.

Zelf heb ik (=Wouter) nog drie punten aangevuld die niet mogen ontbreken in deze lijst:

11. De basisfinanciering van DLO en TNO (en andere GTI’s) wordt per direct stopgezet.
– Deze semi-overheidsclubs krijgen honderden miljoen die ze verdubbelen met subsidiegeld. Duur, weinig klantgericht en al helemaal niet innovatief. Verder blokkeren deze organisaties groei van high-tech startups, en zijn ze teveel in competitie met private innovationservice provider.

12. Universiteiten krijgen een verbod op contract onderzoek voor derden.
– Kennis van de door de maatschapij betaalde organisaties is gratis beschikbaar voor de maatschappij. Octrooien dienen openbaar geveild te worden. Focus moet verder liggen op fundamenteel onderzoek en opleiding en niet als ‘commerciele dienstverlener’.

(13. Onderscheidt tussen drie soorten ZZP’ers.
– (1) De uitvinder/innovator ZZP’er die zelf de ambitie heeft om ‘iets’ op de markt te zetten maar niet goed weet hoe of waar. En (2) de ZZP’er -vaak een vakprofessional- die beschikbaar is om op uurtje factuurtje basis ingehuurd te worden. Er is een (3) derde hybride vorm aan het onstaan. Dat is de ZZP die zich alleen in laat huren door bedrijven/organisaties waar hij dingen kan doen en leren die hem/haar interesseren en waar hij/zij later zelf verder mee.)

Innovatieprojecten mislukken als je geen professionals inhuurt.

Eerdaags ben ik uitgetikt als het gaat om de theorie van innovatie. Waarschijnlijk ga ik dan alleen nog maar praktijk voorbeelden geven. Maar toch, ik moet nog zeker acht stukjes schrijven zoals jullie hier kunnen zien.

Mijn aandacht gaat deze maanden uit naar (1) het juist en kwalitatief blijven uitvoeren van onze projecten, (2) onze organisatie klaar maken voor onze groeifase, en (3) aandacht blijven geven aan de onzalige plannen van ons nieuwe kabinet. En passant, ook nog voor voldoende inkomsten zorgen voor TOP.

Vandaag heb ik de behoefte om te praten over de vraag waarom ik zo vaak tegenkom dat er in innovatieprojecten risico op risico wordt gestapeld (straks meer hierover). Vooral doordat een andere specialisme ‘even’ erbij wordt gedaan.

Een paar praktijk-voorbeelden:
– Toekomstig insectenproducenten of voedselproducenten die ‘even’ ook voedselverwerker willen worden, en denken dat ‘ze’ dat ook wel kunnen.
– Producenten en verkopers van ingrediënten of machinebouwers die ook ‘even’ food-design activiteiten denken aan te bieden. ‘we gaan wel even testen’. (lees crossing the chasm)
– Laboratoria die prima en goedkoop een ‘totaal kiemgetal’ kunnen bepalen, maar tevens ook ‘even’ de consultant uithangen rondom houdbaarheidsverbeteringen. (lees vers en microbiologie)
– Onderzoekers in opleiding die ‘even’ een technologie denken op te kunnen schalen, en zelfs (proberen) na te denken over machine-ontwerp. (lees rol van een universiteit)
– Marketeers die naast de positionering en de verpakkingsgrafiek ook ‘even’ denken de recepturen van een product te kunnen maken (of zelfs weten hoe het gemaakt moet worden). (lees een goed product heeft geen marketing nodig)
– Horeca-koks die denken ook ‘even’ de levensmiddeltechnoloog te kunnen zijn (en andersom) en daarom ook producten voor de retail kan verzinnen. (lees bottlenecks in food)
– Pas afgestudeerde onderzoekers die ‘even’ projectleider denken te worden van een groot multi-partijen (EU) project. (lees stimuleer diversiteit)

Wat deze voorbeelden allemaal gemeen hebben: Professionals die denken dat een andermans vak gemakkelijk is, en op de vrijdagmiddag via internet bijgeleerd kan worden. Mijn stelling is simpel “als een gemiddeld specialist er 4 a 5 jaar over doet om een HBO of universitaire opleiding te volgen en daarna gemiddeld 5-7 jaar over doet om een professional te worden, waar haalt de andere specialist de moed dan vandaan om te denken een andermans vak ‘even’ te kunnen doen”.

Is deze manier van denken en handelen nu arrogantie of is dat onbewust-onbekwaamheid? Een professional heeft DOE ervaring in zijn VAK en kan dat laten zien via praktijk (en dus niet theorie) voorbeelden. VRAAG daarom bij een professional naar zijn portfolio. Vakprofessionals hebben de toekomst en ik mag daarom graag spreken over ‘de nieuwe ambacht 2.0”; meer hierover op een ander moment.

Nog een kleine aanvulling op kantoor spreken we graag over hygiene factoren. Dat zijn eigenschappen en vaardigheden van mensen waar we het niet meer over hebben. Die MOETEN gewoon op orde zijn. Voorbeelden zijn: (1) kunnen communiceren, (2) projectmatig kunnen werken (verschil tussen proces en inhoud), (3) excel, word, powerpoint kunnen gebruiken, (4) een verslag kunnen schrijven, (5) vriendelijk en slim zijn, (6) klantgericht (ook interne klant!), (7) snel nieuwe informatie tot je kunnen nemen, etc. Netzoals dat voedsel veilig moet zijn (daar zal nooit discussie over zijn), gelden deze hygiene factoren ook voor werknemers/collega’s. Daarboven bekijk ik graag wat de USP’s van een werknemer/collega zijn. Wat zou hem of haar een nieuwe ambacht 2.0 kunnen maken?

Lees deel twee: waarom innovatieprojecten mislukken.

Een simpel en kort bericht: FND+ is het verstandigste

Wij in food willen FND+.

Open innovatieprogramma’s moeten blijven, de keten van primaire sector tot voedselverwerking en retail is een heel belangrijke sector. Stop daarom niet de innovatieprogramma’s, en durf eventueel te bezuinigen op de basisfinanciering van de klassieke GTI’s.

Slim bezuinigen (want iedereen snapt dat het nodig is) en durven kiezen voor een innovatieve ondernemende toekomst van Nederland en betekent nu kiezen voor FND+.

Diversiteit en samenwerkingen tussen bedrijven stimuleren, stimuleert de innovatie en dus de economie (meer mensen aan het werk en duurzame economische ontwikkeling), daarmee creëren we Nederland Innovatieland 3.0 (#NLI30).

Innovatiesysteem in NL : korte uitleg m.b.t. huidig R&D&I systeem.

Het huidige innovatiesysteem in Nederland is vrij complex (en ik denk zelfs te complex). Financieel gaan er meerdere miljarden in om (buiten het onderwijs gedeelte). Mijn mening rondom Nederland Innovatieland 3.0 staat hier. Zelf ben ik ook van mening dat we scherper onderscheid zouden moeten maken tussen Research (onderzoek), Development (ontwikkeling) en Innovation (innovatie, impact in de markt) (link2). Vandaar dat ik graag spreek over R&D&I.

Er zijn ruwweg drie ‘kolommen’ te onderscheiden:
1. het wetenschappelijk domein van universiteiten en HBO’s. Financiering verloopt via het ministerie van onderwijs (eerste geldstroom), via de tweede geldstroom (NWO, STW, …) en via een private derde geldstroom. Beoogde doelstelling: Fundamenteel onderzoek en opleiding van excellente denkers.
2. het publiek-private gedeelte met de topinstituten zoals TIFN en DSTI. Financiering verloopt voor ongeveer 25% via de zeer grote bedrijven die gemiddeld 300.000 tot 1.000.000 euro per jaar inleggen. Via een multiplier factor (betaald door EL&I) worden deze middelen uitgezet bij de klassieke kennisinfrastructuur. In de praktijk hebben MKB bedrijven niets te zoeken bij de topinstituten. Ik tel de basisfinanciering van DLO (160 miljoen) en TNO (200 miljoen) overigens ook mee in deze tweede kolom. Beoogde doelstelling: fundamenteel en toegepast onderzoek (maar geen productontwikkeling!) in samenwerking met de industrie.
3. De open en generieke innovatieinstrumenten zoals WBSO (=belastingaftrek) en projectsubsidies (b.v. FND). Deze middelen zijn voor grote en voor kleine bedrijven beschikbaar. En ook de kennisinfrastructuur (TNO, DLO en de universiteiten) worden hieruit betaald. Beoogde doelstelling: vernieuwing in de praktijk gebracht, kortom meer omzet en winst op basis van nieuwe producten.

Een langer stuk is in de maak (maar daar heb ik nu nog geen tijd voor). Eerste adviezen aan de agrofood commissie staan hier. Hieronder alvast een (eerste) powerpoint ter verduidelijking van de drie ‘kolommen’:

Aanvulling 7 februari 2011
Vanochtend kreeg ik onderstaande lange reactie van Caspar (dank!). Mijn reactie staat onder ‘reacties’ hieronder.

Wouter, waar je analyse fout gaat is in de voorveronderstelling van het doel van de verschillende organisaties.

Allereerst is de kennisketen (van fundamenteel onderzoek tot eindgebruiker) veel complexer dan de drie kolommen die jij definieert.
Ten tweede gaat het bij een keten altijd om schakels die in elkaar haken, niet over separate eilandenrijkjes.

1) Het wetenschappelijk domein. Dit bestaat inderdaad uit universiteiten en HBOs. Zij hebben een wettelijke onderwijstaak. Zoals bij elke onderwijstaak is een kwaliteitsvoorwaarde dat de studenten met hun opgedane kennis straks klaar zijn voor een rol in de maatschappij. Dit wordt bereikt door een combinatie van achtergrondkennis en practische kunde. De doelstelling “Excellente denkers” vindt je hooguit terug in de wervingsfolders van de universiteiten.

Verder hebben universiteiten de taak om onderzoek uit te voeren om de algemene stand van de wetenschap verder te brengen.
Zij zijn volledig vrij in wat voor onderzoek dat is (academische vrijheid). Dat zij zich beperken tot fundamenteel onderzoek is persoonlijke wens van jouzelf. Wetenschappelijke excellentie vindt je zowel in het domein van fundamenteel onderzoek als in toegepast onderzoek.

De geldstromen reguleren de aard van het onderzoek:
– De eerste geldstroom is bedoeld voor volledige academische vrijheid. Onderzoekers kunnen er elke soort onderzoek mee doen wat zij willen.
– De tweede geldstroom is bedoeld voor onderzoek met een duidelijk maatschappelijk nut. De overheid stelt eisen aan de kwaliteit en doelstellingen van dit onderzoek.
– De derde geldstroom is bedoeld voor onderzoek ten bate van een private partij. Dat kunnen bedrijven zijn maar vaak ook maatschappelijke organisaties (bijv. de Hartstichting).

Er bestaat geen publiek-privaat domein. Publiek-privaat heeft enkel te maken met opdracht en financiering.
Wel bestaat er een domein voor toegepast onderzoek. In dit domein zijn er, naast de klassieke universiteiten, nog een aantal andere organisaties met een specifieke opdracht voor toegepast onderzoek:
CROs, TTIs en private onderzoeksorganisaties.

– CROs (bijv. TNO en DLO), CROs hebben een wettelijke taak voor praktijkgerichte kennisopbouw (bijv. TNO kennisopbouw voor bedrijfsleven en defensie, DLO voedselveiligheid en landbouwkundig onderzoek). Deze wettelijke taak waarborgt dat er in Nederland een kennisbasis is waarop verdere ontwikkeling en innovatie verder kunnen bouwen. Voor deze taak worden de CROs gefinancierd door de overheid.
Daarnaast doen CROs ook veel toegepast onderzoek, dit zijn doorgaans samenwerkingsverbanden van bedrijven of maatschappelijke organisatie en een CRO. Het gaat hier om precompetatief onderzoek wat ten bate komt van de maatschappij of een branche. Dit onderzoek kan deels gefinancierd worden uit subsidiefondsen.
Tenslotte hebben veel CROs ook de opdracht (vanuit de overheid) om hun kennis beschikbaar te maken voor private partijen. Een bedrijf kan daarom bij een CRO aankloppen met een specefieke onderzoeksopdracht. Dit bedrijf moet dit soort onderzoek uiteraard zelf finacieren.

– Technologisch Top Instituten (TTI). Dit zijn samenwerkingsverbanden van een aantal bedrijven, universiteiten en en CROs. Hun opdracht is om kennis ten bate van de concurrentiekracht van Nederland te ontwikkelingen.
De TTIs worden gefinancierd als publiek-private samenwerkingen, deels uit directe overheidsfinanciering, deels vanuit de deelnemende kennininstellingen (1e en 2e geldstroom) en deels uit de deelnemende bedrijven.
De overheid stelt als voorwaarde dat de ontwikkelde kennis óók beschikbaar wordt voor bedrijven die niet direct deelnemen aan het TTI. Daarnaast kunnen de TTIs aanvullende financieren proberen te krijgen vanuit subsidies (bijvoorbeeld Europese onderzoekssubsidies). Dit zijn altijd precompetatieve subsidies.

– Te derde zijn er in het domein van toegepaste kennisontwikkeling ook nog een heel Scala aan private organisaties. Dit zijn onderzoeksinstellingen die behoren tot één bedrijf (bijv. Danone Research) of eigendom zijn van een aantal bedrijven die samenwerken (bijv. Keygene) of bedrijven die B-t-B onderzoeksopdrachten uitvoeren (bijv. NIZO.). Dit soort bedrijven worden doorgaans privaat gefinancierd. Net als CROs en TTIs kunnen ook deze bedrijven ook gebruik maken van subsidies voor precompetatief onderzoek.

In de laatste schakels van de kennisketen zijn vooral bedrijven en maatschappelijke organisaties zélf aan zet. De overheid ondersteund ze in de uitvoering van innovatie, bijv. door belastingaftrek, bankgaranties, IPR-bescherming, kennistransfer, etc.
Samenwerking met andere bedrijven, universiteiten en andersoortige kennisinstellingen wordt vanuit de overheid aangemoedigd.
In de enige kennisinfrastructuur die de overheid financieel ondersteund in deze schakel van de keten zijn services voor kennistransfer.

Tenslotte: in jouw analyse ga je er vanuit dat het de MKBs zijn die het DOEN. Ik ben het daar hartgrondig mee oneens.
Het hele ecosysteem van R&D&I moet functioneren om de Nederlandse kenniseconomie vooruit te brengen. Het MKB is hierin net zo belangrijk als de CROs, TTIs, universiteiten, multinationals, etc.
Wel is het zo dat MKBs vaak minder kennis en kapitaal hebben om in R&D&I te investeren. Om deze reden dwingt de overheid af dat alle andere spelers bijzondere aandacht besteden aan het MKB. En zijn er er voor innovatieve MKBs specifiek additionele overheidsmiddelen vrijgemaakt.

Enkele tips voor de commissie agrofood van EL&I

Agrofood is door de overheid aangemerkt als een van de topgebieden. Mooi dat is heel erg goed en volkomen terecht. De ambitie is om het met minder regels te doen en met meer nadruk op durfkapitaal en minder subsidie.

In de komende maanden gaat een commissie bestaande uit een vertegenwoordigers vanuit Onderzoek – Overheid – Ondernemers (de 3 O’s), bekijken hoe de drie K’s (Kennis – Kunde – Kassa) in dit domein ingeregeld kunnen worden. Al mijn algemene innovatietips en suggesties om van Nederland een innoverender land te maken heb ik hier al neergezet (#NLI30).

Een korte samenvatting en tevens mijn adviezen aan deze commissie zijn:
1- Innovatie is vernieuwing in de praktijk DOEN. Kennis is ondersteunend, ondernemers zijn de DOENERS. Voorbeelden van high-tech ondernemers zijn Rob Baan en Ojah.
2- Ga niet voor ‘grand designs’. Laat duizend bloemen bloeien. Diversiteit, vernieuwend en economische gezond zijn de trefwoorden voor nieuw beleid. Veilig falen ook.
3- sluit aan bij wat al goed loopt: Het Food & Nutrition Delta programma (FND). Mijn advies is om dit programma uit te breiden met de primaire sector. Ik noem dat FND+, zie ook de steun die inmiddels is gegeven op www.vriendenvanfnd.nl.
4- zorg dat ondernemers de kar gaan trekken. Richt je daarbij specifiek op de high-tech MKB ondernemers. De rol van de kennisinfrastructuur is faciliterend en dienend. En universiteiten en HBO’s hebben vooral een rol bij onderwijs (en minder bij onderzoek, en geen rol bij innovatie).
5- durf flink te bezuinigen op de basisfinanciering van TNO en DLO/WUR. Meer levelplaying field, minder overheidsbemoeiing. De huidige situatie bevordert innovatie beperkt, en resulteert vaak zelfs in frustratie en tegenwerking.
6- betrek een paar inhoudelijke experts ‘innovatiebeleid en innovatiemanagement‘ bij het commissie. Ik denk dat Jan Wouter Vasbinder van grote toegevoegde waarde is bij het proces. De theorie volgt de praktijk. Kortom er is eerst innovatie/DOEN en dan pas onderzoek!