Gepascaliseerde kreeft proeven op 1 oktober

Een paar maanden geleden hebben we een succesvolle klantendag gehouden in Monster bij Koppert Cress. Moshik Roth en Dennis Favier hebben samen gepascaliseerde kreeft klaar gemaakt. Eerder heb ik kort op dit blog al een kort stukje geschreven (link), en ook in de VMT heeft een aardig artikel gestaan (zie topindepers.nl – 2 juli 2010).

Op 1 oktober zullen we in onze nieuwe keuken -we zijn nog aan het verbouwen, dus ik hoop dat tegen die tijd alles klaar is-  een gepascaliseerde oester- en kreeftproefsessie organiseren (stuur ff een e-mailtje, we hebben nog een paar plekken vrij). Deze sessie is spontaan een beetje ontstaan tijdens een discussie op foodlog.nl (zie 25-augustus vanaf 19.01 hr). Waarom toch nog een klein artikel? Simpel, sinds vandaag weet ik ook hoe je een youtube filmpje kunt uploaden (ja, ik loop achter). En dat filmpje wil ik jullie zeker niet onthouden, enjoy:

Aanvulling 2 oktober 2010
– Stukje van Lizet op haar eigen blog “oesters van pascal
– En van de eetschrijver
– En dan mijn eigen opname van 1 oktober (foto’s zal ik tzt ook online zetten):

Jan Peter van Doorn: Een goed product heeft geen marketing nodig

Zelf ben ik geen marketeer, al denk ik natuurlijk wel goed na over ‘verkoop’ en vooral over de toekomst van verkoop(modellen) in relatie tot business modellen. Innovatie en marketing zijn voor mij broer en zus, het is lastig om ze los van elkaar te koppelen. In mijn presentaties mag ik daarom graag gebruik maken van een uitspraak van Peter Drucker uit 1954 (bekijk ook enkele andere uitspraken):

“… any business enterprise has two – and only these two – basic functions: 



marketing and innovation”

Wel zet ik daar ook graag een tweede uitspraak tegenover.

“Markets that don’t exist can’t be analysed” 



The (market) entrence of disruptive innovative technologies will not be predected by marketing departments or consumer panels

Klassiek marketingonderzoek heeft daarom niet veel zin als je bezig bent met disruptieve innovaties, waarbij je per definitie eigenlijk een blue-ocean aan het creëren bent. Een nieuwe productcategorie verzinnen heeft alleen zin als je rekening houdt met (a) de ontwikkeling van nieuwe technologie, (b) zwakke signalen kunt detecteren, (c) rekening houdt met de grote maatschappelijk trends zoals vergrijzing, duurzaamheid, gemak en plezier, (d) je slim nadenkt over het business model (nu is ook helder waarom TOP samen met Harold Van Garderen het bedrijf TOP Innosense recent heeft opgezet 🙂).

Vorig jaar oktober schreef ik een kort stukje over het verschil tussen intrinsiek en extrensieke eigenschappen van producten (in de food sector helemaal lastig). Ik denk dat dit verschil weer kleiner zal gaan worden (Jan Peter, noemt dat hieronder Authentiek). Eerlijk communiceren over producten is natuurlijk ook de basis van kijk of het klopt (zie ook link) Ook een jaar geleden heb ik kort een samenvatting gemaakt van het boek ‘What would google do’ , ook dat boek gaat over de toekomst van ‘verkoop’.

Wat ik interessant vind, is dat onder andere door internet en social media, het aantal communicatiekanalen sterk is gegroeit. Professioneel communicern met impact wordt gek genoeg duurder, terwijl het zenden nu goedkoper dan ooit is. Trek je deze trend door, dan zou je zeggen dat de waarde van een advertentie op termijn gaan afbouwen. En stel dat dat zou is, wat betekent dat dan voor Google en alle andere (media) bedrijven die nu een zakelijk model hebben gebaseerd op reclame inkomsten? Zelf denk ik dat we weer terug gaan naar de nieuwe ambacht (zie ook #CoT dicussie op linkedin) en dat de klassieke verkoop via grote marketingbudgetten op een doodlopend spoor zit (maar een glazen bol heb ik niet). Onze eigen Nederlandse marketing goeroe Jan Peter van Doorn is door Pieternel geïnterviewd en het resultaat staat hieronder (zie ook discussie op foodlog):

Uit het Weekblad Groenten & Fruit – geschreven door Pieternel van Velden: 

Een goed product heeft geen marketing nodig, vindt Jan Peter van Doorn. Zorg dus voor goede producten en leg uit, vertel waarom ze zo goed zijn. Boeren en tuinders hebben geen marketingprobleem, maar een identiteitsprobleem.

Jan Peter van Doorn volgt de agrarische sector al lange tijd. Als reclame- en marketingman pur sang kijkt hij terug op een lange carrière vol campagnes voor grote bedrijven, waaronder de food- en retailsector. In zijn ogen moet de voedingstuinbouw die platgetreden paden niet bewandelen, maar naar nieuwe wegen zoeken.

Wat kan marketing betekenen voor de voedingstuinbouw?
“Marketing is beïnvloeden. Marketing is macht. Marketing is alleen geen wondermiddel meer. Naar mijn mening loopt marketing van de twintigste eeuw op z’n laatste benen. Het is geen geheim dat grote bedrijven op dit moment hun strategie wijzigen, omdat deze niet meer werkt. Het tijdsbeeld verandert. Consumenten laten zich niets meer aanpraten. Ze willen niet voorgekauwd of genept worden, maar eisen echtheid. Ze willen als verstandige mensen worden benaderd, niet als ‘couch potatoes’.

De voedingstuinbouw heeft één voordeel op de voedingsindustrie. De sector heeft weinig aan marketing gedaan, dus hoeft ook niet de ‘ontmarkten’. Zonder die bagage kunnen tuinders dus nieuwe wegen inslaan. Uitgangspunt is het product. Dat moet kwalitatief heel goed zijn. Een goed product heeft geen marketing nodig. Daarover vertelen, die boodschap brengen is genoeg. Jezelf zichtbaar maken, uit het schuttersputje en uit de slachtofferrol is het devies.”

Dat klinkt wel erg makkelijk. “Dat is het in wezen ook, maar de teler zal wel moeten leren zijn verhaal te vertellen. Tot op heden heeft hij verteld dat hij nog meer paprika’s of komkommers kan maken voor een nog lagere prijs. En dat is een doodlopende weg gebleken, want er is altijd iemand die nog goedkoper kan leveren. Het buitenland, bijvoorbeeld.

Natuurlijk is de situatie beroerd. Ik zou er zelf zo ongelukkig van worden als ik zo afhankelijk was van het weer, de bank en het energiebedrijf. Maar ik zou de oorzaak toch voor een belangrijk deel bij mezelf zoeken, in plaats van bij die stomme consument of lakse overheid.”

Waar ligt de toekomst van tuinbouwbedrijven?
“Het gaat volgens mij twee kanten op. Een deel van de ondernemers zal zich richten op industriële productie van groenten en fruit. Dit zijn ondernemers, die je op dit moment van crisis ook nauwelijks hoort. Die vinden hun eigen weg en hebben de anderen niet nodig. Industriële productie is nodig om de bevolking van voldoende voedsel te voorzien.
Volgens kenners hebben we in Nederland bijzonder vruchtbare grond. Als ik alle verhalen hoor over lage rendementen, dan vraag is me af of we die vruchtbare grond wel optimaal genoeg gebruiken.

Een ander deel van de tuinbouwondernemers gaat zich ontwikkelen tot ‘traitteur’. Zij maken iets bijzonders, met een verhaal erbij. Dat kan een bepaalde dienst zijn, een speciaal product of een verwerkt product. 

In relatie tot vruchtbare grond zou dit wel eens een groeimarkt kunnen zijn met behoorlijke rendementen. Tenminste, als ze er in slagen deze producten relevant te maken. Relevant genoeg om de concurrentie met bankstellen, vakanties en dergelijke aan te gaan. Maar in feite geldt dat voor de hele voedingssector. Eten is nog niet belangrijk genoeg.”

Waarom is het voor de teler zo moeilijk om zijn verhaal te vertellen?
“Dat zit als het ware in de genen. De agrariër heeft geen marketingprobleem, maar een identiteitsprobleem. Op het wat scherp te zetten: een ingebakken minderwaardigheidsprobleem. Bang voor de stad, de wereld, de consument.

Ik ken zowel de stad als het platteland. Naarmate de tijd vordert zie ik die twee steeds meer uit elkaar groeien. Agrariërs voelen zich veilig in hun eigen habitat. Dat zie je eigenlijk aan hun hele gedrag. Hun vriendenkring, interesses, het leven in een veilige omgeving. Je ziet eigenlijk niet of nauwelijks dat ze zich ontwikkelen tot wereldburgers. 

Die emancipatie is nodig om meer zelfvertrouwen te ontwikkelen. Met het ontwikkelen van een eigen identiteit ontwikkelen zij ook het vermogen om voor hun product te staan en het voor een eerlijke en goede prijs te verkopen, waarmee de afhankelijkheid en het gevoel van machteloosheid voor de omgeving afneemt.

Eigenlijk verwachten agrariërs dat de stedeling naar hen toe komt. En die bereidheid is er zeker, merk ik. Steeds meer mensen in de stad zijn bewust bezig met hun voedsel, of het nu om gezondheid gaat of culinair genot. Nu die stap om beide werelden samen te brengen.
Breng de stad naar het platteland en andersom. Wat kun je leren van elkaar? Het belangrijkste is misschien wel communicatie. In de stad zitten we boven op elkaar. We moeten wel communiceren om met elkaar om te gaan.
Ik denk trouwens dat dit proces verder gaat dan communicatie. Er ligt ook werk voor architecten en planologen. Integratie van tuinbouw en stedenbouw.”

Maar nu graag een paar ‘vernieuwde’ marketingtips voor boer en tuinder
“Ah, daar zijn we weer: marketing tips.

Okay, als eerste noem ik ‘authenticiteit’. Zorg voor een goede basiskwaliteit en hanteer die norm. Maak dus een product waar jezelf volledig achter kan staan. Twee eigenschappen zijn dan belangrijk: onderscheidingsvermogen of kritisch vermogen en vakmanschap. Eigenschappen die door hoge druk en stress nogal verwaterd zijn.

Dat er in de tuinbouw grote volumes bestaan lijkt onvermijdelijk, maar ook dan blijft het om kwaliteit draaien. Tot nu toe heeft de sector het geluk gehad dat consumenten echte kwaliteit niet herkennen, maar dat begint nu snel te veranderen.

Ik adviseer de tuinder om dicht bij zichzelf te blijven. Past een industrieel product bij hem, of wil hij zich onderscheiden. Laat hem doen waar hij goed in is. En vooral waar hij blij van wordt. Een andere keuze is er niet. Gewoon het goed benutten van kansen en het uitventen van mogelijkheden. Dit alles moet leiden tot wat je de primaire betekenis van marketing zou kunnen noemen: relevant onderscheid. Les één van marketing. Meer marketing is er eigenlijk niet.”

Dat is het?
“Ja. Zorg er voor dat je als sector oogcontact maakt met de samenleving en schudt dat minderwaardigheidscomplex af. Neem deel aan de maatschappij.”

Ontploeteren
Jan Peter van Doorn heeft ruime ervaring in reclame en marketing. Als strateeg werkte hij bij Prad en JWT. Tien jaar lang had hij zijn eigen bureau, Benjamens van Doorn Euro RSCG en werkte voor opdrachtgevers als Heineken, Douwe Egberts, Nuon, ABN, Achmea, Unilever, Delta Loyd, Ministerie LNV, Ministerie Verkeer en Waterstaat en retailers als Albert Heijn en C1000. De afgelopen tien jaar is hij getriggerd door het thema ‘identiteit’. Hij schreef twee boeken: ‘Ontploeteren, zie het, snap het, doe het’ en ‘De ontdekking van je ding’. Je vindt ze op http://www.janpetervandoorn.nl

Aanvulling 22 November 2010
Jan Peter heeft zonet een geweldig stuk geschreven op Foodlog met de titel “ik ben boos”

Privacy en internet? Die combinatie bestaat niet – WieOWie

Schumpeter schreef lang geleden zijn inzichten op over het proces van innovatie. Vernieuwing heeft te maken met nieuwe combinaties (“neue kombinationen“) en heeft te maken met creatieve vernietiging (lees ook nog maar eens What whould google do; better be your own cannibal). In mijn presentaties haal ik regelmatig Schumpeter aan. Op #CoT staat nu een discussie met de titel Is Innovatie een vorm van Combinatoriek? (geplaatst door Hans Konstapel).

Hierbij een voorbeeldje van een nieuwe combinatie. Meta-search engines bestaan al een tijdje, maar wieOwie is een meta-search engine die kijkt naar sociale media zoals linkedin en hyves. Toch wel handig als je iemand zoekt, of als je ‘screenen’. Maar of de privacy hier nu mee is geholpen? Gelukkig heb ik niets te verbergen 🙂 Ach, we kunnen dit soort fenomenen niet tegenhouden.

Nederland Innovatieland 3.0 – De (toekomstige) rol van Universiteiten.

Regelmatig maak ik opmerkingen over de rol van onze universiteiten. Mijn mening, advies zoals je wilt, is met tijd en wijlen ‘direct’ ik weet dat. Ook weet ik dat het ook gaat over posities en banen van mensen en daarmee is het automatisch helemaal gevoelig onderwerp. Toch moeten we juist nu, in deze maatschappelijk transitie periode , de discussie gaan voeren. Zoals inmiddels bekend zal zijn, wil ik weer terug naar de oorspronkelijke basis van universiteiten: Onderwijs, Onderwijs, Onderwijs en Fundamenteel onderzoek (ik hou eigenlijk meer van de Engelse term Basic Research). De huidige manier waarop onze universiteiten (spijtig genoeg hebben ook HBO’s inmiddels ‘onderzoeks’trekjes gekregen) is een doodlopende weg. ‘Valorisatie’, ‘Ontwikkeling’, ‘Business development’, ‘Werken in opdracht’, ‘bilateraal adviseren’ etc. zijn allemaal diensten die gewoon niet horen bij een universiteit. Kortom ontvlechten.

Doordat ik deze -op het eerste gezicht weinig subtiele- mening heb, lijkt het alsof ik anti universiteit ben. Het tegendeel is het geval. Als het aan mij ligt, dan gaan we drie dingen organiseren: (1) een personele krimp op management-niveau en ondersteunende diensten (=meer budget voor onderwijs & basic research), (2) de budgetten van de eerst en tweede geldstroom vergroten (maar ook een verbod of maximalisatie op derde geldstroom), (3) scherper letten op het IP beleid (maatschappelijk bezit kan niet zomaar worden verkocht). Dit alles met als doel om een nog hogere kwaliteit te krijgen. Kortom, ik wil best een universiteit-ambassadeur worden.

Ik heb in mei een houtskoolschets gegeven over de rol van de universiteit in het kader van Nederland Innovatieland 3.0 (het punt over octrooien kan overigens wel worden aangescherpt). Afgelopen dinsdag heb ik lang gesproken met Harold van Garderen en Jan Wouter Vasbinder. Jan Wouter Vasbinder is wat mij betreft overigens ‘de volksprofessor’ op het gebied van innovatiebeleid (al weet Harold minstens net zoveel :-)). Zijn analyses, mening en visie heeft hij opgetekend in diverse boeken. Hieronder een nog nooit eerder gepubliceerd stuk tekst van Jan Wouter Vasbinder, en de inmiddels overleden H. Schweigman. Het is geschreven in 1994 maar de inhoud is nog zeer actueel (de pdf valt hier te downloaden), ik vind het daarom een parel van een tekst!

Publiek gefinancierde universiteiten, studenten en onderzoek
J.W.Vasbinder, H.Schweigman, augustus 1994

Het belangrijkste product van universiteiten is de goed opgeleide afgestudeerde. Goed opgeleid betekent dat hij de theoretische kennis heeft om problemen te kunnen analyseren en de praktische oefening om een chaos van feiten, vooronderstellingen en opvattingen te orde-nen. Goed opgeleid wil ook zeggen dat de afgestudeerde inzetbaar is. Universiteiten zijn er om studenten vertrouwd te maken met methodes waar-mee zijn orde kunnen schep-pen in de informatiebrij die hen wordt aangeboden. Met die methodes kan bestaande kennis worden gemobiliseerd en nieuwe gegenereerd. Studenten maken zich die methoden eigen door middel van onderzoek. De samenleving moet daarvoor betalen want ze plukt er de vruch-ten van in de vorm van nieuwe kennis en mensen die die nieuwe kennis kunnen gebruiken. Kennisoverdracht in optima forma. Zo eenvoudig is het. Tenminste als de kennis relevant is voor de samenleving.

Onderzoek is dus een conditio sine qua non voor het opleiden van studenten. Op welke onderzoeksvraag hij zijn tanden stuk bijt maakt voor een student in principe niet uit. Voor de afgestu-deerde en de samenleving waarin hij terecht komt wel. Het was de mismatch tussen de kennis die wordt gegenereerd aan de universiteiten en de problemen van de samenleving die de overheid er 20 jaar geleden toe bracht transferpunten in te richten. Het doel was de kennisoverdracht te verbeteren, het effect was gering. Logisch, want waar geen vraag vanuit de samenleving wordt gearticuleerd, ontstaat geen relevant aanbod. En waar aanbod zich ongericht kan ontwikkelen, blijft de financier van dat aanbod met zijn vragen zitten. Voor de afgestudeerde betekent dat meer moeite met het vinden van een baan. De kennisoverdracht stagneert en geen transferpunt kan dat verhelpen. Om goed te kunnen opleiden is het ook voor universiteiten van belang dat relevante kennis wordt gegenereerd. En dus is van belang welk onderzoek wordt gedaan.

Er zijn, ons inziens, twee groepen mensen die zich kwalificeren voor de beslissing welk onderzoek moet worden gedaan aan publiek gefinancierde universiteiten. De eerste groep wordt gevormd door die uitzonderlijke geleerden die, gedreven door intuïtie en lef, patronen durven herkennen waar daarvoor slechts chaos was. Zulke vòrsers weten waar doorbraken zijn te verwachten en wat er voor nodig is om die doorbraken te bereiken. En als zij het niet weten, dan weet niemand dat, geen verzameld corps van ambtenaren en geen adviesraden. Gezegend zijn de studenten die onder leiding van deze mensen hun intelligentie kunnen richten op vragen die de grenzen van de kennis oprekken en zich mogen voorbereiden op een leven na de studie. De samenleving moet zulke mensen ondersteuning geven om hun intuïtie te volgen. Zij hoeven de concurrentie kracht van de Nederlandse economie niet te herstellen. Dat moeten anderen doen. Hun taak is het de investering, die de gemeenschap in hen pleegt, om te zetten in nieuwe richtingen van denken en in afgestudeerden die langs die richtingen kunnen denken. De gemeenschap plukt daar op lange termijn geweldige vruchten van. Een extreem voorbeeld is George Boole. In zijn publikatie “An investigation into the laws of thought” uit 1854 legde hij de basis voor de algebra van de enen en de nullen. Pas 80 jaar later werd daar, in de eerste digitale computers, iets bruikbaars mee gedaan. Het duurde daarna nog zo’n veertig jaar voordat de computer en daarmee Booles gedachtengoed een consumentenartikel werd. Een ander voorbeeld is de laser. Het onderliggende fysische verschijnsel werd al in 1917 beschreven door Einstein. Het duurde tot 1960 voor de eerste laser werd gebouwd. Pas in het midden van de jaren tachtig vond de doorbraak naar de consumentenmarkt plaats met de Compact Disk.

De tweede groep bestaat uit ‘prospectors’ of gidsen. Dat zijn mensen die met beide benen in de praktijk staan én weten waar de grenzen van de kennis liggen. Zij wéten waar die grenzen moeten worden opgerekt en kunnen gebieden afbakenen, waarbinnen nieuwe kennis moet worden gezocht die nodig is om de maatschappelijke problemen, die op ons af komen, aan te kunnen. Binnen die gebieden wordt de nieuwsgierigheid van de onderzoeker gericht vanuit die problemen. Daarbuiten is het domein van de vòrser, die zijn eigen richting zoekt. Aan het ontwikkelen van een corps van prospectors is in Nederland nooit iets gedaan. Een organisatie van waaruit zulke prospectors paden kunnen uitzetten tussen praktijk en wetenschap, is er niet. De universiteit zou zo’n organisatie moeten zijn.

De Nederlandse universiteit is zo’n organisatie niet. Onze universiteiten worden bevolkt door een grote groep onderzoekers, die goed zijn in onderzoek en een behoorlijke kennis hebben van hun gebied, maar de richtinggevende spiritualiteit missen die hen het pad wijst naar doorbraken die hun onderzoeksveld in één klap een andere dimensie kan geven. Die onderzoekers doen liever onderzoek dan dat zij onderwijs geven. Zij zijn tevreden met hun salaris en de voorzieningen voor het onderzoek. Tegelijkertijd kampt de Nederlandse samenleving met een kennisinfrastructuur waar jaarlijks miljarden in wordt geïnvesteerd, maar die te weinig tegenwaarde oplevert. De universiteiten maken het grootste deel uit van die kennisinfrastructuur en schieten kennelijk tekort.

Daar zijn oorzaken voor. Eén is dat de overheid het zicht lijkt te zijn verloren op de betekenis van universiteiten voor de lange termijn gezondheid van onze samenleving. In plaats van die helder te maken en te versterken hebben ze de universiteiten ‘gedemocratiseerd’ en vervolgens gedwongen mee te dingen naar de korte termijn gunsten van de industrie. In plaats van de vòrsers te koesteren en een strategische plaats in te ruimen voor prospectors, heeft de overheid de derde geldstroom tot regulerend mechanisme verklaard. Ooit (in 1932) is TNO opgericht met als taak: “te bevorderen dat het toegepast natuurwetenschappelijke onderzoek op de doelmatigste wijze dienstbaar wordt gemaakt aan het algemeen belang”. Nu concurreert de universiteit met TNO.

De resultaten zijn ernaar. Hoogleraren moeten èn onderwijs geven èn onderzoek begeleiden èn bestuurlijke en bureaucratische taken van de faculteit vervullen èn acquisitie doen om de derde geldstroom af te tappen èn het financiële beheer van hun eigen faculteit regelen èn al het overleg voeren dat het gevolg is van de onduidelijkheid die de overheid heeft gecreëerd. En dat terwijl de ene fundamentele reorganisatie van het hoger onderwijs de andere opvolgt. En dan zijn er ook nog die ministers moeten adviseren en optreden voor radio en televisie. Het is een wonder dat er nog studenten afstuderen. Wij denken dat dat komt omdat de studenten willen afstuderen, want daarvoor kwamen ze tenslotte naar de universiteit.

En de resultaten zijn niet beperkt gebleven tot de universiteiten. In plaats van zich te concentreren op het ontwikkelen van nieuwe kennis waarmee de problemen van over vijf tot tien jaar kunnen worden opgelost, richten universiteiten zich op de termijn van 1 tot vijf jaar. Daarmee gaan ze direct in concurrentie met innovatieve high tech bedrijven. In plaats van de motor achter het mobiliseren van kennis te zijn vormen ze een rem op de ontwikkeling van nieuwe bedrijvigheid.

Wat kan gedaan worden om de situatie te verbeteren. In z’n meest radicale vorm het volgende. Herstel het primaat van de opleiding aan de universiteit. Schaf de derde geldstroom af en versterk de tweede. Financier die geheel met gemeenschapsgelden. Sluit lange termijn contracten af tussen de financier van de tweede geldstroom en de universiteiten op basis van onderzoeksplannen die zijn gebaseerd op het werk van de prospectors. Stel ruim middelen ter beschikking voor de vòrsers. Laat de internationale wetenschappelijke gemeenschap mede bepalen wie daar toe behoort. Haal al het onder-zoek dat niet duidelijk bijdraagt aan de kwaliteit van de opleiding weg van de universiteiten. Sluit universiteiten die niet voldoen aan de eisen van een goede opleiding of die liever onderzoek doen dan opleiding geven.

Aanvulling 5 augustus 2010
Passend bij deze draag is het verschil tussen believers en mensen die ergens in geloven. Op foodlog ontstond een discussie over de definitie van believer en het verschil tussen een believer en iemand die ergens in geloofd. Een kort F4I stukje heb ik net geplaatst onder de titel “Het verschil tussen believers en ergens in geloven

Aanvulling 20 november 2010
Goed stuk van Grahame Lock in de Groene Amsterdammer. Veerman heeft ongelijk wat mij betreft.

Waarom het moeilijk is om rijp fruit in de super te krijgen – I

Een keer in de zoveel weken dan gaat het onderwerp op foodlog over rijpheid en smaak van fruit. Het wordt tijd om wat meer te schrijven over dit onderwerp mijn F4I

Rijpheid is een lastig onderwerp. Om te beginnen hebben we te maken met het begrip biologische variantie. Binnen een partij pas geoogste meloenen, tomaten of appels komt een grote variatie in groottes, smaak en nutritionele waardes voor. De sinaasappel aan de zonkant van een boom heeft een andere nutrientensamenstelling dan aan de schaduwkant. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat de externe omstandigheden tijdens het groeien nooit exact gelijk zijn (fenotype). Toch is het genotype wel gelijk. Olaf van Kooten en Pol Tijskens hebben het begrip biologische tijdconstante bedacht (meer later hierover).

Het vertrekpunt van een batch is dus al niet homogeen. Nu wordt deze inhomogeniteit alleen maar groter in de keten. Ook de externe omstandigheden in de keten verschillen (iets meer of minder ligt, verschil in temperatuur of lokale ethyleenconcentraties etc.). Dit is een onderwerp waar we vanuit TOP veel aan werken (EMAP, ULO, CA, Lage temperatuuropslag, terugkoelen, aanhangend water etc.).

Ik zal proberen de komende weken over dit onderwerp wat meer te gaan schrijven. Hierbij alvast enkele verwijzingen naar artikelen waarin gesproken is over ‘rijping’ op Foodlog:
Je moet de perziken van PLUS hebben
Nooit meer slechte meloenen?
Een nectarine in Maart.
Help Vers!

Aanvulling 12-2-2011.
Webwinkels zijn niet de oplossing is mijn stelling. Zonder goede keten, zonder goede kwaliteit en vooral zonder kwaliteitsmonitoring gaat een webwinkel geen voordelen hebben.
lees ook maar eens foodlog

Geen Innovatie zonder Motivatie!

“Geen innovatie zonder motivatie” is het pamflet van Ronald Van Raak (SP, zoals jullie inmiddels weten niet echt mijn politieke kleur). Ik had het een tijdje geleden al gelezen, maar zonet verwees Guus Loehlefink op #CoT nogmaals naar een link in de discussie met de titel “Innovatieplatform is mislukt”. Ronald doet zijn achternaam eer aan. Zijn pamflet is raak. Lees het pamflet hier nogmaals op de SP site na. Hieronder enkele citaten uit het betreffende stuk die mij wel aanspreken:

De activiteiten van het Innovatieplatform zullen de gewenste nieuwe gouden eeuw niet dichterbij brengen. Niet in de wetenschappen, maar ook niet in de economie. Het tegendeel zal eerder het geval zijn: vernieuwingen in het bedrijfsleven en in de publieke sector worden juist beperkt. Bestaande tendenties als minder academische vorming in het hoger onderwijs en een afnemende onafhankelijkheid van het wetenschappelijk onderzoek zullen worden versterkt. Een innovatieve samenleving is niet mogelijk zonder gemotiveerde mensen. Herstel van de institutionele trots in bedrijven, overheden en scholen is een eerste voorwaarde om bange ondernemers, wantrouwende ambtenaren, gebonden onderzoekers en calculerende studenten te motiveren tot innovatie.

Ik deel deze stelling in eerste instantie gaat het om motivatie en de inzet van talent. En motivatie zou wat mij betreft moeten gaan om intrinsieke motivatie. Ondernemerschap en de bijbehorende trots zijn daarnaast ook belangrijk om een echte innoverende samenleving te creeeren.
……

Zoals het mislukken van de in 2000 opgestelde Lissabon-agenda, die Europa in 2010 zou moeten omvormen tot de meest competatieve en dynamische kenniseconomie in de wereld. Veel kritiek is er ook op de weinig innovatieve samenstelling van het Innovatieplatform, dat in de beste poldertraditie weer veel oude gezichten uit de politiek, de publieke sector en het bedrijfsleven bij elkaar heeft gebracht.

Ik die altijd wat lachering over “kenniseconomie” en de lissabon criteria. Indicatoren als R&D als % van BNP zeggen helemaal niets over innovatievermogen. Ook ben ik voor een innovatiemaatschappij (want deze levert geld op) en niet voor een kennismaatschappij (want deze kost geld).
……

Het louter commerciële karakter van innovatie komt ook tot uitdrukking in de definitie die wordt gehanteerd door de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid, die innovatie omschrijft als ‘het met succes naar de markt brengen van nieuwe, verbeterde, of meer concurrerende producten, processen, diensten of organisatievormen. Maatschappelijk nut wordt hier opgevat in termen van commerciële meerwaarde. Terecht merkt de Adviesraad op dat innovatie niet hetzelfde is als inventie, of het bedenken van iets nieuws. Door deze definitie te kiezen worden veel problemen uit de weg gegaan, zoals de vraag hoe in een samenleving de te vermarkten vernieuwingen het beste tot stand worden gebracht.

Dit is een lastige, ook ik maar expliciet onderscheid tussen innovatie en inventie (zie ook definities). Maar innovatie kan ook gaan om het maatschappelijk of sociale effect van de inventie wat mij betreft.
……

In Trouw stelde hij vast dat ondernemers creatiever moeten worden en meer lef moeten tonen. ‘Ondernemerschap en het nemen van risico’s zit niet zo ingebakken in onze cultuur’, meldde ook staatssecretaris Van Gennip aan de Tweede Kamer.

Tja, dat is spijtig genoeg waar. Bij ons vragen potentiele ondernemers vaak naar ‘hun pensioen’, dan weet ik al voldoende. De zekerheid blijft belangrijk.
……

Dat nu subsidie wordt gegeven aan de meest veelbelovende bedrijven lijkt op het eerste gezicht een investering in succes. Maar als deze sectoren zo succesvol zijn, waarom is dan overheidssteun noodzakelijk? Het is een onbewezen aanname dat juist de grootste bedrijven het meest innovatief zijn. Veel is ook te zeggen voor steun aan nieuwe en kleine ondernemingen

Dit is een lastige. Ik ben gedeeltelijk voor het suporten van een beperkt aantal sectoren. Sectoren die passen in een lange termijn strategie (b.v. verduurzaming). Ik vind echter ook dat grote en sterke bedrijven zelf hun broek op zouden moeten kunnen houden. Support high-tech MKB is beter, en geef grote bedrijven een subsidieplatform.
……

In debatten over innovatie wordt vaak gesproken over de zogenaamde ‘kennisparadox’, d.i. het verschijnsel dat in Nederland relatief weinig van de aan universiteiten en onderzoeksinstituten ontwikkelde kennis commercieel wordt toegepast. Het is echter de vraag of dit in de eerste plaats is toe te schrijven aan de universiteiten, of veel meer aan het gebrek aan ondernemingszin bij bedrijven en overheden.

Dit is natuurlijk een waarheid als een koe. De Valley of Death overbruggen is de grootste uitdaging. En hier ligt de taak van ondernemers (en niet van universiteiten. Ik heb zelf niets met ‘ondernemende universiteiten’).
……

Ook in het universitaire onderzoek heeft de markt al volop haar intrede gedaan. Een snel toenemend aandeel van het academisch onderzoek wordt gedaan in opdracht van bedrijven en overheden. Tevens is er sprake van een enorme toename van het aantal bijzonder hoogleraren, die vaak ook inhoudelijk nauwe banden onderhouden met hun subsidieverleners. Het binnenhalen van externe opdrachten is een steeds belangrijker criterium waarop hoogleraren op dit moment worden afgerekend.

Klopt, het resultaat is kwalitatief en kwantitatief minder baanbrekend onderzoek. Mijn ideeen over de rol van de universiteiten heb ik duidelijk gemaakt in Nederland Innovatieland 3.0.
…..

Ook de politiek kan hier een grote rol spelen, door beter toezicht op sponsoring en derdegeldstromen, door meer te investeren in zuiver wetenschappelijk onderzoek en hoger onderwijs en door het optuigen van een toegankelijk stelsel van studiefinanciering.

Hier wordt ook in de #CoT brief aan de informateur naar verwezen. Ook pamflet in de maak rondom #NLI30 gaat hier over.

Aanvulling 10 augustus 2010:
Over motivatie, en vooral de rol van beloning op motivatie, is een leuk filmpje gemaakt.

Nederland Innovatieland 3.0 – En toch is subsidie nog niet zo gek

Ik zal er geen gewoonte van maken om zomaar een artikel schaamteloos te kopiëren; maar nu doe ik het toch. Bij mijn visie rondom Nederland Innovatieland 3.0 geef ik vaak aan, dat je beter kunt lenen dan kunt subsidiëren. Subsidie is immers schenkgeld, en dat geeft eigenlijk verkeerde prikkels. Ben ik daarom TEGEN subsidie? Nee, dat zeker niet. Hieronder schrijft George Vlug waarom er best reden zijn om WEL een subsidiesysteem te willen blijven hebben. Ik deel zijn argumenten.

Vaak kijken ondernemers met een schuine blik naar subsidies. Noodzakelijk kwaad, vergelijkbaar met de belastingaangifte, een tetanusprik of een bezoek aan schoonmoeder. Dat is begrijpelijk.

De wirwar aan wet- en regelgeving, de vuistdikke programma documenten en de uren aan werk die het kost om een subsidie in te dienen, zijn nu niet bepaald de meest leuke ondernemingen, echter daarmee niet minder noodzakelijk. Sterker nog, subsidies zijn in deze tijd misschien wel de redding voor de innovatie, ontwikkeling en creativiteit binnen je bedrijf.

In tijden van economische tegenwind bezuinigen bedrijven snel op de marketing, innovatie en R&D-uitgaven. Vaak is dit onverstandig, want het zijn nu juist deze aspecten die je organisatie helpen nieuwe markten open te breken, de klant te binden en de medewerkers geïnspireerd te houden. Het is goed mogelijk dat je je niet gesteund weet in dit standpunt en net als elke andere innovator te maken krijgt met de bekende bedreigingen voor de innovatie binnen het bedrijf. Ik heb de meest gehoorde punten van kritiek even op een rij gezet, maar deze ook direct aangevuld met een mogelijke oplossing vanuit de beschikbare subsidies.

Bedreiging 1: Onvoldoende kapitaal
Bij de bank hoef je nu niet aan te komen voor de financiering van je innovatie-activiteiten en ook is het steeds moeilijker om hiervoor intern geld beschikbaar te krijgen. Wel zijn er veel subsidiemogelijkheden die je kunnen helpen bij de financiering van uw project. Vaak is het een kwestie van het juiste project op het juiste moment uitrollen.

Kijk eens naar de thema’s die worden gesteund binnen je regio. Woon je bijvoorbeeld in de Randstad en wil je iets innovatiefs ondernemen binnen bijvoorbeeld het vakgebied ICT/nieuwe media of Life Sciences, dan zul je wellicht veel hebben aan het ‘Pieken in de Delta‘-programma.

Daarnaast zijn er interessante fiscale regelingen. Zo kun je bijvoorbeeld gebruik maken van de innovatiebox, hiermee verlaag je het percentage van de vennootschapsbelasting. Ook heb je recht op tot wel 64% subsidie op de loonkosten voor productontwikkeling via de WBSO-regeling. Je kunt deze fiscale voordelen gerust stapelen met andere subsidies. Dat geldt ook voor bureaus die in opdracht werken.

Bedreiging 2: Onvoldoende know-How
Succesvolle innovatie begint overwegend met goed onderzoek. Er is binnen de organisatie alleen niet altijd de nodige kennis aanwezig. Hier kun je twee dingen aan doen. Je kunt je eigen medewerkers verder opleiden, of je kunt kenniswerkers van buitenaf inhuren. In beide gevallen zijn er goede subsidiemogelijkheden. Zo kun je in veel gevallen de medewerkers gratis laten scholen, dat wil zeggen; je kunt de kosten in mindering brengen op de loonbelasting. Vaak kunnen interne opleidingstrajecten daar ook voor in aanmerking komen, mits in de juiste constructie.

Ook zijn er vouchers beschikbaar waarmee je expertese van buitenaf kunt financieren. Een soort tegoedbon voor onderzoek zeg maar. Deze kunt je gebruiken bij kennisinstellingen, universiteiten, maar ook bij adviesbureau’s.

Wanneer jijzelf in de coaching of advisering zit, zou je deze regelingen kunnen gebruiken om je diensten grotendeels gratis aan te bieden.

Bedreiging 3: Te hoog risico
Innovatie draait om risico’s nemen. Trial by error, experimenteel onderzoek. “Als je nooit onderuit gaat, heb je waarschijnlijk niet hard genoeg gerend.”

Echter, de financieel verantwoordelijke heeft vaak heel andere idealen. “Als ik vandaag ergens een euro in stop, moeten er morgen twee uit rollen”. Dat is bij innovatie zelden het geval. Dit is nu juist het risico waar iedereen zo bang voor is in deze tijd. Uiteraard is dit gegeven slecht op te lossen, maar je kunt wel proberen het risico zoveel mogelijk te beperken met subsidies.

Want wanneer je elke euro die je in innovatie steekt voor een groot deel weer terug krijgt via subsidies en andere overheidsreglingen, is het risico steeds beter te verantwoorden. Bij een optimale inzet van de beschikbare fiscale regelingen, opleidingssubsidies en kansen binnen nationale en regionale subsidie-thema’s, kom je vaak een heel eind. Sterker nog, ik sluit niet uit dat je als bedrijf zelfs winst maakt op innovatieve activiteiten voordat überhaupt een marktintroductie plaats vindt.

Samenwerking
Ook is het denk ik verstandig om te kijken naar mogelijke samenwerkingsverbanden. Immers, je bent niet de enige die vooruit wilt. Er zijn tal van ondernemers binnen uw branche, vakgebied of regio die met dezelfde problemen en uitdagingen spelen.

Wanneer je deze belangen weet te bundelen heb je goud in handen. De overheid stimuleert deze samenwerkingen namelijk voluit. Niet alleen kun je gebruik maken van elkaars expertise, vergroot je de mogelijkheden voor een passende impelementatie en spreidt u de risico’s, ook ontstaan er tal van interessante subsidies. Denk bijvoorbeeld aan het IPC of Kansen voor West. Het kan daarom waardevol zijn om je met je innovatievraagstukken te wenden tot een branchevereniging of de regionale businessclub.

Overwegend zijn er vele kansen voor ondernemers op het vlak van subsidies, slechts zelden worden deze ten volle potentie benut. In deze tijd waarin de druk op innovatie steeds meer toeneemt, kunt u ze gebruiken om uw daadkracht te behouden of zelfs te vergoten en het venijn uit de risico’s te halen, want zeker nu geldt; stil staan is ……..

George Vlug

Populariteit Twitter – privé versus bedrijven.

Sinds een jaar ben ik zelf actief op twitter. Naast dat een zekere vorm van verslaving is, heb ik het toch als een zeer nuttig communicatiemedium leren ervaren. Tweetdeck staat altijd aan (ook op de iphone), en ook heb ik drie keer eerder hier op dit blog aandacht besteed aan twister (NL verkiezing, mentionmap en twitter oprichter Evan Williams). Bij TOP hebben we ook een twitter account, maar dat gebruiken we nog niet zo vaak (@TOPbv).

Afgelopen week is bekend gemaakt dat de 20 miljardste tweet is verstuurd (zie De Telegraaf). En inmiddels komen er ongeveer 300.000 nieuwe twitter-accounts per maand bij. Twirus heeft onderzocht hoe het zit met de Nederlandse twitteraars (link). Het aandeel bedrijven is nog relatief klein. In dit artikel zijn de grafiekjes te vinden.