Geschiedenis kan voedzaam voor het brein zijn (1)

Nog even en ik ga vreselijk veel plezier hebben aan een beetje historische kennis.

Lezingen over het verleden.
Bert Tournois begon een jaar geleden met een lezing over de evolutie en vergelijk de inzichten van Darwin met innovatie(beleid). Twee maanden geleden nog de lezing van Linda Roodenburg, waarbij een doorkijkje werd gegeven aan onze Nederlandse eetcultuur in de laatste paar eeuwen. Ook Harold van Garderen sprak een jaar geleden al over heruitvinden** en dan specifiek rondom het onderwerp innovatie. Dick Veerman tenslotte nog over het terugdraaien van de tijd.

Jan Peter van Doorn heeft een goed stuk geschreven over Marketing in de laatste tientallen jaren en zijn verwachting van de toekomst van de marketing. Het oude stuk m.b.t. de functie van de universiteit van Jan Wouter Vasbinder uit 1994 🙂 is nu meer dan ooit actueel (link2). En dan heb ik recent ook nog een filmpje geplaatst over de recente geschiedenis van het bedrijf Apple. Kortom allemaal verhalen over de verre en recente geschiedenis. 

Hieronder een lezing van #CoT lid Hans Konstapel met ook een historische link (hoezo het ‘nieuwe’ werken 🙂 ):

En de toekomst dan? 
Wellicht ligt deze inderdaad in de voorspellingen van Hans (zijn introductie lijkt op die van Kevin Kelly). Zowel Hans als Jean-Paul Close hebben het over cultuur en over het ‘wij’. Jacob Gelt Dekker heeft het over zingeving. Of de voorspelling uit  What Would Google Do of juist aan die van Seth Godin (tribes).

Mijn eigen bescheiden bijdrage rondom toekomstvoorspellingen is een combinatie van het bovenstaande en van mijn voorzichtige voorspelling m.b.t. de 6e kondratiev cycle: tribes, duurzaamheid, minder werken, meer connectie’s, samenwerken en toch individueel, betekenis geven (zingeving en wilskeuzes), distributed processing, …. (link1, link2, link3, link4). Enfin, ik heb geen glazen bol, het zijn maar wat overwegingen en gedachtes.

Is dan toch alles in cycli te vatten zoals Hans denkt?

** ik meen me wel te herinneren dat deze term van Dick Veerman afkomt 🙂

Wetenschap loopt altijd achter. Innovatie komt uit de praktijk.

Hieronder een mooie reactie uit de #CoT discussie “Europese Brug tussen Wetenschappers en Professionals – Tips? Suggesties?“. En lees daarna vooral ook nog eens het stuk van volksprofessor Jan Wouter Vasbinder uit 1994 (!) er nog eens op na: Publiek gefinancierde universiteiten, studenten en onderzoek. Ook Jan Wouter spreekt over ‘de twee arena’s’ (1) de wetenschap, (2) het bedrijfsleven. Innovatie is ‘een ding’ van ‘het bedrijfsleven’ (link1, link2), mijn visie rondom Nederland Innovatieland 3.0 staat hier.

Hans Konstapel • Volgens mij zijn Wetenschap en Praktijk twee disjuncte domeinen.

In de Praktijk wordt Ervaring opgedaan. De Wetenschap probeert die Ervaring te versimpelen in een Theorie (Kennis).

Daarna wordt de Theorie als Ervaring verkocht omdat we de twee concepten door elkaar halen.

Als de “theorie’ is geimplementeerd blijkt de theorie niet “te werken” en moet er weer Ervaring worden opgedaan omdat die dan inmiddels compleet is verdwenen.

Het zou mooi zijn als de Ervaring die er is opgebouwd in onze Samenleving is “in kaart wordt gebracht” en dat we ophouden met mensen te voorzien van “onnodige Kennis”.

De mensen die Ervaring hebben zijn meestal wat ouder en de jongeren vinden datgene wat die ouderen allemaal te berde brengen maar onzin. Ze willen zelf ervaring opdoen.

Als ze die Ervaring hebben verzameld zijn ze inmiddels weer oud geworden en begint het spel opnieuw. 

Dit is allemaal erg mooi voor de werkgelegenheid maar het schiet niet echt op.

Elke vrije markt lijkt naar een oligopolie te convergeren

Afgelopen jaar schreef ik mijn eerste stukje op Foodlog. Voor de grap maakte ik een vergelijking tussen een fenomeen uit de colloidchemie met de naam ‘ostwaldvergroving‘ en wat ik nu zie in onze maatschappij: groot wordt groter en slokt klein op. Ook in onze vrijmarkteconomie ziet je dit fenomeen en ik heb sterk de indruk dat een willekeurige markt lijkt te divergeren naar vier of vijf grote spelers. Is er dan eigenlijk wel sprake van een echte vrij markt economie?

Is een keuze uit vier aanbieders nu zo fundamenteel beter dan keuze uit 1 speler (= een gewone monopolist of staatsbedrijf)? In een nieuwe ‘blue ocean‘ markt, zie je eerst dat er maar een of twee starters zijn, daarna volgt de competitie en neemt het aantal aanbieders toe tot dat de markt is verzadigd. Op dat moment is er een volledige red-ocean, en zie je dat door fusies en overnames er oligopolies ontstaan**.

Zonet op Kassa TV ook weer een mooi voorbeeld: er zijn nog maar vier zorgverzekeraars (er zijn nog wel meerdere merken, fijn hè). En zoals verder bekend is, ben ik niet al te happy met hybride organisaties zoals DLO en TNO (maar ook de universiteiten weer focus aanleggen).

Zelf speelde ik het bordspel Monopoly vroeger zelden helemaal af. Er bleven meestal dus ook maar twee spelers over en dat was minder gezellig voor de rest. Enkele andere voorbeelden van oligopolies (de vier grootste marktpartijen hebben dan meer dan 70% vd totale markt in handen), zijn:

  • Mobiele telefonie : KPN, T-Mobile, Vodafone, … 
  • Gewone consumenten banken : ABN, ING, Rabobank, … 
  • Automerken : nog maar 7 grote spelers wereldwijd als ik me niet vergis 
  • ZorgVerzekeraars : CZ, Uvit, Menzis, Zilveren kruis Achmea
  • Retail : 4 inkoop-organisaties (ik verwacht dat de volgende stap gaat zijn: fusies tussen ‘lokale’ oligopolie bijvoorbeeld Ahold & M&S of zo), en de rest zijn het alleen maar ‘merken’, en dus niet echt verschillende bedrijven.
  • Groentesnijders : Hessing, Vezet, Heemskerk en Groentehof 
  • Bierfabrikanten : Heineken, Bavaria, Grolsch, …
  • Melk / zuivel : FrieslandCampina, Arla, Danone, Fronterra
  • Vlees : Vion (en verder zou ik het niet weten 🙂 )

Ik ben echt voor een vrije markt economie (en zoals bekend mag zijn, is mijn persoonlijke kleur “groenrechts“), maar dan wel graag een markt waarin we ook echt kunnen kiezen, kortom waarbij er een volkomen concurrentie is. Kunnen we wel echt kiezen als er nog maar 2-4 spelers in de markt zijn? In de lijn “prijs van ons eten“, maar ook in de “ben je tegen gentech of tegen monsanto” op foodlog ging de discussie ook eventjes over oligopolies.

Blijkbaar lukt het zelfs de NMA en Kroes niet om te voorkomen dat er dergelijke oligopolies ontstaan. Best zorgelijk eigenlijk toch?, maar gelukkig kwam Harold van Garderen met een een paar goede suggesties voor denkrichtingen in de foodlog-lijn ‘Is de melkboer een arbeider of een ondernemer?

Harold van Garderen 

Eerder in deze draad – op 6 november 23:32 vroeg Dick een concrete oplossing aan mij. Tussendoor deed hij – zo zag ik net – gisteren om 12:17 een synthese.

Hierbij mijn eerste poging voor. Deze is vast niet compleet en helemaal goed, dus aanvullingen zijn zeer welkom.

We hebben hier te maken met een probleem waarbij ondernemers – in dit geval melkveehouders – maar hetzelfde zie je bij groente, vlees en fruit, steeds meer in het gedrag komen omdat de omgeving enerzijds steeds hogere eisen stelt en anderzijds door globalisering/wereldhandel en schaal/machtsvergroting in de retail de prijzen onder druk staan. Beide krachten kunnen ongehinderd hun gang gaan en dat kan simpelweg niet goed gaan.

Het belangrijkste woord dat mij hierbij te binnen schiet is GROOT, en dat leidt tot drie netelige problemen:

  • Grote afstanden (vervoer)
  • Grote afnemers/retailmacht
  • Grote landbouwbedrijven

Al deze grootheid wordt m.i. veroorzaakt doordat systematisch de nadelen van groot worden verkleind door kosten niet te nemen. Dat is vooral een gevolg het toepassen van economische modellen die niet kloppen niet. Groot, groter, grootst is niet altijd beter. De verborgen kosten voor milieu, maatschappelijke/sociale schade en ecologie groeien namelijk harder, maar zijn onzichtbaarder.

Daarom gaat dat groeidenken een tijdje goed totdat de maatschappelijke (burger) kosten zo groot worden dat het systeem vastloopt. Dan is het tijd voor een nieuw perspectief Dat nieuwe perspectief kan m.i. niet anders zijn dan dat we niet maar gaan denken in systemen maar in speelvelden waarop het vrij spelen is, maar waaromheen barrières staan. Moderne vormen van systeem-leer, die van de complexe systemen – zeggen namelijk dat “leven” alleen mogelijk is binnen barrières. In de biologie gaat dat met een celwand, in de economie moeten er andere vormen van barrières zijn, maar barrières moeten er zijn. Zonder barrières is er slechts chaos en de dood.

Laten we de drie “grootheden” met de barrière-gedachte eens proberen aan te pakken.

Grote afstanden

Voor vers (groente, melk, fruit) is er allereerst een natuurlijk barrière, de afstand tot de consument die – al eerder in de draad – ongeveer Den Helder/Parijs/Berlijn – is. Deze kun je ook regel-technisch realiseren door een flinke vervoerstax in te voeren. Bijv. 500 km vrij en daarna 0.1ct/km/liter (10ct/liter/100km). Zo bouw je een vrij flexibele barrière tussen de 500 en 700 km rondom de plek van productie (het weiland, de akker). Zoiets is natuurlijk een politieke keuze en daartegen zal altijd in het verweer worden gebracht dat het “vrije handel” onmogelijk maakt. Inderdaad, dat is zo en dat is PRECIES te bedoeling. De moeten af van het idee dat helemaal VRIJ altijd BETER is.

Grote afnemers/retailmacht

Dit is vooral een kwestie van onderlinge afspraken en onderscheidend vermogen. Het begin is heel simpel: weiger een standaardproduct af te leveren. Weg met de standdaardlitermelk, de standaarddoos aardbeien, de standaard 7-8 appels in een kilo. Boeren werken samen in coöperaties. Nou, verplicht die gewoon om hun fabrieken geen dag hetzelfde te laten maken. Bijv. door simpelweg de natuurlijke variatie in het product te laten. Ja, dan krijg je ruzie met de marketing manager. De oplossing is simpel: ontslaan die man!

Daarna wordt het lastiger. Na het ontwennen van standaardproducten, zullen de boeren – ik lijkt Marco Borsato wel – schouder aan schouder moeten blijven staan om het margegat tussen hun verkoopprijs en de detailprijs te verkleinen zonder prijsstijgingen voor de consument. Dat kan alleen als de boeren en tuinders de macht weer overnemen in de coöperaties. Dat is m.i. de noodzakelijke stap die vooraf gaan aan grootschalige rechtstreekse communicatie (twee-richtingen op!) tussen de primaire sector en de consumenten. Opnieuw niet “standaard”, maar juist over de nuances, de niet-standaard bedrijven, de afwijkingen, de diversiteit, etc. Allen dat kan de macht van retail en de communicatie van reclame en journalistiek echt breken.

Grote landbouwbedrijven

Dit lijkt de lastigste te zijn, maar is toch vrij simpel op te lossen denk ik. Binnen het speelveld is er immers weinig reden om niet te groeien als bedrijf in de primaire sector. Zeker niet als er barrières worden opgeworpen rondom het speelveld. Daarom denk ik dat het gewoon simpelweg nodig is om het begrip grondgebonden wat meer betekenis te geven door te stellen dat een ondernemer/boer/tuinders slechts zover mag groeien in oppervlakte als 1 persoon in een dag kan inspecteren. Nu zal dat in de ene omgeving wat meer zijn dan in de andere, maar als de koeien in de wei staan moet de eigenaar/ondernemer in principe de bedrijfsvoering kunnen doen en het blauw/groenbeheer. Dat houdt de schaalvergroting mooi binnen de perken.

Tegenover deze beschermende barrières staat natuurlijk een tegenprestatie vanuit de melk/fruit/groente en dat is een set betere prestaties dan buiten de barrière. Nu is dat niet mijn vakgebied, maar denk aan gebieden als energie, gesloten kringlopen, beheer van de buitenruimte, minder gif, etc. Als melk/fruit/groente-leek krijg ik de indruk dat er op dit vlak al flinke voorsprong is in de regio.

Maar dat is niet genoeg. Als boeren en tuinders duurzaam een functie willen hebben in de buitenruimte zullen ze – net als Rijkswaterstaat en de overheid – de burger moeten uitleggen wat ze doen voor die belastingcenten en wat de burgers daar aan hebben. Want bij MVO hoort ook UMR (Uitleggen Maatschappelijk Rendement).

Aanvulling 15 april 2012:
In de lijn piepers op de dam kwam was een voorbeeld van een drama als een prijs weer eens 0 is. In mijn reactie #97 geef ik een beetje college over het tegenovergestelde van een oligopolie. De Oligopsony / oligopsonie: veel aanbieders en maar weinig kopers.

Ik heb geen economie achtergrond, maar wat ik wel onthouden heb is het volgende, Er is zelfs helemaal geen perfecte mededing; was dat maar waar, dan zou het niet zo erg zijn. Neen, er is juist in de agromark is er precies het tegenovergestelde van een oligopolie (waar er een paar aanbieders zijn en heel veel klanten, denk aan mobiele telefonie, de supermarktketens etc.). Krispijn is nu juist een voorbeeld van ondernemer die zich bevind in een Oligopsony, heel erg moeilijk om daar uit te komen, zeker als de dominantie denkvoorkeur in de sector is ‘costleadership’ (zelfs binnen de Wageningen UR is dit de dominante denkvoorkeur, zie ook dit artikel). Meer over over imperfecte markten is te vinden op wiki. Zoals Dick en Hendrik al aangeven, een groot gebrek op een aantal basale wet in de boereneconomie.

Aanvulling 28 november 2012: 
weer een vraag om overheidsregulering vanuit de primaire sector ;-( en wat een goede reactie weer van Jan Peter van Doorn #3 op foodlog (Boze boeren in Brussel: beperk de productie!)

Zakelijke modellen – gratis bestaat niet!

Raymond Witvoet is adviseur bij Syntens en tevens lid van #CoT (Community of Talents). Zoals bekend mag zijn vind ik veel adviseurs bij Syntens persoonlijk erg vriendelijk, maar ben ik voor het opheffen van deze organisatie (maar daar gaat dit stukkie niet over). Zonet zag ik een twitter berichtje van Raymond voorbijkomen in Tweetdeck (zie tips):

Volgens mij zijn er maar vier verdienconcepten, 1) indirect 2) uurtje factuurtje 3) marge/lump sum 
4) abonnement http://slidesha.re/dwXChG

Ik kon het toch niet laten om snel even naar zijn slides te kijken. Mijn eerste reactie op twitter was dat er toch iets meer verdienmodellen mogelijk zijn, dan de door hem genoemde vier:

@Raymondwitvoet bijna goed: 5) nocurenopay, 6) participatie/JV, 7) leadgeneration, 8) innovatie/investering, …
Bekend mag zijn dat onze bedrijfsfilosofie is dat alleen de kennis -nog specifieker informatie- bij ons gratis is (mits we natuurlijk niet gebonden zijn aan geheimhouding), maar dat ideeën en mensen nooit gratis kunnen zijn. Een goed idee heeft ’toekomstige’ waarde, en in het gros van de gevallen wordt het door mensen wel prettig gevonden om een salaris te krijgen. Vandaar ook mijn terughoudendheid om ‘zomaar’ mee te doen met brainstorm sessies. Binnen TOP hebben we overigens een mix van zakelijke modellen. En voor de geïnteresseerden hierbij een woordenlijst rondom innovatie.
Terug naar  het berichtje van Raymond. Hij heeft gelijk, in samenwerkingen gaat het niet alleen om de inhoud, maar juist ook hoe partners in een samenwerking ook zakelijk verder komen. Daar wordt de term business model voor gebruikt. Ook in het o zo populaire Open Innovatiemodel (p28) is het opstellen van een goed business model of het aanpassen van een zakelijk vorm (business model redesign) erg belangrijk.

Jan Peter Van Doorn heeft een mooi stukje geschreven over marketing (nou ja, eigenlijk ontmarketing). En daarin staat de essentie ook, innovatie producten en diensten dienen ook worden verkocht. Wat je verkoop en hoe, wordt omschreven in het business model. Ik raad zelf altijd aan om ook What Would Google Do te lezen. Hieronder staan de slides van Raymond.

Emotion marketing & story telling – Seth Godin

Een goed product heeft geen marketing nodig, schreef Jan Peter van Doorn een maand geleden. Eigenlijk gaf Jan Peter aan dat we weer betekenis moeten geven aan producten; zijn verhaal komt volkomen logisch over. En betekenis geven aan producten, is wat zou moeten kunnen bij #SmaakNL. Ook raad ik aan om nog eens te kijken naar de lezing van Jonas Ridderstråle @ Food Valley Congress 2010

Maar het onderstaande verhaal van Seth Godin, komt ook volkomen logisch over. Godin spreekt over het TV-industrial concept (web 1.0, koop zoveel mogelijk TV adds). De Fashion / permission complex zit totaal anders in elkaar, laat je klanten over je praten (web 2.0, social media, anderen doen het woord voor je). De titel is “All Marketers are Liars”. En Google Maps is a cool gimmick, a entertainment vehicle. Google Maps is er niets om ‘iets’ op te lossen. Kijk ook nog eens naar What Would Google Do. Enjoy!

Waar de werkelijke bottleneck zit – De smaak van Nederland

Bekend mag zijn dat ik een tweede grote hobby heb. Naast voedsel(verwerking), ben ik gek op het onderwerp innovatie-management en innovatiebeleid. Op dit blog heb ik al tientallen pagina’s geschreven over dat onderwerp, en ook op #CoT heb ik meer dan eens wel eens een reactie achtergelaten. Deze twee vakken gecombineerd geven het theoretische antwoord op de vraag “stel ik heb een nieuwe voedselproduct bedacht, hoe realiseer ik dat deze door een supermarkt wordt verkocht?”. Inzicht in welke type voedselproductinnovatie routes er zijn, heeft ervoor gezorgt dat we bij TOP verschillende projectaanpakken hebben ontwikkeld.
Dit onderwerp is weer helemaal actueel, nu Foodlog en Syntens de “Idols van het leuke voedselproduct” organiseren met de titel De smaak van Nederland (#SmaakNL). Bij de De smaak van Nederland kunnen (kleine) producenten en leveranciers hun lekkere product laten beoordelen. En net zoals bij de echte Idols zijn er voorrondes, en wordt er tzt een winnaar 2010 uitgeroepen. Ik heb na het zien van de eerste rondes het gevoel gekrgen dat ik ook krijg als bij ons op kantoor koks of hobby productontwikkelaars met een ‘leuk idee’ langskomen.

Food-Idols is een leuk concept waar veel leuke ideetjes getoond worden, maar het is in mijn ogen ook een gevaarlijk concept. Het schept namenlijk valse hoop voor vele kleine koks en producenten. Van vele deelnemers kan getwijfelt worden of ze wel professioneel genoeg zijn. Wel hebben de meeste deelnemers waarschijnlijk stiekem de droom dat ‘hun’ product bij de AH in het schap komt te liggen. En die kans is gewoon heel erg klein **, ik hoop dat #smaakNL daar richting de deelnemers reeel in is.

Lees onderstaande reactie van mij op foodlog eerst even.

@Florine, we hebben vaak hierover gesproken. Voeding is helemaal geen hogere wetenschap, wel is de realisatie van succes steeds moeilijker (en daar gaat mijn punt over innovatiemanagement over). Nu snap ik je punt heus wel, maar zelfs bij een merk als GIJS zul je als kleinschalige producent aan de ‘moderne’ spelregels moeten houden. En de gedachte dat groot, dus niet lekker, klopt, bestrijdt ik graag. Er zijn kleine producten die goed ‘voelen’ maar niet te vreten zijn, en grote producten die heerlijk zijn.

Zelf maak ik onderscheid tussen:
1. thuis koken of voor de buren.
2. een restaurant en zijn gasten (eventueel take away)
3. cateraar die eten rondbrengt, waarbij het eten dezelfde dag wordt genuttigd.
——————————————————–
4. kleinschalig ambachtelijk (beperkte straal wordt het product geleverd
5. grootschalig ambachtelijk (wat eigenlijk gewoon industrieel is).
6. grootschalig privatelabel (industrieel), kleinschalig private label ken ik niet.
7. grootschalig industrieel (= melk van Campina. Unilever, …)

Er zit een grote grens tussen 1 tot 3, en 5 tot 7. Ik twijfel altijd over no 4. Eigenlijk zou deze bij de groep 5 tot 7 moeten horen. Nu heeft elke thuiskok die bij mij langskomt, de ambitie om ‘iets’ in het schap te krijgen. Kortom, om bij de groep 5 tot 7 te gaan horen. En ja in deze categorie heb je een rijbewijs nodig. Maar over smaak hoeft dat helemaal niets te zeggen. Lees ook nog maar eens de discussie uit 2009 na “ambacht versus techniek”, en het rapport dat TOP heeft gemaakt.

Waar ligt dan wel de werkelijke bottleneck bij productlanceringen?

Na vele jaren werkzaam te zijn in deze sector durf ik wel te zeggen, dat dit de bottlenecks zijn:

A- op voldoende ‘schaal’ veilig kunnen produceren, dit heeft met productietechnologie en opschaling te maken. Onze oplossing: TOP heeft kleinschalige faciliteiten klaar om producten op 500 tot 2000 kg per dag te kunnen maken.

B- gebrek aan verkoopkanalen, en het feit dat er een hele scheve machtsverhouding in de voedselketen zit. Onze oplossing: het idee van de halve meter beta. Maar ook het idee van Dick rondom de boerensuper is goed.

(C- en gebrek aan professionaliteit, of te wel teveel een hobby instelling van de ‘uitvinder’)

Mijn stelling is, dat er geen gebrek is aan goede ideeen, of lekkere recepturen (en de #SmaakNL laat dat ook duidelijk zien). Desnoods kunnen we altijd nog de schappen bij kennisinstellingen leeghalen. Goed ondernemerschap begint bij de realisatie en erkenning dat je je moet richten op de werkelijke innovatie bottlenecks -waar zit de weerstand, waar zit de flessenhals- en niet teveel in je comfort zone moet blijven zitten.  

Twee gedachten één ziel, een paar minuten geleden schreef Dick:

1. “Een grote slagerij zou prima goede ham kunnen maken, als hij maar zou willen.” Ze willen het, kunnen het en doen het (ik kan je er verschillende noemen). Maar ze blijven niet. Heeft niets met rommelen te maken, maar met geblokkeerde markttoegangen.
2. Er wordt gerommeld, geklungeld en geexperimenteerd. Dat klopt. Er is begeleiding nodig vanuit kennis die er is, want we leven in de 21 eeuw en niet in de 17e.
3. Er bestaan traditionele producten die niet meer kunnen. Life is dangereous. Waarschuw voor de gevaren zoals je dat doet op een pakje sigaretten en maak het mogelijk. Het is aan de producent duidelijk te maken hoe die zijn pre-moderne product maakt en daar transparant en eerlijk over te zijn. Moet je consumenten die iets anders willen voor alles beschermen?

** De onderhandelingen met supermarkten verlopen hard. Het gaat namenlijk de categoriemanager helemaal niet om de winst of omzet per product. Het enige doel is winstmaximalisatie – in euro’s totaal- per groep. Lees anders ook nog maar eens het artikel over kruissubsidie en de margemix na. Unieke producten worden vaak tegen een hoge prijs in het schap gezet, zodat de ‘bulk’ lees A-merken en de huismerken een beter prijs kunnen krijgen. Bovenin de categorie zit altijd een excoot als referentie.

No Comment – Jonas Ridderstråle @ Food Valley Congress 2010

Het Food Valley congres afgelopen donderdag in Ede was weer perfect georganiseerd. Natuurlijk is het belangrijkste van de dag dat Nsure de Food Valley Award heeft gewonnen. Eindelijk een B2B innovatiebedrijf dat deze prijs wint. Ik gun het Monique van harte en ze heeft het echt verdient; gefeliciteerd.

De lezing van Jonas Ridderstråle (managemenguru) stak deze dag met kop en schouders uit boven alle ander lezingen. Ik ben zo brutaal geweest om de lezing -op de eerste paar minuten na- op te nemen. De lezing duurt een half uurtje, de slides zijn niet zo belangrijk, dus zet gewoon je computer aan, en luister goed. Jonas haalt veel punten naar voren waar Jarvis ook over schrijft, maar ook waar Harold van Garderen expert in is.

“Organisation have to become more like a laboratorium, including how to deal with failures”. Harold noemt dat Safe-fail, Veilig falen. Grote organisaties zijn immers complexe addaptieve systemen. Jones heeft het over organisaties, en welk effect internet en social media heeft op de organisaties.

Het verschil tussen ‘believers’ en ‘ergens in geloven’.

In de biologisch buiten spel lijn op foodlog is het woord believer vaak gebruik. Natuurlijk komt dan automatisch de vraag ‘wat is een believer’. En wat is het verschil met ‘geloven in’. Aan de reacties te zien, zijn Dick Veerman en ikzelf het wel eens over dit verschil.

De gezondheidsraad heeft geconcludeerd dat -op basis van 50 jaar onderzoek en gebaseerd op de huidige meetmethodes (waar heus wel wat op af te dingen valt)- biologisch eten ‘niet gezonder is’. De true believer gelooft dergelijke conclusies eenvoudig niet, denkt in complotten en wil nog meer onderzoek. Ik heb de indruk dat de theorie, wetenschappen en kennis gewoon niet aanwezig is, of wordt begrepen door ‘believers’. Believers, zijn wellicht gewoon onbewust-onbekwaam **. Of ben ik nu na deze uitspraak plotseling een betweter (ja dat ben ik 🙂 ) of misschien zelfs wel een believer geworden?

Hierbij de reacties over de definitie van ‘believer’:

Dick

Willem, een believer laat zijn geloof – een godsdienst, geldende opvatting of individuele overtuiging – komen waar de rede al voorbij is

Wouter

Voor mij is een believer iemand die ‘gelooft’ in iets of een systeem, waarvan feitelijk wetenschappelijk, aangetoond kan worden dat het niet kan. Een ‘believer’ gelooft wetenschappelijk rationeel bewijs gewoonweg niet, meestal door een gebrek aan kennis. Echter die hard believers willen ook niet eens kijken naar feitelijke inzichten. Bij deze lijn over biologisch, zie je spijtig genoeg nogal wat believers voorbijkomen.

Zelf gebruik ik niet graag het woord gelovige, aangezien ik best respect hebben voor vrome mensen die in een hogere macht geloven. Echte gelovigen zullen immers niet de zwaartekracht of het rond zijn van de aarde ontkennen.

Dick

Kan het zijn dat we nu allemaal hetzelfde hebben gezegd op verschillende manieren en dat het gaat om mensen die ‘door een gebrek aan kennis’ dingen denken terwijl ze dingen zouden moeten proberen te snappen?

Jan Peter

Mensen die iets voor de wetenschap uitlopen, mag je geen believer noemen omdat ze het nu eenmaal wat scherper zien en niet worden belast door allerlei wetenschappelijk, commerciele of historische beperkingen. Dan is label believer eerder een uitdrukking van onmacht.

Wouter

@ jan peter, mensen die voorop lopen, die creatief zijn en die vanuit kennis kunnen duiden wat de blinde vlekken zijn, zijn inderdaad geen believers. Ik gebruik de term believer die achterlopen, of geen systeemoverizicht hebben. (zie ook Vorsers en Prospectors)

Dick

Geloof? Ja natuurlijk. Maak het maar scherp en onbeschaamd: er is een verschil tussen achterlopen en voorlopen. Het ene kunnen we ‘believen’ noemen, het andere het sprongetje maken dat ‘ergens in geloven’ heet.

** leren en het verkrijgen van inzicht verloop bij mensen volgens de volgende 4 stadia (dit is, naast NHBD-theorie ook een blokje in mijn trainingen):
1. Onbewust – Onbekwaam.
2. Bewust – Onbekwaam
3. Bewust – Bekwaam
4. Onbewust – Bekwaam.

Ik heb enorm veel respect voor mannen en vrouwen die onbewust-bekwaam zijn (‘wijzen’). Je ‘voelt’ dat over het algemeen als je bij een dergelijke persoon bent. De overgang van 1 naar 2 is echter het allermoeilijkste. Je weet immers niet wat je niet weet. Pas als je beseft dat je iets niet weet, of dat er nog andere ‘disciplines’ zijn, dan sta je wellicht ervoor open om iets te gaan leren. In mijn dagelijkse praktijk besteed ik heel erg veel tijd aan klanten en partners om van 1 naar 2 te komen. Als het lukt dan hoor je meestal reacties zoals: “maar dat wist ik niet”, “dat is nieuw voor mij”, “nu begrijp ik wat je bedoelt”. Deze 1->2 overgang kost heel veel energie, en soms leidt het tot ruzie. Klanten en partners willen zelden voor deze dienst betalen, terwijl het de meest nuttige activiteit is.

Aanvulling d.d. 10-10-2010:
dick veerman

Veelkantie, ik was eerlijk gezegd niet van plan in deze draad alle discussies weer over te gaan doen (ik wilde deze discussie niet eens uitlokken; ik wilde wijzen op de inconsequentie van actievoerders en de gemiste kansen voor open doel van een journalist).

Mijn motieven zijn uiterst simpel:
– laten zien hoe de feiten in elkaar steken
– feit en wilskeuzen van elkaar scheiden
– feiten die uit wilskeuzen voortkomen als zodanig ontmaskeren

De feiten:
– we jagen niet meer, maar zijn aan landbouw gaan doen
– zo kon ons aantal groeien en konden we heel andere dingen gaan doen die ons bezighielden
– dieren, plantaardige landbouw en voedselverwerking vormen een samenhangend systeem
– landbouw – als totaal – onderhoudt het landschap zoals we dat mooi vinden
– steeds lagere kostprijzen en biodiversiteit gaan kwalijk samen; daar moeten we om risicoredenen voor onze soort een oplossing voor vinden
– er is ook een Dekkeriaanse landbouw mogelijk, very high tech
Van het land, uit de stallen en uit de reststromen van de verwerking van voedsel komen verschillende soorten voedsel, dierlijk en plantaardig. Die zullen we via een sleutel moeten verdelen onder het aantal mensen op aarde, cq. de mate waarin het redelijk is dat te verslepen gegeven het ver- en hergebruik van schaarse energie, water en nutrienten. Daar beginnen de wilsbesluiten.

Wouter de Heij
En hij of zij die hele onwaarheden gebruiken of feiten (bewust of onbewust) negeren, om hun persoonlijke wilskeuzen te beargumenteren, noemen we believers .

Ned Hermann, personeelsbeleid, creativiteit en innovatie

De lijn op foodlog over het interview met Jan Peter van Doorn bevat veel interessante invalshoeken (“een goed product heeft geen marketing nodig”). Niet geheel ontoevallig gaat zo’n discussie dan ook over het verschil tussen management en leiderschap. Dat leek me een mooi moment om te wijzen naar “geen motivatie zonder inspiratie” en vooral het onderstaande youtube filmpje.

De logische vraag daarom van Pieternel van Velden aan mij was:

@Wouter, is het wellicht een gebrek aan creativiteit? Hebben managers geleerd creatief te denken of trends te snuffelen?

En dat is nu eigenlijk een beetje een open deur om wat meer te vertellen over cultuur en personeelsbeleid. Ik gebruik daarbij ook het model van Ned Hemann Brain Dominance (NHBD) dat ik ook in mijn trainingen “Projectmanagement van Innovatietrajecten” graag laat zien. Mijn reactie op de vraag van Pieternel van Velden was (de lijn op foodlog is vanaf hier te lezen):



Ja, Gebrek aan innovatief vermogen heeft inderdaad te maken met ‘gebrek aan creativiteit’, ‘gebrek aan kunnen fantaseren’ en vooral de ‘angst van de verandering’ kortom de ‘onzekerheid van het onbekend’. Nu heb je per definitie niets aan een ‘monocultuur’, kortom 100% managers of juist 100% vrij denkers in een organisatie zijn beide fout. De kunst is om 20% inspiratie en creativiteit op een effectieve manier in een doe-stemming (80% van het (zweet)werk) te zetten. Kortom je hebt een divers team nodig met verschillende rollen, maar vooral verschillende type mensen.

Wat je bij veel organisaties ziet, is dat mensen geselecteerd worden die ‘passen’ binnen de huidige cultuur, het resultaat is vaak dat je ‘gelijk’ gestemden aanneemt (met de eerder genoemde monocultuur als resultaat). Teambuilding en vorming van hetrogene teams, is een cruciale vaardigheid voor elke moderen organisatie heden ten dagen. Zelf geef ik bijna 8 jaar 5x per jaar training in Projectmanagement rondom Innovatie. Dit soort inzichten zijn een essentieel onderdeel (en daarmee een belangrijk onderdeel van innovatiemanagement). Hoeveel tijd heb je 🙂 ? 

Juist in wat klassiekere sectoren -en de tuinbouw is daar een goed voorbeeld van- zijn dit soort inzichten totaal onbekend, waardoor men als ‘lemmings’ samen de afgrond inloopt. Zelfs zelfbenoemde marketeers uit het westland (ik noem ze grafisch vormgevers die leuk logo’s kunnen maken), hebben zelden oog voor innovatie en positionering. En outsiders zoals Jan Peter (maar ook Willem&Drees;) worden als ‘niet van ons’ en dus als bedreigend ervaren. Vandaar mijn opmerking dat het een cultuur-issue is

(een volgende keer een stukje over: “we doen lekker alles zelf, want dat is lekker goedkoop” en “mijn vak is het moeilijkst.belangrijkst, die van jouw leer ik op vrijdagmiddag ff bij”, en alle effecten die dat type ‘denken’ met zich meebrengt). 



Aanvulling 5 december 2010
Zonet een mooie quote van Dick op Foodlog:

Hoe krijg je romantische alfa’s, mensengedrag-kennende gamma’s en materie-deskundige beta’s toch eens samen aan het denken over de toekomst? De kloof tussen die drie schijnt nogal diep.

Mijn antwoord:

Goede vraag. Volgens mij begint het met respect voor elkaars discipline. Geen van deze disciplines is “het” belangrijkste. Ten tweede begint het met de erkenning van het feit dat mensen ‘verschillende denkvoorkeuren’ hebben. Lees dit stukje maar eens.

Zoals je ziet is er nog een vierde categorie: de procedure volger; voor wie het proces belangrijker is dan het gevoel en/of de inhoud. 🙂 Professionele organisaties gebruiken dit soort inzichten om goede teams te maken.

Jan Peter van Doorn: Een goed product heeft geen marketing nodig

Zelf ben ik geen marketeer, al denk ik natuurlijk wel goed na over ‘verkoop’ en vooral over de toekomst van verkoop(modellen) in relatie tot business modellen. Innovatie en marketing zijn voor mij broer en zus, het is lastig om ze los van elkaar te koppelen. In mijn presentaties mag ik daarom graag gebruik maken van een uitspraak van Peter Drucker uit 1954 (bekijk ook enkele andere uitspraken):

“… any business enterprise has two – and only these two – basic functions: 



marketing and innovation”

Wel zet ik daar ook graag een tweede uitspraak tegenover.

“Markets that don’t exist can’t be analysed” 



The (market) entrence of disruptive innovative technologies will not be predected by marketing departments or consumer panels

Klassiek marketingonderzoek heeft daarom niet veel zin als je bezig bent met disruptieve innovaties, waarbij je per definitie eigenlijk een blue-ocean aan het creëren bent. Een nieuwe productcategorie verzinnen heeft alleen zin als je rekening houdt met (a) de ontwikkeling van nieuwe technologie, (b) zwakke signalen kunt detecteren, (c) rekening houdt met de grote maatschappelijk trends zoals vergrijzing, duurzaamheid, gemak en plezier, (d) je slim nadenkt over het business model (nu is ook helder waarom TOP samen met Harold Van Garderen het bedrijf TOP Innosense recent heeft opgezet 🙂).

Vorig jaar oktober schreef ik een kort stukje over het verschil tussen intrinsiek en extrensieke eigenschappen van producten (in de food sector helemaal lastig). Ik denk dat dit verschil weer kleiner zal gaan worden (Jan Peter, noemt dat hieronder Authentiek). Eerlijk communiceren over producten is natuurlijk ook de basis van kijk of het klopt (zie ook link) Ook een jaar geleden heb ik kort een samenvatting gemaakt van het boek ‘What would google do’ , ook dat boek gaat over de toekomst van ‘verkoop’.

Wat ik interessant vind, is dat onder andere door internet en social media, het aantal communicatiekanalen sterk is gegroeit. Professioneel communicern met impact wordt gek genoeg duurder, terwijl het zenden nu goedkoper dan ooit is. Trek je deze trend door, dan zou je zeggen dat de waarde van een advertentie op termijn gaan afbouwen. En stel dat dat zou is, wat betekent dat dan voor Google en alle andere (media) bedrijven die nu een zakelijk model hebben gebaseerd op reclame inkomsten? Zelf denk ik dat we weer terug gaan naar de nieuwe ambacht (zie ook #CoT dicussie op linkedin) en dat de klassieke verkoop via grote marketingbudgetten op een doodlopend spoor zit (maar een glazen bol heb ik niet). Onze eigen Nederlandse marketing goeroe Jan Peter van Doorn is door Pieternel geïnterviewd en het resultaat staat hieronder (zie ook discussie op foodlog):

Uit het Weekblad Groenten & Fruit – geschreven door Pieternel van Velden: 

Een goed product heeft geen marketing nodig, vindt Jan Peter van Doorn. Zorg dus voor goede producten en leg uit, vertel waarom ze zo goed zijn. Boeren en tuinders hebben geen marketingprobleem, maar een identiteitsprobleem.

Jan Peter van Doorn volgt de agrarische sector al lange tijd. Als reclame- en marketingman pur sang kijkt hij terug op een lange carrière vol campagnes voor grote bedrijven, waaronder de food- en retailsector. In zijn ogen moet de voedingstuinbouw die platgetreden paden niet bewandelen, maar naar nieuwe wegen zoeken.

Wat kan marketing betekenen voor de voedingstuinbouw?
“Marketing is beïnvloeden. Marketing is macht. Marketing is alleen geen wondermiddel meer. Naar mijn mening loopt marketing van de twintigste eeuw op z’n laatste benen. Het is geen geheim dat grote bedrijven op dit moment hun strategie wijzigen, omdat deze niet meer werkt. Het tijdsbeeld verandert. Consumenten laten zich niets meer aanpraten. Ze willen niet voorgekauwd of genept worden, maar eisen echtheid. Ze willen als verstandige mensen worden benaderd, niet als ‘couch potatoes’.

De voedingstuinbouw heeft één voordeel op de voedingsindustrie. De sector heeft weinig aan marketing gedaan, dus hoeft ook niet de ‘ontmarkten’. Zonder die bagage kunnen tuinders dus nieuwe wegen inslaan. Uitgangspunt is het product. Dat moet kwalitatief heel goed zijn. Een goed product heeft geen marketing nodig. Daarover vertelen, die boodschap brengen is genoeg. Jezelf zichtbaar maken, uit het schuttersputje en uit de slachtofferrol is het devies.”

Dat klinkt wel erg makkelijk. “Dat is het in wezen ook, maar de teler zal wel moeten leren zijn verhaal te vertellen. Tot op heden heeft hij verteld dat hij nog meer paprika’s of komkommers kan maken voor een nog lagere prijs. En dat is een doodlopende weg gebleken, want er is altijd iemand die nog goedkoper kan leveren. Het buitenland, bijvoorbeeld.

Natuurlijk is de situatie beroerd. Ik zou er zelf zo ongelukkig van worden als ik zo afhankelijk was van het weer, de bank en het energiebedrijf. Maar ik zou de oorzaak toch voor een belangrijk deel bij mezelf zoeken, in plaats van bij die stomme consument of lakse overheid.”

Waar ligt de toekomst van tuinbouwbedrijven?
“Het gaat volgens mij twee kanten op. Een deel van de ondernemers zal zich richten op industriële productie van groenten en fruit. Dit zijn ondernemers, die je op dit moment van crisis ook nauwelijks hoort. Die vinden hun eigen weg en hebben de anderen niet nodig. Industriële productie is nodig om de bevolking van voldoende voedsel te voorzien.
Volgens kenners hebben we in Nederland bijzonder vruchtbare grond. Als ik alle verhalen hoor over lage rendementen, dan vraag is me af of we die vruchtbare grond wel optimaal genoeg gebruiken.

Een ander deel van de tuinbouwondernemers gaat zich ontwikkelen tot ‘traitteur’. Zij maken iets bijzonders, met een verhaal erbij. Dat kan een bepaalde dienst zijn, een speciaal product of een verwerkt product. 

In relatie tot vruchtbare grond zou dit wel eens een groeimarkt kunnen zijn met behoorlijke rendementen. Tenminste, als ze er in slagen deze producten relevant te maken. Relevant genoeg om de concurrentie met bankstellen, vakanties en dergelijke aan te gaan. Maar in feite geldt dat voor de hele voedingssector. Eten is nog niet belangrijk genoeg.”

Waarom is het voor de teler zo moeilijk om zijn verhaal te vertellen?
“Dat zit als het ware in de genen. De agrariër heeft geen marketingprobleem, maar een identiteitsprobleem. Op het wat scherp te zetten: een ingebakken minderwaardigheidsprobleem. Bang voor de stad, de wereld, de consument.

Ik ken zowel de stad als het platteland. Naarmate de tijd vordert zie ik die twee steeds meer uit elkaar groeien. Agrariërs voelen zich veilig in hun eigen habitat. Dat zie je eigenlijk aan hun hele gedrag. Hun vriendenkring, interesses, het leven in een veilige omgeving. Je ziet eigenlijk niet of nauwelijks dat ze zich ontwikkelen tot wereldburgers. 

Die emancipatie is nodig om meer zelfvertrouwen te ontwikkelen. Met het ontwikkelen van een eigen identiteit ontwikkelen zij ook het vermogen om voor hun product te staan en het voor een eerlijke en goede prijs te verkopen, waarmee de afhankelijkheid en het gevoel van machteloosheid voor de omgeving afneemt.

Eigenlijk verwachten agrariërs dat de stedeling naar hen toe komt. En die bereidheid is er zeker, merk ik. Steeds meer mensen in de stad zijn bewust bezig met hun voedsel, of het nu om gezondheid gaat of culinair genot. Nu die stap om beide werelden samen te brengen.
Breng de stad naar het platteland en andersom. Wat kun je leren van elkaar? Het belangrijkste is misschien wel communicatie. In de stad zitten we boven op elkaar. We moeten wel communiceren om met elkaar om te gaan.
Ik denk trouwens dat dit proces verder gaat dan communicatie. Er ligt ook werk voor architecten en planologen. Integratie van tuinbouw en stedenbouw.”

Maar nu graag een paar ‘vernieuwde’ marketingtips voor boer en tuinder
“Ah, daar zijn we weer: marketing tips.

Okay, als eerste noem ik ‘authenticiteit’. Zorg voor een goede basiskwaliteit en hanteer die norm. Maak dus een product waar jezelf volledig achter kan staan. Twee eigenschappen zijn dan belangrijk: onderscheidingsvermogen of kritisch vermogen en vakmanschap. Eigenschappen die door hoge druk en stress nogal verwaterd zijn.

Dat er in de tuinbouw grote volumes bestaan lijkt onvermijdelijk, maar ook dan blijft het om kwaliteit draaien. Tot nu toe heeft de sector het geluk gehad dat consumenten echte kwaliteit niet herkennen, maar dat begint nu snel te veranderen.

Ik adviseer de tuinder om dicht bij zichzelf te blijven. Past een industrieel product bij hem, of wil hij zich onderscheiden. Laat hem doen waar hij goed in is. En vooral waar hij blij van wordt. Een andere keuze is er niet. Gewoon het goed benutten van kansen en het uitventen van mogelijkheden. Dit alles moet leiden tot wat je de primaire betekenis van marketing zou kunnen noemen: relevant onderscheid. Les één van marketing. Meer marketing is er eigenlijk niet.”

Dat is het?
“Ja. Zorg er voor dat je als sector oogcontact maakt met de samenleving en schudt dat minderwaardigheidscomplex af. Neem deel aan de maatschappij.”

Ontploeteren
Jan Peter van Doorn heeft ruime ervaring in reclame en marketing. Als strateeg werkte hij bij Prad en JWT. Tien jaar lang had hij zijn eigen bureau, Benjamens van Doorn Euro RSCG en werkte voor opdrachtgevers als Heineken, Douwe Egberts, Nuon, ABN, Achmea, Unilever, Delta Loyd, Ministerie LNV, Ministerie Verkeer en Waterstaat en retailers als Albert Heijn en C1000. De afgelopen tien jaar is hij getriggerd door het thema ‘identiteit’. Hij schreef twee boeken: ‘Ontploeteren, zie het, snap het, doe het’ en ‘De ontdekking van je ding’. Je vindt ze op http://www.janpetervandoorn.nl

Aanvulling 22 November 2010
Jan Peter heeft zonet een geweldig stuk geschreven op Foodlog met de titel “ik ben boos”