Halve meter schapruimte voor beta producten #FNGO

Naast de algenvegavlees primeur, was er op de Grand Opening van Food & Nutrition Delta nog een primeur. Nou, ja een primeur in de zin dat het met meer mensen besproken is (waaronder Marc Jansen en Peter Jens) en dat gisteren -na overleg met ondergetekende- het idee via Twitter de wereld in is gestuurd. Dick zal een dezer dagen een stukje plaatsen op Foodlog. Het idee heeft de werktitel “een halve meter schapruimte met beta’s”. Op een goed herkenbare plek in de supermarkt worden producten neergelegd die natuurlijk veilig zijn, maar verder nog niet af zijn. Het kan zijn dat de verpakkingsgrafiek (‘het plaatje’) nog niet af is, of dat de receptuur nog niet geoptimaliseerd is. Kortom beta’s net zoals je in de ICT met beta programma’s werkt en op basis van klant reacties het product verder gaan ontwikkelen.

De achtergrond van het idee.
Zoals bekend is, is een van de drie activiteiten die bij TOP wordt uitgevoerd productontwikkeling (ook wel populair food design genoemd). Wij werken heel veel voor MKB bedrijven, met een kleiner budget. Voor dergelijke ondernemingen zijn er eigenlijk twee bottlenecks (1) gebrek aan financiële middelen om een ‘professionele’-stagegate-ontwikkelprocedure-projectmanagement aanpak op te zetten zoals gangbaar is bij multinationals. (2) gebrek aan een eerste afzetkanaal (= launching customers). Beide problemen kunnen door dit idee verholpen worden.

De laatste jaren ben ik zelf natuurlijk helemaal “into social media” en hierdoor kom ik vaak in aanraking met software ontwikkelaars. Ik ben tot de conclusie gekomen dat productontwikkeling bij voedselproducerende bedrijven eigenlijk een (ouderwets) binair proces is. Je ontwikkelt, maakt het nieuwe product, test het product op grote schaal met consumentengroepen, en lanceert dan. Dit is een alles of niets situatie, die ook vanuit zakelijk perspectief erg risicovol is. Productontwikkeling kan vele euro-tonnen kosten. En zoals eerder gezegd waarom adopteren we het ontwikkelmodel ‘werken met beta’s’ niet?

Ook ben ik erg geïnspireerd door Brigitte die als ‘early adopter’ regelmatig nieuwe producten koopt en test uit nieuwsgierigheid. In december 2009 heb ik in het geheim dit idee besproken met een goede (en grote) klant van ons. Aan het begin van dit jaar heb ik dit idee uitvoerig besproken met Bert Tournois, Harold van Garderen en in een later stadium regelmatig met Dick Veerman. Dick is ook erg enthousiast en heeft het idee al onder geheimhouding neergelegd bij een bank en bij een retailer. Gisteren hebben we met Marc Jansen (CBL) gesproken en Peter Jens. Na een telefoontje tussen Dick en ondergetekende hebben we besloten om het idee in het publieke domein te leggen (zie eerste tweets). Het is nu een kwestie van gaan doen!

Het beoogde effect van de halve meter beta
Het beoogde effect van dit idee is om de lancering van nieuwe innovatieve producten te versnellen, om participatie van het publiek (co-creatie) in een supermarktomgeving te bevorderen en te faciliteren, en de kans op mislukking te verkleinen. En vooral om de vaste ontwikkelkosten van voedselproducenten te verlagen (en daarmee dus het risico). Ook denk ik dat dit de manier is voor producenten van vers (waaronder tuinders) een platform te geven voor productinnovaties. Vermoedelijk is de Rabobank hier een voorstander van dit idee.

Het belangrijkste beoogde effect is om de groep van moderne consumenten nog meer innovatieve keuzes van gezonde en duurzame producten te kunnen aanbieden. Kortom dit kan een grote win-win worden.

Wat is een beta voedselproduct?
Ik denk dat dit voor zichzelf spreekt. Het gaat om producten die nog niet helemaal af zijn. Het kan zijn dat de receptuur wel af is, maar de verpakking nog niet. Het kan zijn dat er nog twijfel is over de grootte van de verpakking, of dat er nog tussen de verschillende design-varianten moet worden gekozen. Maar het gaat niet alleen om de verpakking. Ook een goedkope wellicht iets minder lekker recept, kan vergeleken worden met een duurder lekkerder recept. Ook kan het zijn dat er twijfel is over de positionering en de juiste doelgroep. Producten mogen maximaal 1 a 2 maanden in de halve meter beta liggen. Daarna is het (a) doorstoten naar het reguliere schap, (b) ook weg bij de halve meter beta, want geen succes.

Er is 1 harde eis: producten moeten altijd veilig zijn. Normaal is daar de QA manager verantwoordelijk voor. Maar in dit geval stel ik voor om via het ‘platform’ (zie hieronder) HACCP en levensmiddeltechnologen beschikbaar te stellen om de veiligheid te beoordelen. Aan de andere kant, zal wel met de klanten gecommuniceerd worden, dat het gaat om prototypes. De halve meter beta kan derhalve de kraamkamer worden voor grote en kleine voedselproducenten!

Wat is er voor nodig om een dergelijk concept ook uit te gaan rollen?
Hierover kan ik kort zijn:
1- een supermarkt(keten) met lef. Een halve meter schapruimte ‘geven’ is enorm duur, en er is een reëel ondernemersrisico dat er geen ROI is. (al denk ik dat de ROI zeer positief gaat uitpakken, ik zal hier eerdaags eens aan gaan rekenen). De upsite is natuurlijk geweldig. Meer en vaker bijzondere producten in het schap, consumer-intimincy, en de mogelijkheid om grootschalig naar klanten te gaan luisteren zonder hen lastig te vallen met klassieke ‘survey’s (Sensemaking via TOP-Innosense)
2- een platform waar ontwikkelaars op een veilige manier hulp kunnen krijgen. Dit platform mag zelf geen zakelijk belang hebben. Zelf denk ik dat hier een goede rol ligt voor Food & Nutrition Delta of Syntens en voor media zoals Foodlog.nl. Dit is een coördinatie en regel platform, waar de vriendjes van de ontwikkelaar zitten. Hier zitten geen koks, verkopers, designers, verkopers van machines, etc. etc. Eventueel moet er een nieuwe stichting worden opgericht. Natuurlijk beheert het platform ook een website waarop reacties van consumenten over het product achtergelaten kunnen worden.
3- de mogelijkheid om onder begeleiding van professionals -u raadt het al waaronder de mensen bij TOP 🙂 – op pilotschaal producten te kunnen gaan maken in relatief kleine aantallen, maar voldoende grote aantallen om wel winkels van voorraad te kunnen voorzien. Bij TOP heb ik de laatste jaren gewerkt aan een netwerk van samenwerkingen, waardoor dit nu geen bottleneck meer is. Ook voor nieuwe technieken zoals PurePulse en Pascalisatie zijn inmiddels faciliteiten beschikbaar.
4- aanbod van allerlei ondersteunende diensten: van webdesigners, tot aan marketeers, grafisch vormgevers tot grondstoftoeleveranciers. Deze groep bedrijven en organisaties heeft een duidelijk zakelijk belang, en mag een beetje gaan meebetalen aan de oprichting en inrichting van het platform (uiteraard kan dat ook in-kind zijn) 🙂

(misschien kan dit concept gecombineerd worden met een leuk TV programma?)

aanvulling 2 oktober 2010
Enkele eerste reacties staan op foodlog. Het zal me niets verbazen als er nog een separaat artikel komt op dat betreffende medium 🙂

Ons eigen poep en pies kan onze wereld redden!

Afgelopen mei 2010 schreef ik een kort stukje over mijn bezoek aan Annechien. In het zelfde stukje met de prikkelende titel Nederland als groot agro-businesspark, schreef ik over het sluiten van de fosfaatkringloop en vooral het belang van de verwerking van ons eigen menselijke poep en plas. Het artikel Ik ga in Algen gaat eigenlijk ook over dit onderwerp (=fosfaatkringloop sluiten).

Op Foodlog verscheen eind mei van mijn hand het stuk met de titel “Zolang we poep en pies wegspoelen, hoeven we ook niet biologisch te eten“. Vandaag krijg ik van Hendrik J. Kaput een link naar een artikel op Lowtech MagazineUw stoelgang kan de wereld redden“, met een fantastisch historisch overzicht over dit onderwerp:

Uw stoelgang kan de wereld redden

Bemesting

Ieder van ons spoelt dagelijks, afhankelijk van de olieprijs, nietsvermoedend voor 1,5 euro tot 7 euro bodemverbeteraars door het toilet. Het zou een leuke bijverdienste kunnen zijn. In Azië waren de grote en kleine boodschap 4000 jaar lang belangrijke handelswaar. De Chinezen konden door het gebruik van menselijke mest in de landbouw een grote bevolking voeden zonder hun rivieren te vervuilen, terwijl de steden in het Middeleeuwse Europa veranderden in open riolen.

Eind negentiende eeuw werden ook bij ons systemen in gebruik genomen die gericht waren op de verzameling en het hergebruik van menselijke mest, maar ze raakten in de vergetelheid door de opmars van het spoeltoilet. Doorspoelen is makkelijk, maar het berooft landbouwgronden van essentiële voedingsstoffen en maakt de voedselvoorziening afhankelijk van fossiele brandstoffen. (foto)

——————————————————————————————————–

Auto’s, lange vliegreizen, vleesconsumptie, elektronische gadgets, gebotteld water: het zijn meestal de eerste zaken die in vraag worden gesteld als het over het verkleinen van onze ecologische voetafdruk gaat. Maar één van de grootste milieurampen voltrekt zich in onze badkamer. Het onschuldig ogende spoeltoilet of watercloset – algemeen beschouwd als een teken van beschaving – heeft een verrassend grote impact. Onze afhankelijkheid van het spoeltoilet zorgt niet alleen voor aanzienlijke milieuvervuiling, maar bedreigt zelfs de voedselvoorziening. Helaas is het watercloset ook één van de grootste milieutaboes: we praten veel liever over elektrische auto’s dan over onze eigen afvalstoffen – die in feite geen afvalstoffen maar waardevolle grondstoffen zijn.
Natuurlijke kringloop
Het spoeltoilet doorbreekt een natuurlijke kringloop in de voedselvoorziening. Bij het kweken van gewassen worden voedingsstoffen aan de bodem onttrokken: kalium,stikstof en fosfaat zijn de belangrijkste. Gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis werden die stoffen netjes aan de bodem terug gegeven. Net als andere dieren deponeerde de mens zijn afvalstoffen in de natuur, waar ze door bodemorganismen werden gerecycleerd. Maar naarmate we steeds talrijker werden en dicht op elkaar in grote steden gingen wonen, werd die methode steeds problematischer. 
Open riolen
Dat het spoeltoilet en de riolering als een teken van beschaving worden beschouwd, heeft alles te maken met de ellendige omstandigheden in Europa vanaf de Middeleeuwen tot het begin van de Industriële revolutie, toen de geconcentreerde en ongeorganiseerde verspreiding van menselijke uitwerpselen in het grondwater en in open riolen dodelijke ziektes zoals cholera en tyfus veroorzaakte. Mensen deden hun gevoeg op straat of leegden hun toiletemmers in slecht afgesloten beerputten of in de gracht (bij de rijken werkte dat ‘systeem’ sinds de Middeleeuwen zelfs automatisch – zie foto hieronder).
Toilet middeleeuwen 
De kern van het sanitaire probleem was dat er geen scheiding bestond tussen de drinkwatervoorziening en de “voorzieningen” ten behoeve van ontlasting (en ander afval). Het spoeltoilet was echter maar één mogelijke technologische oplossing daarvoor, en helaas niet de beste. De oplossing van toen is het probleem van vandaag.
Kunstmest en zuiveringsstations
Vandaag geven we de essentiële scheikundige stoffen die de bodem vruchtbaar houden, niet meer terug. We spoelen ze door naar de zee. Dat levert drie problemen op. Ten eerste hebben we tonnen kunstmest nodig om de bodem vruchtbaar te houden. Van 1950 tot 1990 steeg de globale consumptie van kunstmest met duizend procent, van 14 miljoen ton tot 140 miljoen ton. In 2008 was dat 160 miljoen ton (cijfers FAO: 1 & 2). De groeiende wereldbevolking en de productie van biobrandstof beloven het gebruik van kunstmest nog verder de hoogte in te jagen. 
Ten tweede hoort er bij het spoeltoilet een kostelijke infrastructuur van rioolwaterzuiveringsstations (RWZI’s): we kunnen immers niet zomaar onze afvalstoffen in rivieren en zeeën lozen, want dan gaan alle vissen (en badgasten) dood. Als er geen rioolwaterzuiveringsstations in werking zijn, en dat is helaas op nog veel plaatsen het geval, zorgt het spoeltoilet voor dode rivieren en ondrinkbaar water. 
——————————————————————————————————–
Het spoeltoilet verbruikt – onrechtstreeks – erg veel energie
——————————————————————————————————–
Ten derde slokt het spoeltoilet een grote hoeveelheid zoet water op – drinkwater dat met veel moeite opgepompt en gezuiverd werd (en lang niet altijd hernieuwbaar is, zie het artikel “Fossiel water raakt op“). Ieder van ons verbruikt op deze manier gemiddeld 15.000 liter drinkwater per jaar.
Natuurlijke kringloop humanure
In essentie verbruikt het spoeltoilet veel energie, en dat is het fundamentele probleem. Kunstmest wordt gemaakt met behulp van fossiele brandstoffen. De productie van 1 kilo stikstof vraagt 78 megajoule, vergelijkbaar met de ingebedde energie van een kilogram plastic. De productie van kunstmest is bovendien een toxisch proces. Ook het zuiveren van rioolwater kost veel energie: in Nederland zo’n 800.000 megawattuur per jaar, iets meer dan het totale verbruik van openbare verlichting (bron, pdf). Tot slot kost ook de productie van zoet water (gebruikt om door te spoelen) veel fossiele brandstoffen (zie het artikel “Water vreet energie, energie vreet water“).
We weten allemaal dat fossiele brandstoffen uitgeput zullen raken, en dus is dit hele systeem op termijn onhoudbaar. Zonder fossiele brandstoffen ligt er geen eten meer op ons bord. Kalium en fosfaat zijn evenmin onuitputtelijk. Op kortere termijn dreigen stijgende olieprijzen zowel landbouw en waterzuivering steeds duurder te maken. Tenzij we natuurlijk onze dagelijkse boodschap ten gelde maken. 
Volgens onderzoekster Grietje Zeeman van de Universiteit Wageningen is alleen al de hoeveelheid nutriënten in de urine die één persoon per jaar produceert, voldoende om in de jaarlijkse graanconsumptie van diezelfde persoon te voorzien.Als we menselijke “afvalstoffen” consequent als meststof zouden inzetten, brengt een groeiende wereldbevolking dus ook een groeiende hoeveelheid meststoffen met zich mee. 
Chinese landbouw draaide op menselijke mest
“Toen in de zomer van 2008 de prijs voor een vat ruwe olie gestegen was tot 140 dollar mailde één van onze overzeese donateurs mij vanuit de Filipijnen dat de rijstbouwers in zijn dorp de kunstmest niet langer konden betalen”, vertelt Sietz Leeflang, initiatiefnemer van het ecologisch centrum “De Twaalf Ambachten” en al dertig jaar in de weer met rioolvervangende technieken. “Dat was voor mij het gepaste ogenblik om een boek tevoorschijn te halen dat ik eind jaren zeventig in handen kreeg: ‘Farmers of forty centuries‘, het levenswerk van de Amerikaanse landbouwkundige en grondlegger van de bodemkunde F.H. King, gepubliceerd in 1911. Het is een verslag van een maandenlange studiereis door Japan, China en Korea. In één van de hoofdstukken [Hfd.9] beschrijft King het Chinese landbouwsysteem, dat 4000 jaar standhield dankzij het consequente gebruik van menselijke uitwerpselen als landbouwmest.”
——————————————————————————————————–
In Japan betaalde je minder huur naarmate je de huiseigenaar meer uitwerpselen toezegde
——————————————————————————————————–
Begin twintigste eeuw stond het drinken van rivierwater in Europa of Noord-Amerika bijna gelijk aan zelfmoord, aangezien uitwerpselen ongezuiverd de grachten werden in gespoeld. Maar omstreeks diezelfde tijd kon je het water uit de grote Chinese rivieren drinken, zonder gevaar voor cholera of andere ziektes.
China mestkar 
Menselijke mest werd, samen met ander organisch afval, met de grootste zorg en discipline ingezameld, gecomposteerd en over de akkers verspreid. De mest werd verzameld in terracotta kruiken van 250 tot 500 liter, die afgesloten werden vervoerd. Eén van die grote Chinese steden (Hankow-Wuchang-Hanyang) telde bijna 1,8 miljoen inwoners, samengepakt in een gebied met een diameter van 6,5 kilometer.
Stront als handelswaar
Sietz Leeflang: “Een stad als Sjanghai verhandelde en distribueerde via een speciaal aangelegd kanalennetwerk en met honderden vaartuigen [foto hieronder] de opbrengst van de toiletten van zijn inwoners, een handel die jaarlijks honderdduizenden dollars opbracht. Een Chinese zakenman betaalde in 1908 het niet geringe bedrag van 31.000 dollar om in een bepaald stadsdeel van Sjanghai jaarlijks 78.000 ton menselijke mest te mogen afvoeren naar de boeren op het platteland. Het was op het Chinese platteland niet ongewoon om langs de weg bordjes te zien hangen waarop voorbijgangers werden uitgenodigd om ter plaatse hun behoefte te doen: menselijke mest was veel geld waard. In Japan betaalde je minder huur naarmate je de huiseigenaar meer uitwerpselen toezegde.”
Logistiek humanure sjanghai 
Ten tijde van het bezoek van King werd in China (dat toen 400 miljoen inwoners telde) jaarlijks meer dan 182.000.000 ton menselijke mest ingezameld in dorpen en steden, waardoor 1.160.000 ton stikstof, 376.000 ton kalium en 150.000 ton fosfaat in de vorm van compost aan de landbouwgronden werd teruggegeven. Ook in Japan werd uitgebreid en consequent gebruik gemaakt van menselijke bodemverbeteraars. In 1908 werd er 23.850.295 ton opgehaald en op de velden gedeponeerd. Hoewel ook de Aziatische boeren in de loop van de twintigste eeuw in de greep kwamen van kunstmest – China is vandaag goed voor 28 procent van de consumptie van kunstmest – bleven sommige van deze ophalingsmethoden bestaan tot in de jaren veertig (Japan) en de jaren zestig (Singapore).
Sietz Leeflang: “King bracht een niet mis te verstane boodschap aan de boeren in zijn eigen land, een boodschap die helaas te laat kwam. In 1910 was stikstofbinding uit de lucht technisch mogelijk geworden. Dit betekende de doorbraak naar de massaproductie van kunstmest.”
Europa kopieert het idee, 19e eeuw
Het gebruik van menselijke uitwerpselen en urine als meststof gebeurde ook in sommige Europese landen, zij het voor een veel minder lange periode en op veel kleinere schaal. In de tweede helft van de negentiende eeuw begon het gezondheidsexperts te dagen dat dodelijke ziektes zoals cholera het gevolg waren van het drinken van met uitwerpselen besmet water. Tegelijkertijd kampte de landbouw door de snelgroeiende bevolking met een tekort aan mest – kunstmest bestond nog niet. Het besef groeide dat die twee problemen samen konden worden aangepakt, net zoals in China dus. Aangezien menselijke mest economisch waardevol was, zou de verkoop ervan de hele operatie (verzameling + bewerking) bovendien kunnen bekostigen, of zelfs winstgevend zijn.
Het tonnenstelsel
Het eerste systeem, dat in meerdere landen werd opgezet, was het zogenaamde tonnenstelsel (bron en meer informatie over het tonnenstelsel: 1 & 2). De stoelgang van de bewoners van een huis werd opgevangen in een ton die een paar keer per week door inzamelaars werd opgehaald (zie foto’s hieronder, bron 1 en 2).
Tonnenstelsel foto
Beerwagen 
Het tonnenstelsel was op sommige plaatsen al eeuwen in gebruik: in Vlaanderen bestond het op verschillende plaatsen al sinds de 17e eeuw en het systeem moest wat betreft hygiëne en verwerking niet onderdoen voor dat van de Chinezen. In “Verslag van een reis door de Nederlanden” beschrijft Samuel Von Grouner in 1821 grote mestmagazijnen langs de Schelde, waar zowel fecaliën uit Nederland als uit Antwerpen per schip werden aangevoerd. Ook in Groningen werd buiten de stadsmuren al eeuwen compost gemaakt van menselijke mest. Dit gebeurde aanvankelijk louter omwille van de landbouwkundige waarde – de link tussen vervuild drinkwater en dodelijke ziektes was toen nog niet bekend.
Tonnenstelsel stank 
Vanaf 1870 werd het tonnenstelsel op veel ruimere schaal geïntroduceerd. De menselijke mest en urine werden naar verzamelpunten buiten de stad gebracht, waar ze werd verwerkt tot compost voor gebruik in de landbouw. Het probleem was dat de ophaling lang niet altijd zo proper en gedisciplineerd gebeurde als in China, waar met afgesloten kruiken werd gewerkt. Er werd veel gemorst en de ophaling zorgde voor geuroverlast (illustratie hierboven, bron).
——————————————————————————————————–
Het tonnenstelsel zorgde voor geuroverlast maar was eenvoudig en goedkoop
——————————————————————————————————–
Voordeel was dat het systeem erg eenvoudig en goedkoop was, en makkelijk uit te breiden. In Nederland werd het systeem toegepast in grote steden zoals Arnhem (1871), Amsterdam (1876) en Rotterdam (1877), maar ook in veel kleinere steden en gemeenten zoals Delft (1870), Lemmer (1872), Drachten (1874), Alkmaar, Purmerend en Zaandaam (alle in 1881). Op sommige plaatsen hield het tonnenstelsel tot ver in de twintigste eeuw stand: in Zaandam werd het pas in 1979 opgeheven, in Alkmaar verdween de laatste ton pas in 1983 (bron).
Schema liernur toiletPneumatische riolering
Het tweede systeem dat in Nederland ingang vond, en vrijwel nergens anders, was bedacht door de Nederlander Charles Liernur (patent 1866, pdf). Zijn rioolstelsel was revolutionair en bijzonder gesofistikeerd (bronnen en meer informatie over het Liernurstelsel: 123 & 4).
Er waren een aantal opvallende gelijkenissen met ons huidige systeem: er werd gebruik gemaakt van een toiletpot en de ontlasting verdween onmiddellijk na deponering uit het zicht (illustratie hiernaast). Ze werd afgevoerd via een buizensysteem dat lijkt op de bestaande riolering. Het grote verschil was dat het Liernurstelsel de afvalstoffen niet wegspoelde met water, maar met behulp van atmosferische druk. Een gelijkaardig systeem wordt vandaag de dag toegepast in vliegtuigen en treinen.
In feite is het Liernurstelsel een mix van het tonnenstelsel en het moderne spoelstelsel. De toiletpotten waren via een stelsel van ondergrondse buizen verbonden met ondergrondse reservoirs (foto hieronder), geplaatst op een geregelde afstand van elkaar. In het deksel van die reservoirs zaten twee pijpen: één voor het trekken van het vacuüm, de andere voor het opzuigen van de ontlasting uit het reservoir. De kracht voor het vacuüm werd geleverd door locomobielen (mobiele stoommachines). De atmosferische druk was zo sterk dat ook ‘oude lompen, schoenen, lastige vliegen en zelfs stukken baksteen’ werden weggezogen.
Liernurvacuum
Het vacuüm trekken gebeurde één keer per nacht, waarna de vracht meteen uit het reservoir in een tankwagen werd gepompt (illustratie hieronder). Eén tankwagen kon zo per uur de afvalstoffen van ongeveer 150 huizen verzamelen zonder de bewoners in hun nachtrust te storen. Het grote voordeel tegenover het tonnenstelsel was dat er niet in en rond de huizen met stront moest worden gesjouwd. De inzameling kon op een propere en relatief gecentraliseerde manier plaatsvinden. Het was de bedoeling dat het Liernurstelsel zou bestaan naast een rioolstelsel dat zorgde voor de afvoer van keukenwater en stormwater.
Liernurstelsel in Nederland
Slechts enkele Nederlandse steden werden uitgerust met het Liernurstelsel: Leiden in 1871, Amsterdam in 1872 en Dordrecht in 1874. Het ging aanvankelijk slechts om een paar duizend inwoners, maar met name in Amsterdam werd het systeem aanzienlijk uitgebreid.
Liernur pneumatisch rioolEind negentiende eeuw waren 90.000 Amsterdammers aangesloten op het Liernurstelsel, ongeveer 20 procent van de bevolking. Nog eens 20 procent van de inwoners werd aangesloten op een ‘tijdelijk’ Liernurstelsel, een vereenvoudigde vorm die werkte zonder vacuüm maar wel met collectieve ondergrondse reservoirs (ook ‘tonnenstelsel met valpijpen’ genoemd). 
Liernurstelsel in andere landen
Het Liernurstelsel werd ook op kleinere schaal ingevoerd in Praag (Tsjechië), Trouville sur Mer (Frankrijk), Hanau (Duitsland) en Stansted (Engeland). Het systeem in Trouville, geïnstalleerd in 1892, werkte tot in 1987 (bron, pdf). Liernur ontwikkelde ook plannen voor andere steden in Europa (Parijs, Berlijn, Stockholm, Munchen, Stuttgart en Zurich) en in de VS (Baltimore), maar die werden niet uitgevoerd.
——————————————————————————————————–
Het pneumatische rioolsysteem van de Nederlander Charles Liernur was uniek in de wereld
——————————————————————————————————–
De Nederlandse Gezondheidscommissie adviseerde in 1873 de algemene invoering van het Liernurstelsel en het systeem werd sinds het succes in Amsterdam in verschillende steden bestudeerd. Toch bleef een verdere uitbreiding uit. Er heerste algemene tevredenheid over de hygiënische resultaten, maar de inkomsten uit de mestverkoop bleken lager dan geraamd zodat er geen sluitende begroting werd bereikt. (bronnen en meer informatie over het Liernurstelsel: 123 & 4)
Riool berlier systeem
Het vergelijkbare Berlier-systeem in Parijs (illustratie hierboven) en het Shone-systeem in Engeland, die iets later werden ontwikkeld en op erg beperkte schaal werden ingezet, waren hetzelfde lot beschoren (bron).
Opkomst van het spoeltoilet
De doodsteek voor het Liernurstelsel (en voor het tonnenstelsel) was echter de opkomst van de waterleiding en het spoeltoilet. Terwijl in de jaren 1870 slechts enkele Nederlandse steden over een waterleiding beschikten, kwam daar vanaf 1880 verandering in. Steeds meer bewoners sloten een spoeltoilet aan op het Liernurstelsel, wat de ontlasting zodanig verdunde dat de landbouwkundige waarde te zeer daalde. Daarbij kwam de opmars van kunstmest, waarmee het tekort aan meststoffen in de landbouw was “opgelost”.
Het Liernurstelsel was bovendien kwetsbaar voor een gebrek aan zelfdiscipline van de gebruikers: vaste afvalstoffen verstopten de smalle buizen, terwijl het spoelstelsel – dat toen al opgang maakte in andere Europese steden – veel meer kon verdragen. De bestaande stelsels hadden ook een relatief ingewikkelde logistiek nodig: tonnen, wagens, pompstations, stoommachines, opslagplaatsen, verkooppunten en heel wat personeel. Het spoelstelsel – waarvan de geschiedenis teruggaat tot de Romeinen – had daarentegen nauwelijks personeel nodig, en behalve de riool zelf ook geen verdere infrastructuur (zuivering van rioolwater is een relatief nieuw verschijnsel).
——————————————————————————————————–
Het spoeltoilet verdunt de afvalstoffen zodanig dat ze geen waarde meer hebben als meststof
——————————————————————————————————–
Toiletpot2De laatste Liernurstelsels in Nederland werden in het tweede decennium van de twintigste eeuw weer opgedoekt. In Amsterdam en Leiden functioneerde het systeem bijna 40 jaar. Ook de vroege composttoiletten, uitgevonden in 1860, moesten het al snel afleggen tegen de ogenschijnlijke properheid van het spoeltoilet.
Gemak gaat voor milieu
De verspreiding van de waterleiding was een goede zaak voor de volksgezondheid, maar het spoeltoilet – slechts één toepassing ervan – droeg van bij het begin de kiem van een milieuprobleem in zich. Even doorspoelen met water is zonder twijfel handig, maar in zekere zin betekende de opkomst van het spoelstelsel een terugkeer naar de situatie voor de komst van tonnenstelsel en Liernurstelsel. De uitwerpselen werden opnieuw op het oppervlaktewater geloosd, zij het niet in de onmiddellijke omgeving maar enkele kilometers verder. 
Tot in de jaren 1970 werd in sommige Nederlandse steden afvalwater rechtstreeks op het oppervlaktewater geloosd, zonder enige zuivering. In België loost vandaag meer dan 40 procent van de bevolking nog altijd ongezuiverd afvalwater (bron, pdf). Als het rioolwater wordt gezuiverd, blijft een gigantische hoeveelheid vervuild slib achter die gestort of verbrand moet worden. Rioolslib bevat bodemverbeteraars maar ook zware metalen en andere vervuiling omdat het vermengd is met ander afval, en is dus niet meer bruikbaar. In het geval van hevige regen of overstromingen, wanneer de riolen het water niet meer kunnen slikken, komt de inhoud van spoeltoiletten bovendien altijd ongezuiverd in de natuur (en in de stad) terecht.
Hoe moet het nu verder?
Zoals aan het begin van dit artikel werd gesteld, heeft het spoeltoilet op termijn geen toekomst. Het bestaat bij gratie van goedkope olie. Bovendien zorgt de vermenging met spoelwater ervoor dat de mest te zeer verdund wordt om nog gecomposteerd te kunnen worden en als bodemverbeteraar te dienen. We zullen dus iets anders moeten verzinnen. 
——————————————————————————————————–
In België loost meer dan 40 procent van de bevolking nog altijd ongezuiverd afvalwater
——————————————————————————————————–
Net als op het eind van de negentiende eeuw zijn er slechts twee mogelijkheden. Ofwel een hedendaagse variant van het tonnenstelsel, waarbij de afvalstoffen aan huis worden opgehaald. Ofwel een hedendaagse variant van het Liernurstelsel, waarbij uitwerpselen en urine zonder het gebruik van water op een mechanische manier wordt ingezameld. Na compostering kunnen de afvalstoffen vervolgens in beide gevallen worden ingezet als meststof in de landbouw.
Compost- en scheidingstoiletten
Nonolet-maritiemBeide methoden kunnen dankzij de huidige stand van de technologie aanzienlijk worden verbeterd. Sietz Leeflang pleit voor een moderne variant van het tonnenstelsel. Zijn Nonolet (bouwplan), een verbeterde, verkleinde en goedkope versie van het composttoilet, geniet internationale faam (onder meer de BBC kwam eind 2008 langs).
Het toilet heeft geen water nodig en produceert geen stank (“non olet” = “stinkt niet”), maar vraagt wel een extra handeling van de gebruiker. Elke grote boodschap moet worden afgedekt met een paar papieren handdoekjes en vervolgens met een platte ronde stamper worden aangedrukt. De inhoud van het toilet ziet er dan ook uit als een groot pakket papier-maché.
Een modern tonnenstelsel bestaande uit Nonolets zou het interessante voordeel hebben dat er buitenshuis geen nieuwe infrastructuur voor nodig is. Als het Nonolet na gemiddeld enkele weken vol is, wordt de “vracht” simpelweg in de GFT-container gedeponeerd (of op de eigen composthoop gegooid).
Urine wordt automatisch gescheiden van ontlasting (omdat het simpelweg van het pakket papier-maché afloopt) en kan drie richtingen uit: naar het riool (geen optimale oplossing omdat zo een belangrijke bron van fosfaat verloren gaat), naar een plaatselijke helofytenfilter waar het door planten wordt gezuiverd, of naar een opslagtank die één keer per jaar wordt geleegd door een tankwagen. In het laatste geval is er wel extra logistiek nodig. Die bestaat al in verschillende woonwijken in Nederland waar gebruikt wordt gemaakt van het zogenaamde ‘scheidingstoilet’ – in feite het spiegelbeeld van de Nonolet, want in dat geval gaan de fecaliën via spoelwater naar het riool. Optimaal gezien worden zowel fecaliën als urine uit het riool gehouden, en liefst apart bewaard (de combinatie veroorzaakt stank).
Modern vacuümstelsel
De tweede mogelijkheid is een moderne uitvoering van het Liernurstelsel. Een verbeterde versie van het pneumatische systeem wordt sinds een jaar of 25 vrijwel algemeen ingezet in treinen en vliegtuigen. Ook in gebouwen en (in mindere mate) bij de constructie van nieuwbouwwijken vond het opnieuw een toepassing, beginnende in de jaren zestig en zeventig.
Vacuum pomp hannoverIn de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Australië, Duitsland, de Malediven, Zuidelijk Afrika en het Midden Oosten zijn intussen honderden systemen in werking en in ontwikkeling (overzicht). In Duitsland zijn vele installaties in gebruik sinds de jaren zeventig (op de foto de vacuümpomp van een flatgebouw in Hannover, bron). De grootste installatie in Europa bevindt zich in Gerasdorf nabij Wenen in Oostenrijk. In Hong Kong en Venetië wordt het systeem in delen van de stad ingezet.
Vooral in het Midden-Oosten is de techniek momenteel in opmars, grotendeels omwille van de waterbesparende eigenschappen (moderne vacuümtoiletten gebruiken een kleine hoeveelheid water om het systeem proper te houden, maar die hoeveelheid is slechts een fractie van die gebruikt door een spoeltoilet – ongeveer 0,5 tot 1 liter per keer). Het reeds gebouwde palmeiland voor de kust van Dubai is uitgerust met een pneumatisch rioolsysteem dat 23.000 mensen bedient (met 40 km pijpen, 1050 reservoirs en één vacuümpomp). Vacuümriolen maken ook deel uit van Masdar, de ecologische stad in opbouw in de Verenigde Arabische Emiraten. Wat er precies met de ingezamelde ontlasting gaat gebeuren, is evenwel niet duidelijk.
Het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO) rust momenteel het nieuwe hoofdkwartier in Wageningen uit met vacuümtoiletten. De fecaliën worden omgezet in energie, de urine wordt omgezet in meststof.
Goedkoper
Installatie pneumatisch rioolBeide systemen kunnen uiteraard, net als in de negentiende eeuw, naast elkaar worden gebruikt. Hoewel ze ook energie verbruiken (het tonnenstelsel voor de ophaling en het transport, het pneumatisch stelsel voor het vacuüm, het legen van de reservoirs en het transport), is hun totale energieverbruik een stuk kleiner dan dat van het bestaande spoelstelsel. De winst zit vooral in de energie die wordt bespaard voor rioolwaterzuivering en de productie van kunstmest. 
Een modern tonnenstelsel is zonder twijfel de goedkoopste optie. Er bestaat al een systeem van ophaling voor de vaste afvalstoffen (het GFT), en dus is er enkel een extra logistiek van tankwagens nodig voor de ophaling van de urine.
De installatie van een pneumatisch rioolstelsel is veel duurder, maar nog altijd ongeveer de helft goedkoper dan de aanleg van een traditioneel rioolstelsel. Een vacuümstelsel is ook sneller te installeren en makkelijker te onderhouden dan een spoelstelsel: het systeem bestaat uit veel smallere buizen die minder diep in de grond moeten worden gestopt – een smalle gleuf in het wegdek volstaat (zie foto, bron). Wellicht maakt een pneumatisch rioolstelsel ook meer kans om geaccepteerd te worden door verwende westerlingen dan een moderne toepassing van het “tonnenstelsel”.
——————————————————————————————————–
De financiële waarde van onze stoelgang kan alleen maar stijgen
——————————————————————————————————–
In beide scenario’s blijft het riool overigens bestaan, zij het enkel voor de afvoer van het water van wasmachine, douche, bad en wastafels (“grijswater”). Die afvalstroom bevat echter nauwelijks nutriënten en is ook minder vervuild, zodat er minder energie nodig is voor de zuivering ervan. Het onderhoud van twee naast elkaar bestaande systemen drijft natuurlijk de kosten op
Hoeveel geld spoelen wij door het toilet?
Volgens de cijfers die King verzamelde, produceert een volwassen mens per dag gemiddeld 1.135 gram uitwerpselen inclusief urine. Duizend kilogram hiervan bevatte (in het China van honderd jaar geleden) 6,35 kilogram stikstof, 2 kilogram kalium en 0,85 kilogram fosfor. Eén miljoen Chinezen zijn dan per jaar goed voor 415.000 ton meststoffen, inclusief 2.608 ton stikstof, 821 ton kalium en 350 ton fosfaat. King schrijft verder dat er in diezelfde tijd per miljoen inwoners in Europa en de VS jaarlijks 5.000 ton stikstof, 2.000 ton kalium en 1.500 ton fosfaat weggespoeld (het verschil met de cijfers in China is te verklaren door een verschillend eetpatroon).
Geld doorspoelenAls we de ‘productie’ van alle Nederlanders (16,6 miljoen inwoners) en Belgen (10,4 miljoen inwoners) optellen, en de cijfers van King voor het westen als uitgangspunt nemen, komt dat per jaar neer op 135.000 ton stikstof, 54.000 ton kalium en 40.500 ton fosfaat. Dat is wellicht een flinke onderschatting, gezien het sindsdien flink veranderde eetpatroon.
De prijzen voor deze stoffen fluctueren sterk (al naargelang de olie- en gasprijs), maar zelfs als we de lage prijzen uit begin 2007 nemen (280 dollar per ton stikstof, 260 dollar per ton fosfaat en 170 dollar per ton kalium) komt dat overeen met een totaalbedrag van 57,5 miljoen dollar of 41 miljoen euro dat we jaarlijks letterlijk door de WC spoelen. Anderhalve euro per persoon per dag. Begin 2008 stonden de prijzen voor kunstmest vier tot vijf keer hoger en met de uitputting van fossiele brandstoffen kan de waarde van deze grondstoffen alleen maar stijgen.
Compostering: de missing link in de kringloop
Stroop nu niet meteen je broek af in de moestuin: menselijke fecaliën en urine mogen niet zonder verdere behandeling als meststof worden gebruikt. Hoewel dat historisch wel op vele plaatsen gebeurde, en ook vandaag nog altijd in sommige landen realiteit is, houdt dat risico’s in voor de gezondheid. Er moet eerst een compostering plaatsvinden, die op twee manieren kan gebeuren.
Compost 3 
De eerste mogelijkheid – trage compostering – is een doe-het-zelf techniek die uit de doeken wordt gedaan in het “Humanure Handbook”, de populaire praktijkgids van Joseph Jenkins (het boek is gratis te downloaden). Trage compostering gebeurt bij lage temperatuur en duurt in ons klimaat ongeveer een jaar. Voor alle zekerheid wordt de verkregen (geurloze) compost alleen gebruikt voor niet-eetbare planten (bloemen, sierplanten) en voor gewassen waarbij het voedsel niet rechtstreeks met de meststof in aanraking komt (zoals fruitbomen).
Snelle compostering
De tweede manier is compostering bij een hogere temperatuur, die veel sneller gaat en een meststof oplevert die kan worden ingezet voor de teelt van alle voedsel. Dit is een industrieel proces, dat al in verschillende landen met succes wordt toegepast. Interessant is ook dat de eerste stap in het composteringsproces daarbij energie oplevert. 
——————————————————————————————————–
Het bedrijf Orgaworld produceert energie en bodemverbeteraars uit menselijke uitwerpselen en urine
——————————————————————————————————–
Sietz Leeflang verduidelijkt: “In Nederland wordt al sinds enkele jaren met vergunning van de overheid compost gemaakt van menselijke mest. In 2001 werd in Lelystad de Biocel-installatie van het in dat jaar opgerichte composteerbedrijf Orgaworld in gebruik genomen. Sinds 2005 worden volgens een nieuw Nederlands computergestuurd procédé dat dit bedrijf ontwikkelde landelijk ingezamelde luiers (baby- en incontinentieluiers uit de zorgsector) samen met vele andere soorten organisch afval en gft-afval gecomposteerd.”
Compost
(Foto: Tref Group)
“Het proces duurt ongeveer zes weken en verloopt in twee fasen”, vervolgt Leeflang. “Het eerste is anaeroob (zuurstofloos), waarbij door vergisting methaangas vrijkomt dat wordt aangewend in een eigen elektrische centrale. Urine toevoegen kan de kwaliteit van dit proces sterk verhogen. Deze installatie is nu al groot genoeg om circa 4.000 huishoudens van stroom te voorzien. Het daarop volgende, ruim drie weken durende aerobe composteringsproces dat onder voortdurende beluchting plaatsvindt bij temperaturen rond de 65 graden, levert een hoogwaardige compost op. Onderzoek heeft bewezen dat deze compost vrij is van zowel de bekende schadelijke micro-organismen en parasieten, alsook van geneesmiddelenresiduën en hormonen. Orgaworld bouwde intussen twee grote fabrieken in Canada, er worden installaties gebouwd in het Verenigd Koninkrijk en er worden plannen uitgewerkt voor de VS en India.”
Wereldhandel in menselijke mest?
Alle kennis en technologische componenten voor een intelligente behandeling van menselijke afvalstoffen zijn beschikbaar, we moeten dus niet gaan zitten wachten op een of andere nieuwe technologie (al zijn verdere ontwikkelingen natuurlijk niet uitgesloten). Maar afgezien van de gêne die bij het onderwerp hoort, is er nog een probleem.
Compost 2 
(Foto: Tref Group)
In landen zoals België en Nederland eten we vooral voedsel dat in het verre buitenland wordt gekweekt. Dat betekent dat we de natuurlijke meststoffen ook opnieuw naar daar zouden moeten transporteren. Hier kunnen we er immers weinig mee aanvangen. Hetzelfde met onze intensieve veehouderij: die beesten eten voeder dat in andere werelddelen werd gekweekt. Hun mest moet dus in principe terug naar daar (ook in de veehouderij wordt nu alles weggespoeld met water, zodat we dus niet met een “mest”-overschot, maar met een “gier”-overschot zitten).
Dit is geen overkomelijk probleem: er zijn methoden om meststoffen compacter te maken door ze in poeder om te zetten (al uitgevonden door Liernur), zodat ze even makkelijk als kunstmest over de wereld getransporteerd kunnen worden. Maar daardoor wordt het systeem wel energie-intensiever. De fundamentele oplossing is natuurlijk dat we ook de kringloop van lokale voedselproductie herstellen, zodat er nauwelijks transport van meststoffen (en voedingsmiddelen) nodig is.
© Kris De Decker
Sietz Leeflang vertaalt en bewerkt momenteel het 440 pagina’s tellende boek van King naar het Nederlands. Nieuws hierover is binnenkort te vinden op de website van De Twaalf Ambachten.

Rode Hoed 2010 I – Lezing Linda Roodenburg eetcultuur – vroeger en nu

Ik was afgelopen maandag erg enthousiast over de eerst Rode Hoed bijeenkomst in Amsterdam (zie ook 2009 bijeenkomsten). Dinsdag schreef ik al dat ik heb genoten van de lezeing van Midas Dekker en van de lezing van Linda Roodenburg. Het filmpje van Midas is al online gezet, en gelukkig is nu ook de lezing van Linda online gezet op foodlog (link).
Vorig weekend stond er ook een artikel van Linda in de Volkskrant. Linda is erg goed thuis in de geschiedenis van onze Hollandse eetcultuur. Het mooiste wat ze laat zien, is dat we eigenlijk maar heel erg kort een Nederlandse eetcultuur hebben rondom “de Hollandse Pot”. Hoezooi Nederland is en was culinair saai!? Wat mijn betreft is haar lezing nu al een klassieker en verplicht leesvoer voor iedereen die zich met voedsel en eten bezighoudt.
Aanvulling 2 oktober 2010:
Op 23 september heeft Lizet ook een leuk stuk geschreven over “de Hollandse Pot”.

Rode Hoed 2010 I – Filmpje Lezing Midas Dekkers

De eerste aflevering van de Rode Hoed 2010 “de prijs van ons voedsel” sessies. De lezing van Midas is een echte aanrader. Eten maak je in de fabriek. Enjoy!


Midas Dekkers “De prijs van ons voedsel” in De Rode Hoed from dickfoodlognl on Vimeo.

Aanvulling 21-12-2010

En nu nog een interview met Midas op foodlog: “Midas Dekkers: biologisch en boeren staan vooruitgang voedselproductie in de weg”.

Rode Hoed 2010 I – Linda Roodenburg & Midas Dekkers

Vorige jaar hebben CLM en Foodlog een mooie serie lezingen georganiseerd in de Rode Hoed. Op basis van de lezingen heb ik meerdere artikelen geschreven. Gisteren is de 2010 serie van start gegaan. Ondanks mijn niet-fitheid, ben ik toch naar Amsterdam gereden (met de trein 🙂 ). En dat was een goede beslissing. Het is heel lang geleden dat ik zulke mooie lezingen heb gehoord. Linda Roodenburg vertelde een superverhaal over de historie van onze eetcultuur, Volgens Linda gaat straks alles convergeren naar Streetfood (zoals kapsalon) en Midas was helder: laat de natuur haar gang gaan, en laten wij zelf hightech eten gaan maken in fabrieken.





Volledig geknipt en geplakt vanaf Foodlog (want te mooi om niet te bewaren):

Rode Hoed 2010-I: Midas Dekkers heeft het antwoord

Vandaag 13:23 redactie
Na de succesvolle serie van 2009, opende Felix Rottenberg in de Rode Hoed gisteravond een nieuwe serie debatten over voedsel. Hij noemde deze avond een amuse bij de rest van de serie die over de prijs van ons voedsel zal gaan. Wat de redactie van dit blad betreft was het meteen een hoogtepunt door de bijdragen van Linda Roodenburg, speurder naar eetgewoonten van vroeger en nu, en meester verhalenverteller en bioloog Midas Dekkers. Beiden gaven stof tot denken.

Roodenburg vertelde dat we in de Gouden Eeuw ons eten al overal vandaan haalden. Niet zo regionaal dus; dat is een trend onder de hippe bovenlaag van de bevolking. Dekkers maakt duidelijk dat de natuur het zelf allemaal prima regelt. Stoppen dus met ons eten in de natuur te verbouwen. Dat geeft veel te veel zorgen, want we maken er een puinhoop van. Het moet heel anders, zei Dekkers. ‘Ik weet het antwoord wel, maar jullie willen het toch niet horen. Maar het is echt waar.’ Eten, zei hij, ‘maak je in een fabriek’, als een soort analoge natuur naast de echte. Eens in de maand een lammetje op zondag, ok dat moet kunnen want dat gras moet ook weg en de plantjes hebben stront nodig. Eindelijk weer eens verfrissende blik op het concept van een ‘natuurlijke landbouw’.

Voor de verslaglegging van de serie zorgt dit jaar Alexis van Erp. Hij legde de avond in de volgende woorden vast:

De Hollandse maaltijd: vroeger, nu en straks

Op maandag 20 september – tijdens de Week van de Smaak – is de 7-delige debatreeks “De prijs van ons voedsel” begonnen. Het thema van de eerste avond: “De Hollandse maaltijd: vroeger, straks, nu.” De zaal is vol en – blijkens de rondvraag van gespreksleider Felix Rottenberg – gevuld met uiteenlopend volk, van boeren tot activisten en retailvertegenwoordigers.
Er zijn drie sprekers: Maarten van Poelgeest, Linda Roodenburg en Midas Dekkers.

Maarten van Poelgeest: “Voedsel weer centraal in stedelijke ontwikkeling”
Maarten van Poelgeest is wethouder te Amsterdam en verantwoordelijk voor het project Proeftuin Amsterdam. In januari 2010 heeft hij het boek “Meer Amsterdam” gepubliceerd, over ruimte en groei in de moderne stad. In zijn betoog schetst hij hoe de binding van consumenten met voedsel en het respect voor voedsel is verdwenen. Voedsel is vanzelfsprekend geworden en de Nederlander heeft geen benul van smaak; de prijs bepaalt de status van voedsel. De intrinsieke waarde wordt niet gezien en dat merk je aan de verspilling: 2,4 miljard euro aan voedsel wordt jaarlijks weggegooid.
De stedelijke ontwikkeling hang hiermee samen. Sinds de tweede wereldoorlog is de stedelijke ontwikkeling los komen te staan van de voedselvoorziening. Die verbinding moet hersteld worden. Stadslandbouw en metropolitane landbouw zijn hiervoor belangrijk. Amsterdam gaat hiermee aan de slag en wil in 2030 een compacte, duurzame stad zijn met een groene omgeving waar veel regionale voedselproductie plaatsvindt. De stijgende olieprijzen zullen een omslag naar regionale voedselproductie ook economisch aantrekkelijk maken, aangezien 80% van de energie in voeding nu uit aardolie komt. Het Amsterdam Food Center gaat een centrale logistieke rol vervullen. Markten moeten een culinaire ontmoetingsplaats blijven en in het Food Center wordt een grote overdekte markthal gerealiseerd in de komende pakweg 10 jaar. (spreker Linda Roodenburg meldt dat een dergelijk markthal in Rotterdam al wordt gebouwd en over twee jaar klaar zal zijn). Er moet flink worden ingezet op voedingseducatie via scholen en opvoeding; scholieren gaan tuinieren. Het rijk moet het oerwoud aan certificeringmethoden vereenvoudigen. Met al deze maatregelen kan het voedsel weer een centrale plaats krijgen in de samenleving en de stedelijk omgeving, uit respect voor de aarde en onszelf.

Linda Roodenburg: “Hollandse pot ontstaan als brandstof voor arbeiders” 
Linda Roodenburg is Neerlandica, voedselantropologe en auteur. Ze schreef het “Rotterdams Kookboek” en “Eten op aarde”. Roodenburg schetst in haar verhaal het ontstaan van de zogenaamde “Hollandse pot” en de invloed van migratie hierop. Bij “Hollandse pot” denken wij aan zaken als stamppot, specifiek aan aardappels. Maar aardappels zijn nog geen 150 jaar gemeengoed in Nederland; daarvoor was brood het basisvoedsel. Op een geschilderd stilleven uit de 17e eeuw zijn geen aardappelen te zien. Het schilderij, getiteld “kalkoenpastei”, staat vol met importproducten: kalkoen uit Amerika, citrusvruchten uit het zuiden, peper uit Indië, enzovoort. De Italiaanse keuken gaf de toon aan, met invloeden van de Arabische keuken. Logisch: ook in die tijd bestond de stadsbevolking voor 30% uit immigranten. Hoe zijn we vanuit die rijkdom terechtgekomen bij de aardappeleters van Vincent van Gogh? Daarvoor zijn vier oorzaken. Ten eerste de economische achteruitgang na de Gouden Eeuw. Ten tweede de kerk, die soberheid predikte. Met name vanuit de calvinistische hoek kwam steeds meer roep om matiging; vooral in rietsuiker school het kwaad. Ten derde de medici, die “gezondheidsadviezen” gaven. Maar de genadeklap kwam van de huishoudscholen in de 19e eeuw. Welgestelde dames maakten zich zorgen over het nieuwe industriële proletariaat en zochten naar goedkoop basisvoedsel. De aardappel bleek de ideale brandstof voor arbeiders. Helaas bereikten de huishoudscholen vooral meisjes uit de middenklasse: zo breidde de nieuwe “Hollandse pot” zich over de hele maatschappij uit.

Na de oorlog steeg onze welvaart, wat een grote stroom migranten bracht. Zij verbaasden zich over onze armoedige eetcultuur, gezien onze rijkdom. Vlak na de oorlog ontwikkelde Chinese immigranten het Chinees-Indisch afhaalrestaurant. Voor veel Nederlanders was dit de eerste kennismaking met exotisch eten. Daarna werd de situatie complexer. Er kwamen nieuwe groepen immigranten; grote steden bestaan nu voor 50% uit immigranten. Zij startten hun eigen importwinkeltjes, die gaandeweg voor verschillende eetculturen gingen cateren. Desondanks heeft in de Nederlandse keuken nauwelijks culinaire integratie plaatsgevonden. Autochtonen eten Mexicaans of Thais uit een pakje van Knorr. De immigranten daarentegen verbouwen nog vaak hun eigen groente of kopen deze in kleine winkeltjes; ze koken nog volgens traditie. In de nabije toekomst wordt street food de norm. Daar lopen alle culinaire invloeden wel door elkaar, zoals te zien is aan de nieuwste snacktrend, de “kapsalon”: shaorma met patat en een plakje gesmolten kaas erover. In de erop volgende discussie vertelt Roodenburg dat veel scholen graag een keuken, maar dit wordt vanuit het Ministerie van OCW onmogelijk gemaakt; daar zou iets aan gedaan moeten worden.

Middas Dekkers: “Als we de bij willen redden, moeten we eten in de fabriek maken”
Middas Dekkers, ’s lands bekendste bioloog, heeft een lange lijst boeken op zijn naam. In zijn gesproken column behandelt hij de landbouw in vogelvlucht en het probleem van de stervende honingbijen. De verschillende oorzaken daarvan zijn heel makkelijk samen te vatten: moderne landbouw. In de moderne landbouw wordt de natuur uitgebuit, en de boer werkt zich het apelazarus voor noppes. Midas Dekkers reikt een eenvoudige en radicale oplossing aan: eten moet voortaan gewoon in de fabriek worden gemaakt, met schimmels en bacteriën!

Dekkers begint zijn betoog met een prikkelende vraag: “Hoe maak je lamsvlees van een schaap?” Een boer weet dat wel: zet een ram bij het schaap, en een paar maanden later dartelt het lamsvlees door de wei, netjes in wol verpakt. Alles in de natuur gaat vanzelf. Toch werkt de boer zich het apelazarus. Hoe is dat zo gekomen? Op zeker moment wilde de mens niet meer helemaal naar het bos lopen voor zijn eten, dus zette hij er een hek omheen. Zodra hij daarmee begon, moest hij echter steeds meer ingrepen gaan plegen om de planten en dieren nog productief te houden. De mens werd in feite het hulpje van zijn koeien en bloemkolen.

In de natuur gaat het al miljoenen jaren zo: planten gebruiken bijen als hulp. Een jonge meisjesbloem wil graag bloeien en ziet even verderop een aantrekkelijke jongensbloem. Helaas zitten ze de met die verdomde stelen aan de grond vast. Daarom nemen ze de bij in dienst als postiljon d’amour. De bij bevredigt de bloemen en wordt daarvoor betaald met nectar en stuifmeel; prostitutie dus. En de boer is niets anders dan de pooier die daar gretig misbruik van maakt, in samenwerking met de imker. Zo werd de honingbij het enige huisdier onder de insecten. De imkers laten de bijen hun obscene werkje doen, en stelen daarna de honing. De bij is gedomesticeerd. Honderd van onze belangrijkste gewassen kunnen niet zonder honingbijen. Vroeger was de bijenhouderij een nationale trots. Nu is het een jammerende ziekelijke bende, door de verdwijnziekte. Als iets dergelijks met koeien of varkens gebeurde, zou het een nationale ramp zijn; regeringen zouden vallen.
Er zijn talloze redenen voor de bijensterfte, die je kunt samenvatten in een woord: moderne landbouw. Ofwel, de vier v’s: Vermesting, Verdroging, Versnippering, Vereenpotnatting (d.w.z. ondergang van de biodiversiteit).

Wat kan je eraan doen? Midas Dekkers weet wel een oplossing: echte moderne landbouw. De Minister van Landbouw moet de Minister van Eten worden. En dat eten moeten we fabriceren zoals we alles fabriceren: in een biologische fabriek met kleine beestjes: schimmels, algen en bacteriën. Die produceren goed eetbare stoffen en vervolgens moet je daar iets lekkers van maken. Het is absurd dat wij bij de slager nog steeds dezelfde beesten halen als 10.000 jaar geleden. Met die fabrieken maken we het platteland vrij om op een diervriendelijke manier voor de leuk te produceren. De bulk komt uit de fabriek. “Dan kunnen wij biologen weer genieten van de echte natuur en lekker eten”, aldus Dekkers.

Noot van de redactie: de tekst van de voordracht van Linda Roodenburg en de gefilmde voordracht van Dekkers zullen hier binnenkort verschijnen

Het verschil tussen ‘believers’ en ‘ergens in geloven’.

In de biologisch buiten spel lijn op foodlog is het woord believer vaak gebruik. Natuurlijk komt dan automatisch de vraag ‘wat is een believer’. En wat is het verschil met ‘geloven in’. Aan de reacties te zien, zijn Dick Veerman en ikzelf het wel eens over dit verschil.

De gezondheidsraad heeft geconcludeerd dat -op basis van 50 jaar onderzoek en gebaseerd op de huidige meetmethodes (waar heus wel wat op af te dingen valt)- biologisch eten ‘niet gezonder is’. De true believer gelooft dergelijke conclusies eenvoudig niet, denkt in complotten en wil nog meer onderzoek. Ik heb de indruk dat de theorie, wetenschappen en kennis gewoon niet aanwezig is, of wordt begrepen door ‘believers’. Believers, zijn wellicht gewoon onbewust-onbekwaam **. Of ben ik nu na deze uitspraak plotseling een betweter (ja dat ben ik 🙂 ) of misschien zelfs wel een believer geworden?

Hierbij de reacties over de definitie van ‘believer’:

Dick

Willem, een believer laat zijn geloof – een godsdienst, geldende opvatting of individuele overtuiging – komen waar de rede al voorbij is

Wouter

Voor mij is een believer iemand die ‘gelooft’ in iets of een systeem, waarvan feitelijk wetenschappelijk, aangetoond kan worden dat het niet kan. Een ‘believer’ gelooft wetenschappelijk rationeel bewijs gewoonweg niet, meestal door een gebrek aan kennis. Echter die hard believers willen ook niet eens kijken naar feitelijke inzichten. Bij deze lijn over biologisch, zie je spijtig genoeg nogal wat believers voorbijkomen.

Zelf gebruik ik niet graag het woord gelovige, aangezien ik best respect hebben voor vrome mensen die in een hogere macht geloven. Echte gelovigen zullen immers niet de zwaartekracht of het rond zijn van de aarde ontkennen.

Dick

Kan het zijn dat we nu allemaal hetzelfde hebben gezegd op verschillende manieren en dat het gaat om mensen die ‘door een gebrek aan kennis’ dingen denken terwijl ze dingen zouden moeten proberen te snappen?

Jan Peter

Mensen die iets voor de wetenschap uitlopen, mag je geen believer noemen omdat ze het nu eenmaal wat scherper zien en niet worden belast door allerlei wetenschappelijk, commerciele of historische beperkingen. Dan is label believer eerder een uitdrukking van onmacht.

Wouter

@ jan peter, mensen die voorop lopen, die creatief zijn en die vanuit kennis kunnen duiden wat de blinde vlekken zijn, zijn inderdaad geen believers. Ik gebruik de term believer die achterlopen, of geen systeemoverizicht hebben. (zie ook Vorsers en Prospectors)

Dick

Geloof? Ja natuurlijk. Maak het maar scherp en onbeschaamd: er is een verschil tussen achterlopen en voorlopen. Het ene kunnen we ‘believen’ noemen, het andere het sprongetje maken dat ‘ergens in geloven’ heet.

** leren en het verkrijgen van inzicht verloop bij mensen volgens de volgende 4 stadia (dit is, naast NHBD-theorie ook een blokje in mijn trainingen):
1. Onbewust – Onbekwaam.
2. Bewust – Onbekwaam
3. Bewust – Bekwaam
4. Onbewust – Bekwaam.

Ik heb enorm veel respect voor mannen en vrouwen die onbewust-bekwaam zijn (‘wijzen’). Je ‘voelt’ dat over het algemeen als je bij een dergelijke persoon bent. De overgang van 1 naar 2 is echter het allermoeilijkste. Je weet immers niet wat je niet weet. Pas als je beseft dat je iets niet weet, of dat er nog andere ‘disciplines’ zijn, dan sta je wellicht ervoor open om iets te gaan leren. In mijn dagelijkse praktijk besteed ik heel erg veel tijd aan klanten en partners om van 1 naar 2 te komen. Als het lukt dan hoor je meestal reacties zoals: “maar dat wist ik niet”, “dat is nieuw voor mij”, “nu begrijp ik wat je bedoelt”. Deze 1->2 overgang kost heel veel energie, en soms leidt het tot ruzie. Klanten en partners willen zelden voor deze dienst betalen, terwijl het de meest nuttige activiteit is.

Aanvulling d.d. 10-10-2010:
dick veerman

Veelkantie, ik was eerlijk gezegd niet van plan in deze draad alle discussies weer over te gaan doen (ik wilde deze discussie niet eens uitlokken; ik wilde wijzen op de inconsequentie van actievoerders en de gemiste kansen voor open doel van een journalist).

Mijn motieven zijn uiterst simpel:
– laten zien hoe de feiten in elkaar steken
– feit en wilskeuzen van elkaar scheiden
– feiten die uit wilskeuzen voortkomen als zodanig ontmaskeren

De feiten:
– we jagen niet meer, maar zijn aan landbouw gaan doen
– zo kon ons aantal groeien en konden we heel andere dingen gaan doen die ons bezighielden
– dieren, plantaardige landbouw en voedselverwerking vormen een samenhangend systeem
– landbouw – als totaal – onderhoudt het landschap zoals we dat mooi vinden
– steeds lagere kostprijzen en biodiversiteit gaan kwalijk samen; daar moeten we om risicoredenen voor onze soort een oplossing voor vinden
– er is ook een Dekkeriaanse landbouw mogelijk, very high tech
Van het land, uit de stallen en uit de reststromen van de verwerking van voedsel komen verschillende soorten voedsel, dierlijk en plantaardig. Die zullen we via een sleutel moeten verdelen onder het aantal mensen op aarde, cq. de mate waarin het redelijk is dat te verslepen gegeven het ver- en hergebruik van schaarse energie, water en nutrienten. Daar beginnen de wilsbesluiten.

Wouter de Heij
En hij of zij die hele onwaarheden gebruiken of feiten (bewust of onbewust) negeren, om hun persoonlijke wilskeuzen te beargumenteren, noemen we believers .

Jan Peter van Doorn: Een goed product heeft geen marketing nodig

Zelf ben ik geen marketeer, al denk ik natuurlijk wel goed na over ‘verkoop’ en vooral over de toekomst van verkoop(modellen) in relatie tot business modellen. Innovatie en marketing zijn voor mij broer en zus, het is lastig om ze los van elkaar te koppelen. In mijn presentaties mag ik daarom graag gebruik maken van een uitspraak van Peter Drucker uit 1954 (bekijk ook enkele andere uitspraken):

“… any business enterprise has two – and only these two – basic functions: 



marketing and innovation”

Wel zet ik daar ook graag een tweede uitspraak tegenover.

“Markets that don’t exist can’t be analysed” 



The (market) entrence of disruptive innovative technologies will not be predected by marketing departments or consumer panels

Klassiek marketingonderzoek heeft daarom niet veel zin als je bezig bent met disruptieve innovaties, waarbij je per definitie eigenlijk een blue-ocean aan het creëren bent. Een nieuwe productcategorie verzinnen heeft alleen zin als je rekening houdt met (a) de ontwikkeling van nieuwe technologie, (b) zwakke signalen kunt detecteren, (c) rekening houdt met de grote maatschappelijk trends zoals vergrijzing, duurzaamheid, gemak en plezier, (d) je slim nadenkt over het business model (nu is ook helder waarom TOP samen met Harold Van Garderen het bedrijf TOP Innosense recent heeft opgezet 🙂).

Vorig jaar oktober schreef ik een kort stukje over het verschil tussen intrinsiek en extrensieke eigenschappen van producten (in de food sector helemaal lastig). Ik denk dat dit verschil weer kleiner zal gaan worden (Jan Peter, noemt dat hieronder Authentiek). Eerlijk communiceren over producten is natuurlijk ook de basis van kijk of het klopt (zie ook link) Ook een jaar geleden heb ik kort een samenvatting gemaakt van het boek ‘What would google do’ , ook dat boek gaat over de toekomst van ‘verkoop’.

Wat ik interessant vind, is dat onder andere door internet en social media, het aantal communicatiekanalen sterk is gegroeit. Professioneel communicern met impact wordt gek genoeg duurder, terwijl het zenden nu goedkoper dan ooit is. Trek je deze trend door, dan zou je zeggen dat de waarde van een advertentie op termijn gaan afbouwen. En stel dat dat zou is, wat betekent dat dan voor Google en alle andere (media) bedrijven die nu een zakelijk model hebben gebaseerd op reclame inkomsten? Zelf denk ik dat we weer terug gaan naar de nieuwe ambacht (zie ook #CoT dicussie op linkedin) en dat de klassieke verkoop via grote marketingbudgetten op een doodlopend spoor zit (maar een glazen bol heb ik niet). Onze eigen Nederlandse marketing goeroe Jan Peter van Doorn is door Pieternel geïnterviewd en het resultaat staat hieronder (zie ook discussie op foodlog):

Uit het Weekblad Groenten & Fruit – geschreven door Pieternel van Velden: 

Een goed product heeft geen marketing nodig, vindt Jan Peter van Doorn. Zorg dus voor goede producten en leg uit, vertel waarom ze zo goed zijn. Boeren en tuinders hebben geen marketingprobleem, maar een identiteitsprobleem.

Jan Peter van Doorn volgt de agrarische sector al lange tijd. Als reclame- en marketingman pur sang kijkt hij terug op een lange carrière vol campagnes voor grote bedrijven, waaronder de food- en retailsector. In zijn ogen moet de voedingstuinbouw die platgetreden paden niet bewandelen, maar naar nieuwe wegen zoeken.

Wat kan marketing betekenen voor de voedingstuinbouw?
“Marketing is beïnvloeden. Marketing is macht. Marketing is alleen geen wondermiddel meer. Naar mijn mening loopt marketing van de twintigste eeuw op z’n laatste benen. Het is geen geheim dat grote bedrijven op dit moment hun strategie wijzigen, omdat deze niet meer werkt. Het tijdsbeeld verandert. Consumenten laten zich niets meer aanpraten. Ze willen niet voorgekauwd of genept worden, maar eisen echtheid. Ze willen als verstandige mensen worden benaderd, niet als ‘couch potatoes’.

De voedingstuinbouw heeft één voordeel op de voedingsindustrie. De sector heeft weinig aan marketing gedaan, dus hoeft ook niet de ‘ontmarkten’. Zonder die bagage kunnen tuinders dus nieuwe wegen inslaan. Uitgangspunt is het product. Dat moet kwalitatief heel goed zijn. Een goed product heeft geen marketing nodig. Daarover vertelen, die boodschap brengen is genoeg. Jezelf zichtbaar maken, uit het schuttersputje en uit de slachtofferrol is het devies.”

Dat klinkt wel erg makkelijk. “Dat is het in wezen ook, maar de teler zal wel moeten leren zijn verhaal te vertellen. Tot op heden heeft hij verteld dat hij nog meer paprika’s of komkommers kan maken voor een nog lagere prijs. En dat is een doodlopende weg gebleken, want er is altijd iemand die nog goedkoper kan leveren. Het buitenland, bijvoorbeeld.

Natuurlijk is de situatie beroerd. Ik zou er zelf zo ongelukkig van worden als ik zo afhankelijk was van het weer, de bank en het energiebedrijf. Maar ik zou de oorzaak toch voor een belangrijk deel bij mezelf zoeken, in plaats van bij die stomme consument of lakse overheid.”

Waar ligt de toekomst van tuinbouwbedrijven?
“Het gaat volgens mij twee kanten op. Een deel van de ondernemers zal zich richten op industriële productie van groenten en fruit. Dit zijn ondernemers, die je op dit moment van crisis ook nauwelijks hoort. Die vinden hun eigen weg en hebben de anderen niet nodig. Industriële productie is nodig om de bevolking van voldoende voedsel te voorzien.
Volgens kenners hebben we in Nederland bijzonder vruchtbare grond. Als ik alle verhalen hoor over lage rendementen, dan vraag is me af of we die vruchtbare grond wel optimaal genoeg gebruiken.

Een ander deel van de tuinbouwondernemers gaat zich ontwikkelen tot ‘traitteur’. Zij maken iets bijzonders, met een verhaal erbij. Dat kan een bepaalde dienst zijn, een speciaal product of een verwerkt product. 

In relatie tot vruchtbare grond zou dit wel eens een groeimarkt kunnen zijn met behoorlijke rendementen. Tenminste, als ze er in slagen deze producten relevant te maken. Relevant genoeg om de concurrentie met bankstellen, vakanties en dergelijke aan te gaan. Maar in feite geldt dat voor de hele voedingssector. Eten is nog niet belangrijk genoeg.”

Waarom is het voor de teler zo moeilijk om zijn verhaal te vertellen?
“Dat zit als het ware in de genen. De agrariër heeft geen marketingprobleem, maar een identiteitsprobleem. Op het wat scherp te zetten: een ingebakken minderwaardigheidsprobleem. Bang voor de stad, de wereld, de consument.

Ik ken zowel de stad als het platteland. Naarmate de tijd vordert zie ik die twee steeds meer uit elkaar groeien. Agrariërs voelen zich veilig in hun eigen habitat. Dat zie je eigenlijk aan hun hele gedrag. Hun vriendenkring, interesses, het leven in een veilige omgeving. Je ziet eigenlijk niet of nauwelijks dat ze zich ontwikkelen tot wereldburgers. 

Die emancipatie is nodig om meer zelfvertrouwen te ontwikkelen. Met het ontwikkelen van een eigen identiteit ontwikkelen zij ook het vermogen om voor hun product te staan en het voor een eerlijke en goede prijs te verkopen, waarmee de afhankelijkheid en het gevoel van machteloosheid voor de omgeving afneemt.

Eigenlijk verwachten agrariërs dat de stedeling naar hen toe komt. En die bereidheid is er zeker, merk ik. Steeds meer mensen in de stad zijn bewust bezig met hun voedsel, of het nu om gezondheid gaat of culinair genot. Nu die stap om beide werelden samen te brengen.
Breng de stad naar het platteland en andersom. Wat kun je leren van elkaar? Het belangrijkste is misschien wel communicatie. In de stad zitten we boven op elkaar. We moeten wel communiceren om met elkaar om te gaan.
Ik denk trouwens dat dit proces verder gaat dan communicatie. Er ligt ook werk voor architecten en planologen. Integratie van tuinbouw en stedenbouw.”

Maar nu graag een paar ‘vernieuwde’ marketingtips voor boer en tuinder
“Ah, daar zijn we weer: marketing tips.

Okay, als eerste noem ik ‘authenticiteit’. Zorg voor een goede basiskwaliteit en hanteer die norm. Maak dus een product waar jezelf volledig achter kan staan. Twee eigenschappen zijn dan belangrijk: onderscheidingsvermogen of kritisch vermogen en vakmanschap. Eigenschappen die door hoge druk en stress nogal verwaterd zijn.

Dat er in de tuinbouw grote volumes bestaan lijkt onvermijdelijk, maar ook dan blijft het om kwaliteit draaien. Tot nu toe heeft de sector het geluk gehad dat consumenten echte kwaliteit niet herkennen, maar dat begint nu snel te veranderen.

Ik adviseer de tuinder om dicht bij zichzelf te blijven. Past een industrieel product bij hem, of wil hij zich onderscheiden. Laat hem doen waar hij goed in is. En vooral waar hij blij van wordt. Een andere keuze is er niet. Gewoon het goed benutten van kansen en het uitventen van mogelijkheden. Dit alles moet leiden tot wat je de primaire betekenis van marketing zou kunnen noemen: relevant onderscheid. Les één van marketing. Meer marketing is er eigenlijk niet.”

Dat is het?
“Ja. Zorg er voor dat je als sector oogcontact maakt met de samenleving en schudt dat minderwaardigheidscomplex af. Neem deel aan de maatschappij.”

Ontploeteren
Jan Peter van Doorn heeft ruime ervaring in reclame en marketing. Als strateeg werkte hij bij Prad en JWT. Tien jaar lang had hij zijn eigen bureau, Benjamens van Doorn Euro RSCG en werkte voor opdrachtgevers als Heineken, Douwe Egberts, Nuon, ABN, Achmea, Unilever, Delta Loyd, Ministerie LNV, Ministerie Verkeer en Waterstaat en retailers als Albert Heijn en C1000. De afgelopen tien jaar is hij getriggerd door het thema ‘identiteit’. Hij schreef twee boeken: ‘Ontploeteren, zie het, snap het, doe het’ en ‘De ontdekking van je ding’. Je vindt ze op http://www.janpetervandoorn.nl

Aanvulling 22 November 2010
Jan Peter heeft zonet een geweldig stuk geschreven op Foodlog met de titel “ik ben boos”

Waarom het moeilijk is om rijp fruit in de super te krijgen – I

Een keer in de zoveel weken dan gaat het onderwerp op foodlog over rijpheid en smaak van fruit. Het wordt tijd om wat meer te schrijven over dit onderwerp mijn F4I

Rijpheid is een lastig onderwerp. Om te beginnen hebben we te maken met het begrip biologische variantie. Binnen een partij pas geoogste meloenen, tomaten of appels komt een grote variatie in groottes, smaak en nutritionele waardes voor. De sinaasappel aan de zonkant van een boom heeft een andere nutrientensamenstelling dan aan de schaduwkant. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat de externe omstandigheden tijdens het groeien nooit exact gelijk zijn (fenotype). Toch is het genotype wel gelijk. Olaf van Kooten en Pol Tijskens hebben het begrip biologische tijdconstante bedacht (meer later hierover).

Het vertrekpunt van een batch is dus al niet homogeen. Nu wordt deze inhomogeniteit alleen maar groter in de keten. Ook de externe omstandigheden in de keten verschillen (iets meer of minder ligt, verschil in temperatuur of lokale ethyleenconcentraties etc.). Dit is een onderwerp waar we vanuit TOP veel aan werken (EMAP, ULO, CA, Lage temperatuuropslag, terugkoelen, aanhangend water etc.).

Ik zal proberen de komende weken over dit onderwerp wat meer te gaan schrijven. Hierbij alvast enkele verwijzingen naar artikelen waarin gesproken is over ‘rijping’ op Foodlog:
Je moet de perziken van PLUS hebben
Nooit meer slechte meloenen?
Een nectarine in Maart.
Help Vers!

Aanvulling 12-2-2011.
Webwinkels zijn niet de oplossing is mijn stelling. Zonder goede keten, zonder goede kwaliteit en vooral zonder kwaliteitsmonitoring gaat een webwinkel geen voordelen hebben.
lees ook maar eens foodlog

Maak mensen rijker dan komen er minder (Hans Rosling)

De laatste dagen heeft een interessante discussie gevoerd op foodlog met de titel “maak mensen rijker dan komen er minder”. Aanleiding was de lezing van TED presentator Hans Rosling. Zijn verhaal vind ik positief, onze aardse bevolking zal waarschijnlijk stabiliseren op rond de 9 miljard mensen in 2050. Aantallen mensen op deze aarde bepalen immers ook hoe duurzaam we zijn als ‘soort’. Kijk hiervoor vooral nog eens naar de TED lezing van Bill Gates.

Hans Rosling geeft aan dat welvaart toch echt de sleutel is. Zijn lezing heeft dit keer een mooie low-tech opbouw en in plaats van hightech hulpmiddelen gebruikt hij dit keer plastic kratten. Hans Rosling is ook initiator van het Gapminder Agriculture (inmiddels ook een samenwerkingsverband met Google). Enjoy!

http://video.ted.com/assets/player/swf/EmbedPlayer.swf

Aanvulling d.d. 24 mei 2012
Rosling (van Gapminder; maar zie ook worldmaper) legt in onderstaande video uit dat we ‘peak child’ hebben bereikt en dat hij voorspelt dat de wereldbevolking stabiliseert op 10 miljard mensen doordat het aantal kinderen per vrouw nu gemiddeld op 2 tot 2.1 lijkt te stabiliseren. Zelfs onafhankelijk van de religie. Vorig jaar januari schreef ik overigens een stukje over de vraag hoeveel mensen ‘de aarde’ kan voeden.

Rosling’s video is puur statisch ingegeven, maar zijn peak child theorie neemt denk ik niet mee dat er naast tekort aan olie, ook tekort aan fosfaat gaat zijn. De combinatie hiervan zal leiden tot duurder voedsel, tot spanningen wereldwijd. Arme mensen -met name in Afrika- zullen het nog moeilijker gaan hebben om hun kinderen (dat er dus veel zijn) te blijven voeden. De sleutel ligt in grootschalige recycling van poep en plas.

http://video.ted.com/assets/player/swf/EmbedPlayer.swf

"Michael Pollan on Food rules" voor als je een uurtje niets te doen hebt

Zelf vind ik Pollan (o.a. Omnivore’s Dilemma) sympathiek, maar tevens vaak wat extreem, hij is wat mij betreft wel erg anti-industrie. Ook is hij een onrealistisch romanticus, Fresco is daar terecht kritisch over. Maar hij kan tevens wel mooi verhalen vertellen. Ook zijn stelling dat we voedsel weer als voedsel moeten gaan zien, spreekt mij wel aan. Pollan komt overigens regelmatig voorbij op Foodlog (link1, link2).

Zijn basis regels zijn:
1. Eat real Food (Don’t eat food that is advertised on TV)
2. Not too much (en ook niet teveel ingredienten, 5 is max!)
3. Eat (mostly) plants

Zelf vind ik dat vlees/eiwit wel degelijk ook erbij hoort (gelukkig zegt Pollan dat ook). Liever weer wat meer eiwit en vet, dan nog meer koolhydraten en suikers. Groente is okay, maar pas op met teveel fruit. In fruit zit gemiddeld evenveel suiker als in Coco-Cola (al is HFCS wel slecht denk ik (Liesbeth gaf terecht via twitter aan dat HFCS niet in NL cola zit, wel gewoon glucose)) Het leukste advies van Pollan in onderstaand filmpje is “eat as much junk food as you want, as long as you make it yourselve”.

Mocht iemand zich een uurtje vervelen, hieronder een lezing van Pollan, “Michael Pollan on Food Rules: An Eater’s Manual” (Flora.tv, 23-1-2010):

http://fora.tv/embedded_player